over trunten en bleiten

July 17th, 2018

Vorig jaar in september haalden wij een oude hond uit het asiel.

Er waren heel wat mensen die voorzichtig zeiden dat het moeilijk zou zijn, een oude hond, omdat ze niet zo lang bij ons zou zijn, en het verdriet groot als ze zou sterven.

Ik had daar nog geen seconde bij stilgestaan. Niet bij dat sterven, niet over dat verdriet. ‘Ik ken dat, hier geen dieren, dat is alleen maar verdriet voor de kinders, is het niet vroeg dan is het laat, en dan moeten kinderen wenen, ik ken dat.’
‘Uhu,’ zei ik vaak. ‘Ja, klopt’, ook.

Wij kwamen net uit één van de emotioneel turbulentste tijden van ons leven hier, waarin we heel dicht bij de dood waren geweest, dat ik het eigenlijk niet goed snapte, wat de mensen wilden zeggen.

Ik was het niet met ze eens, maar ik had wat tijd nodig om het te kaderen.

Wanneer zijn wij zo bang geworden van verdriet?
Hoe komt het dat wij rouw uit ons woordenboek hebben geschrapt, tot op het moment dat het ons overvalt?
Waarom leren wij onze kinderen alles, maken wij heelder programmareeksen, zelfs over seks, en laten wij afscheid, verlies en rouw gewoon netjes in de bezemkast?

Mijn Afrikaanse vriend Moussa keek met open mond naar de manier waarop wij een begrafenis organiseren (toen mijn zoon stierf): het plechtige, de afstand, de kilte in de kerk. In de week van het sterven van mijn kind fluisterde hij het me toe: hoe inherent de dood aan het leven is; hoe je niet kunt leven zonder te sterven. Hoe je leven kunt vieren, net op het moment dat het er niet meer is. Oh wat heb ik zijn woorden in gedachten, als het in mijn hoofd kortsluit.

Misschien moeten we de deur op een kier zetten voor verdriet. Misschien moeten we trunten en bleiten en vloeken en leren om te leven met verdriet, met zeer en met gemis.
Als we de deur een klein beetje openen, dan komt het binnen, zo af en toe, als een soort compagnon de route.
Het zal niet steeds fijn zijn, en het doet vaak meer zeer dan gehoopt, maar ervan weglopen maakt het alleen erger, zwaarder en log.
Jezelf dapperder voordoen dan nodig is eigenlijk ook alleen maar een beetje doen alsof.

Onze hond tjaffelt ondertussen dapper door, met artrose in haar poten en een kwijlende bek als ze teveel water heeft gedronken.
Ze zal sterven, zoveel is zeker, en de kans dat het binnen 3 jaar voorvalt is veel groter dan binnen 10 jaar.
Maar ondertussen is het fantastisch, is ze de beste maat van mijn lief en mijn kinders en mezelf, en omhelzen we het samenzijn als geen ander.

Altijd met de deur op een kier.
Als ze sterft gaan we samen bleiten en vloeken en zeggen dat het teveel pijn doet voor woorden. Dat geen enkele hond zo fantastisch is als zij, en dat haar missen veel pijn doet. We weten dat, en we weten ook allemaal dat dat het leven is, hier. Geen taboes over afscheid, inherent aan het leven zoals het is. I onze rugzak nadien wat meer houvast om grilligheid op te vangen, om te beseffen dat er geen vlekkeloos pad bestaat, voor niemand en nooit.

Duizend hartjes voor de troost die ik vond in het interview dat Eva had met Helen:
Het licht dat samenhuist met het duister.

verzet

June 23rd, 2018

toen ik een tiener was groeide ik op met de hoop dat de wereld beter kon worden.
ik worstelde mij doorheen de visies van de belangrijke politieke strekkingen, las de krant, keek naar het nieuws en stak mijn middelvinger uit als het nodig was.
ik zag veel goeds (en ook veel verdrietigs, ik moet nog eens terugkomen op al dat tienerverdriet en alle pijn) en ik dacht dat het alleen maar beter kon worden. ik dacht toen dat mensen in se om elkaar geven, en dat er op wat randverschijnselen na heel veel liefde en respect was.

ik groeide, ik ging werken, ik kreeg kinders met mijn machtige lief en ik ging maar een beetje door met leven. ik moest kindertjes baren en melk geven en mijn leven draaide een hele tijd om melk en wiegen en sussen en wandelen en af en toe denken dat het allemaal veel te veel was en te lastig en dat ik het liefst op een eiland alleen zou willen wonen bij momenten.
ach. het leven van jonge ouders, het is pas als nabeschouwing dat ik besefte hoe verdorie lastig het was en hoe erg wij geluk hadden met de back-ups, voornamelijk mijn mama en mijn tante en mijn nichtjes. af en toe namen ze de zorg over, werd ik weer een onbezonnen meisje en kon ik samen met mijn lief het leven nemen zoals het ook af en toe eens moet zijn.

toen werd ik plots chronisch ziek aan mijn darm (geen erg, het is perfect te controleren en ik heb er weinig last van momenteel). de sociale zekerheid die ik had door te werken loste bijna alles op: ik kon naar de dokter, ik kon thuisblijven toen het heel erg pittig werd en ik had een baas van jewelste die me met veel begrip liet recuperen en zei dat hij blij was dat ik terug was nadien.

mijn lief werd ook ziek en ook daar kwam de sociale zekerheid en de verzekering tussenbeide: hup, factuur en hup alles raakte betaald. het is wel een duur leven, als je ziek bent: je inkomen daalt en je behoort plots tot een zeer kwetsbare groep in de samenleving.

ach, we doen het met minder maar we hebben nog steeds meer dan heel veel mensen en we hebben zelfs nog meer dan genoeg om eens te kunnen gaan eten, te delen met andere mensen en de rekeningen te kunnen betalen.

soms flitst het door mijn hoofd: wat als dit je allemaal overkomt als alleenstaande (ouder)? zowel emotioneel als financieel? hoe doe je dat dan eigenlijk?

tussen al die episodes van ons leven was er solidariteit.
mijn mama kwam tussenbeide, mijn tante ook, mijn nichtjes waakten mee over de kindjes (als ik het even niet meer zag, hoe het allemaal moest), mijn vriendinnen sms’ten me in het holst van de nacht en ik kreeg de schouder van mijn maten om op te crashen. er was altijd eten, lekker eten, dat we samen kookten en soms apart: hoe het uitkwam meestal. ik kon bellen naar mijn vrienden als ik iets nodig had en als we ruimte hadden konden wij een beetje helpen met hen. Ons kent ons en daartussen heel evidenties en stille afspraken. het ging al eens te luid, ik explodeerde een keer in de auto van een vriend van mij dat hij bang was dat de ruit ging breken, maar ‘s morgens vroeg hij me of het weer ging. hij was niet kwaad dat ik kwaad was geweest en mijn liefje, die mij het best kent, zweeg en liet me weer tot mezelf komen.

ik dacht dat de wereld zo in elkaar zat.
dat mensen mensen gewoon graag zien.
soms me strubbelingen, soms met hulp, soms dicht bij elkaar, soms ver weg maar nog altijd met respect.

toen was er, tussen al die zaken door, een schoolfeest. een banaal gezellig schoolfeest en ik zou wat helpen en er waren chocomelkjes voor alle kindjes. we stonden met twee moeders naast elkaar en we deden de brikjes alvast open zodat de kindjes niet zouden morsen. de kleintjes schoven aan en waren blij en met plakkerige handjes namen ze hun drankjes aan en liepen weg om te gaan spelen met hun vrienden. ‘oh wat is het fijn om te delen’, dacht ik content. mijn eigen gebroed liep er ook rond, alles was rustig en vredig en de vakantie zat eraan te komen: een moment waarop alles zo goed en fijn lijkt.

er was een klein ventje, een kleutertje, dat om zijn melkje kwam.
hij dronk het snel en gretig op en ik dacht ‘oh dat moet smaken’.
toen ging hij even wandelen en hij kwam terug en sloot achteraan in de rij aan.
‘heb je dat profiteurtje gezien?’, zei de andere mama fluisterend nadat het kleintje de boodschap had gekregen dat er maar voor elk kindje één drankje was.

de dag ging voorbij, de avond kroop in mijn lijf.

de zin liet me niet los. het was niet gewild, niet gepland, maar de woorden kwamen steeds terug in mijn hoofd.
‘dat profiteurtje’
dagen aan een stuk maalde het door mijn hoofd, tot het buitenproportioneel werd en ik alsmaar bozer en verdrietiger werd. het was belachelijk, maar ik kon er niks aan doen, profiteurtje, profiteurtje, profiteurtje. het was helegans niet zo bedoeld, dat weet ik zo zeker, maar het was gezegd en ik kon er geen weg mee, langs geen kanten.

ik dacht aan de tijd dat ik honger had, op sommige dagen. aan de dagen dat het lastig was om naar de tandarts te kunnen gaan omdat ik geen geld had. aan de dagen dat mijn tante 25 euro gaf en ik me rijk voelde. ik dacht aan de jonge moeder die ik was toen ik op school kwam, in een kern van échte mama’s en ik het gevoel had dat ik gewoon maar wat deed. aan hoe lastig het soms was maar hoe snel ik werd opgenomen bij de mama’s, Marleen, Els en Huguette. Hoe anders mijn wereld werd doorheen de jaren, met buitengewoon veel geluk, mensen rondom me die in ons geloofden en af en toe nog wat meer geluk.

zonder die basisvorm van solidariteit stond ik niet waar ik nu sta.
zonder al die zorg en die liefde stonden wij als gezin nergens.
ik sta nog altijd niet veel ergens, maar het is wel verdomd goed op de plek waar ik sta, ook al is het er klein en oud, het is er vooral warm en gezellig.

(ik dacht dat dat zo was, in de grote wereld, dat mensen elkaar hielpen als het nodig was, hun huis openstelden voor anderen en hun grenzen wegduwden bij mensen in nood.)

die ene zin, de profiteurtjes-zin, maakte komaf met veel van mijn hoop en veel van mijn geloof.
het was compleet belachelijk, hoeveel wanhoop ik voelde bij die ene zin.

is dat hoe wij naar kinderen kijken, vroeg ik me later af. dat wij kleintjes van een ander als profiteurs zullen zien? een kleuter die verdorie chocomelk wilt drinken?
Oh ik ben zo boos geweest. boos op de wereld, op de vooroordelen, op alle kansen die mensen niet krijgen terwijl ze voor het rapen liggen.

na de kwaadheid kwam er verdriet, en na het verdriet kwam er verzet.

want ik had ook al lang door dat menselijkheid en zorg niet al te veel van bovenaf komen. politiek is met veel bezig, maar niet al te vaak met mensen. Daarom hebben ze zulke slogans nodig, waarschijnlijk, dat we zouden denken dat het wel over de mensen gaat.
het onderwijs, nog een van mijn oude hopen, heeft ook nog wat katten te geselen en wat hervormingen te doen, maar bon, daar kunnen we niet op wachten.

wat kan ik dan doen? wat kan ik dan doen?
het is een vraag die door mijn hoofd en door mijn lijf dwaalde tijdens slapeloze nachten.

klein verzet.
als we allemaal heel erg veel kleine dingen doen, dat is het toch maar dat.
als het niet genoeg van bovenaf komt, dan zal het wel van ons moeten komen.
want met alleen maar mails naar ministers te sturen dat we niet akkoord zijn zullen we er ook niet geraken.

eten maken voor elkaar
chocomelk geven aan de kindertjes
mekaars kinderen even overnemen
een uur luisteren naar iemand die het vandoen heeft, ook al heb je geen tijd
ons geld delen met andere mensen in plaats van heel de tijd kleren te kopen
gerief delen in je straat
je vriendin een arm geven als ze het nodig heeft
helpen met administratie (oh wat zullen we later een generatie analfabetische mensen hebben, zo weinig zorg in het onderwijs voor de manier waarop je door de hele papierenwinkel van de overheid moet, zo erg weinig inzicht)
mensen leren wat sociale zekerheid is
je glas delen met je maat
een zetel geven als er iemand moe is
je tent uitlenen

klein verzet

laten we elkaar geen profiteurs noemen, dat vooral.
laten we zorgen voor kinderen. laten we een generatie kinders kweken die weet waar het over gaat, die krachtig in het leven staat en die snapt dat zorg voor elkaar het allerbelangrijkste is in het leven dat er bestaat. laten we kinderen in de holtes van hun gezin opgroeien, groeien en groot worden. laten we geen kooien gebruiken, niet bij beesten en niet bij kinders. laten we mensen samenbrengen, leren van elkaar en eindelijk eens komaf maken met die ziekelijke angst dat anderen ons kwaad willen doen.

laten we allemaal samen klein beginnen, zou dat geen goed idee zijn?

Hij houdt er niet van dat ik foto’s van hem neem. Hij vertelt dan over Indianen en zielen die verdwijnen als je ze probeert vast te leggen.
Ik doe het toch, soms een keer.
Ik mag niet schrijven over hem, dat ook, maar ik doe het toch.

Hij houdt ook niet van schone verhalen over de liefde, het leven en andere melige shit die ik toch aan hem vertel.
Dat is Disneypraat, zegt hij, maar ik luister dan niet naar hem, en ik vertel de verhalen toch.

Hij kan nog beter vloeken dan ik, en ik kan echt heel goed vloeken. We vloeken over dezelfde dingen, dat wel. Over elitaire ecologie, en over sommige idealisten. We vloeken niet schoon, maar kwaad en vettig en ook een beetje grappig. Zonder vloeken zou het leven niet goed en niet eerlijk zijn, denk ik. Er zijn dingen waar ik nooit compromissen over zal sluiten en ik hou van mensen die dat ook soms niet doen. Mijn andere vrienden zeggen dan dat de wereld zo in elkaar zit en dat ik me dat allemaal niet moet aantrekken, maar ik zal over sommige dingen nooit anders gaan denken, en dat doet hij gelukkig soms ook niet. Stel je voor dat de hele wereld zo afgevlakt zou worden, verdorie. Hij doet mij zoveel denken over het leven, mijn maat, en ik heb dat graag. Ook daar zou hij mee lachen, peis ik, nu ik erover denk, want van teveel peizen word je niet slimmer, zoiets zou zijn repliek zijn.

Ik leer mijn kinderen dat de wereld vol goeds zit, en hoewel hij die ook ziet, zegt hij hen wel eens het tegengestelde. ‘Allee, wat doe jij nu’, zucht ik dan, en dan zegt hij dat kinderen leren nadenken door verschillende meningen te horen en dan denk ik twee dagen na over wat hij zegt en dan weet ik dat hij gelijk had. Niet alleen kinderen denken beter na door verschillende meningen. ‘Je kunt ze niet in een tent groot laten worden’, zei hij ook al, of zoiets, en ik weet dan altijd exact wat hij bedoelt. Ze moeten niet teveel beschermd worden, want ze worden groot en sterk van af en toe een keer iets minder evidents te beleven. Van dingen te doen of te zien die anders zijn dan wat ze elke dag zien.

Onze kinderen mogen alles bij hem: kliederen, drinken uit de waterkan zonder een glas te gebruiken, vuil worden aan hun voeten zodat ze een uur moeten weken in bad nadien. Tjooln met velobanden en onder wollen dekens kruipen en in zijn hangmat hangen net alsof ze er thuis zijn.
‘Wat zouden ze niet mogen?’, vraagt hij mij verwonderd. Zij noemen hem nonkel en ze doen dat niet vaak, alleen maar bij mensen die ze heel erg ontzettend fijn en de moeite vinden. ‘Ik vind hem zo leuk, mama’, zeggen ze af en toe zo oprecht, en ik knik dan gewoon een beetje, want ik weet wat ze bedoelen. Ze hebben maar een handjevol mensen die ze zouden meenemen als het moest: Karlijn, mijn buurvriendin, en Cica, hun onthaalmama. Mattong zouden ze ook meenemen, nu, die ladies.

Hij tekent met onze dochter, en hoewel ik steeds zeur dat ze met een pen niet mag schetsen, leent ze de hare wel aan hem en hoopt ze dat ik het niet doorheb. Wat ik uiteraard wel doorheb, wat had je gedacht?

Hij houdt van honden, van de zijne en ook van de onze, en hij doet dat op een manier die mij raakt in het diepst van mijn zijn. Als Martha kon, dan kroop ze op zijn schoot.

Onze wilderik-vriend.

Hij heeft het niet goed door, hoe wij hem koesteren, hier in ons huis. Hoe blij iedereen is als hij passeert, of hoe fijn we het vinden om in zijn tuin te zitten en te voelen dat het een echte thuis is. Hoe ik mijn liefje bijna hoor nadenken als onze vriend iets zegt, en hoe hij dan later een beetje herkauwt wat hij hoorde. Hoe mijn lief diep kan lachen in zijn gezelschap, en ik de warmte tot in al mijn vezels voel. Hoe ik dagen nadenk over zijn oneliners en hij die de volgende keer gewoon van tafel veegt.

Het hoort bij het beste dat een mens kan hebben, bij leven, een vriend gelijk mijn vriend Mattong.
Bij het allerallerbeste.

over schoonheid

May 22nd, 2018

Elke dag passeren mijn dames en ik (of mijn lief) het vieze vuile kruispunt als je Gent binnenrijdt.
Het is een troosteloos kruispunt, vol drukdoende auto’s, heel veel snelle fietsers die zich haasten naar hun bestemming, lichten die niet lang genoeg groen zijn om deftig over te kunnen steken (en een groenelichtenlogica die steeds weer wijzigt).

Af en toe droom ik van een aardewegel.
Een rustig weggetje dat ons naar school en werk brengt.
Een boom, wat groen, misschien een struik vol bessen.
Ademruimte of tenminste het gevoel dat je niet stikt in de uitlaatgassen.

Enfin.

Er staat, zodra het weer betert, een jongleur op het kruispunt. Ik denk dat het een Spanjaard is, en hij staat er geregeld te jongleren als wij passeren. Hij passeert dan de auto’s met zijn hoed, en de automobilisten die willen kunnen hem een centje geven.

Mijn dochters houden van hem. Ze houden van de lente die hij meebrengt, de kunstjes die hij toont, zijn hoed die hij, als een echte piraat, af neemt als zijn voorstelling voorbij is.

‘Moegn wij hem een centje geven, mama?’, smeekten ze, toen wij hem voor het eerst zagen.

Sindsdien heb ik altijd kleingeld bij, en speuren zij naar zijn aanwezigheid al lang voor we het kruispunt oversteken.
Ze zwaaien dan naar hem, hij zwaait terug en dan kijken ze met grote ogen hoe hij een kegel op zijn hoofd kan zetten en hoe hij met de jongleerballen goochelt.

Ik kijk dan eens rond me, als ik daar zo sta te wachten.
Ik voel en ik zie de gehaastheid van de mensen rondom mij, vlug vlug vlug en geen tijd om te kijken.
Ik snap die gejaagdheid, ik heb ze bij momenten zelf ook.

Maar ik wil nooit stoppen met mooie dingen te zien.
Ik wil nooit geen tijd hebben voor jongleurs op het kruispunt.
Ik wil nooit de geërgerde blik hebben van de automobilist die niks wil geven en zeer geïrriteerd zwaait met zijn armen.
Ik ga altijd blij zijn dat er mensen zijn die andere sporen kiezen, die anders in het leven staan dan mij, en die kunst maken die ik écht schoon vind.

Ik denk vaak, als wij het groen licht daar laten passeren, en nog een minuutje langer kijken naar hem, dat ik hoop dat mijn dochters dat oo altijd zullen doen: zoeken en kijken naar schoonheid en daar tijd voor nemen als het nodig is. Dat ze gehaast kunnen beperken en niet snelsnel maar echtecht zullen kunnen leven.

Onze Spanjaard is een begin.

Iemand die zulke schone momenten aan mijn dochters geeft zal altijd welkom zijn om bij ons aan te schuiven aan tafel.
Altijd en overal.

echt echt echt

May 12th, 2018

‘Ik ga echte dingen doen’, dacht ik vorig jaar.

Toen de artsen in februari dit jaar ‘iets’ zagen op de foto’s van mijn liefjes long, werden het lange weken. Er moest gewacht worden en weer gewacht en woensdag zei de dokter ‘ik heb goed nieuws’.

Ik moest een klein beetje wenen uiterlijk en innerlijk heel erg veel.
Wenen van geluk is schoon he.
Wachten hopen wanhopen soms een keer dan weer hopen schurken tegen het leven en dan kijken naar hem en hem willen bewaren in een potje want hij ziet er zo goed uit mijn lief. willen roepen en weten dat het lastig zou kunnen worden als het slecht nieuws zou zijn.

Er huist een oude ziel in mijn binnenkant, en die weet meer van het leven dan ik ooit zal kunnen bevatten.

‘Zet u ne keer’, zei ze rustig, ‘ge weet het toch, hoe het leven in elkaar zit. het is heel erg schoon, bij momenten, en soms een keer verschrikkelijk lelijk en oneerlijk. ge weet dat toch al langer.’

Ik knikte een beetje.

‘En wat je ook weet, dat is dat er altijd schone warme dingen zullen zijn. mensen ook. ze zullen rond je zijn en duwen en trekken en kijken en babbelen en je zult het soms kunnen verdragen, soms niet en af en toe eens nodig hebben.’

Ik knikte nog een beetje.

‘er zullen ook altijd honden zijn’, bevestigde mijn ziel, ‘honden die wild zullen zijn, die je graag zult zien, en je zult kijken naar hen gelijk naar je kinders, maar dan anders. zoals je dochter het zegt, honden zijn mij even veel waard als mensen want wie heeft eigenlijk bepaald dat wij meer rechten hebben.’
Ik dronk wat thee.

‘Je weet wat je warm maakt, wat je doet aarden, wat je nodig hebt om echt te kunnen leven, en ook wat je moet doen als je moet overleven’, vervolgde ze (ze is niet van de summiere soort), ‘zoek ernaar dan.’

Het was geen moeilijke zoektocht, het ging vanzelf.

‘Ik wil gaan tjooln, keppe’,piep ik dan tegen mijn lief.
Tjooln, dat helpt bij mij. Treinen, stappen, lopen, tjooln, kamperen en weer stappen. Doelloos.
In het gras zitten, buiten slapen. Soms duurt het dagen, mijn drang, deze keer langer. Hoe zwaarder mijn emoties, hoe langer het tjooln duurt.

Mijn lief, die mij het best kent van de hele wereld, flikt dan een oog en laat mij tjooln.
Ik land altijd weer bij hem, altijd altijd altijd.
Hij die mij helegans neemt wie ik ben en zo dikwijls zegt ‘de max, moksje’. Hij wrijft dan een keer over mijn rug, loopt me achterna voor een zoen, en zegt ‘mi moksje’. Hij die zoveel luistert naar mij, en af en toe moet lachen als ik vloek en met mijn vuisten op tafel klopt omdat ik kwaad ben. Ik ben niet om veel kwaad, al helemaal niet op het leven, maar wel om tralala en gedoe en ecologie die geen echte ecologie is. Hij luistert daar altijd naar, naar mijn verontwaardiging, ook al deelt hij ze waarschijnlijk vaak niet. Hij die mijn hoofd steeds vrijheid geeft, nooit eisen stelt aan mij, waardoor ik zo graag aan hem blijf plakken

Ik zou dat wensen, aan veel mensen, dat tjooln.
Een rugzak, een tent en geen doel. Geen visies op voorhand en veel tijd om te luisteren naar andere mensen.
Een beetje hout voor een vuurtje en een glazeke wijn.
Dat, en een lief zoals het mijne.

Altijd met een lief zoals het mijne.

zielemensje

April 18th, 2018

‘Mijn vriendin heeft een tweedehands trui’, zegt mijn dochtertje deze week.

‘Ze kreeg daar opmerkingen over van haar vriendinnen. Ze zeiden dat ze dan eigenlijk niet kon weten wie die trui voor haar had, en ook niet of hij gewassen was, iew, zeiden ze ook.’

‘Wij trekken ons dat niet aan he, mama, zulke opmerkingen. Ik alleszins niet, ik vind dat belachelijk dat je iemand zulke dingen zegt, want ik hou van tweedehandstruien, en ook van tweedehandsbroeken, eigenlijk hoe ik van dingen die al eens zijn gebruikt, ik vind dat net leuk.’

Ze kan tegen een behoorlijk stootje, dat kind van mij, dat stelt mij al jaren gerust.

Ze analyseert enorm veel situaties en legt mij dat allemaal uit. Ik luister veel, daag haar vaak eens uit, en dan giechelt ze en vraagt ze verwonderd: ‘hoe weet jij dat allemaal, mama?’.
Ze typeert mensen, vangt hun krachten en hun moeilijkheden op, kan relaties inschatten (en echt, ze kan dat zo treffend doen, met zo een behoorlijk inzicht, ik kijk daar maar een beetje naar) en zich omringen met heel veel mensen die erg verschillend zijn.

In haar klas zit een jongen die het lastig heeft. Hij is gemeen, heeft erg stoute dingen gezegd tegen mijn dochter over de ziekte van haar vader. Echt vreselijk gemene dingen.
Ze vindt dat niet fijn, en kan dat zo verwoorden, ‘dat ze dat echt niet te doen vindt, verdorie’.

Hij herhaalde die gemene dingen maanden later nog eens, en weer zei ze ‘wat doe jij echt gemeen tegen mij.’

Ze fluisterde het me, ze wou haar vader niet overstuur maken, maar ze zei dat ze het echt wel aan mij wou zeggen.
Ik vroeg haar of ze boos was, of verdrietig. ‘Beiden,’ zei ze,’ van alletwee een beetje.’
‘Maar ja,’ voegde ze eraan toe, ‘ik weet niet wat hem bezielt jong.’

Na al die tijd blijft hij haar vriend. Dat zei ze plots. ‘Hij is misschien wel niet mijn liefste vriend, maar hij is wel mijn vriend.’

Toen schreef hij een brief. Een sorry-brief.
Het kwam niet uit zijn hart, dacht ze, want hij moest die schrijven van de juf. Ze voelde dat aan zijn woorden.
Maar ze was er zo blij mee. Ze relativeerde zijn schrijfstijl, koppelde vaak terug naar mij en toonde zijn brief trots aan ons.

Ze heeft een sterke ziel, zou mijn grootmoeder zeggen.
Oh ja, denk ik dan, oh ja.

IM

April 3rd, 2018

Eén van mijn allerbeste vrienden stierf vijf jaar geleden.

Hij overleed plots, en we moesten wel een jaar bekomen van zijn plots afscheid.
Langer, zelfs, maar het eerste jaar moesten we zo vaak naar adem happen dat we er misselijk van werden.

Hij was de zoon van mijn schoonzus en mijn schoonbroer, en wij waren zijn nonkel en zijn tante, maar door ons kleine leeftijdsverschil en zijn heerlijk zijn (oh wat een mens) werd hij snel een van mijn beste maten. Oh wat hebben wij gelachen. En gebabbeld, veel gebabbeld, toen hij nog een puber was en ik al een moeder en dat verschil heel erg duidelijk werd. Dat verschil minderde hoe ouder hij werd, en hoe ouder we beiden werden, hoe gelijklopender onze gedachten.

Ik moest mijn draai vinden zonder hem, moeizaam verliep dat.
Hij zat op kot vlak bij mijn werk, en het was zo fijn te weten dat hij dicht bij ons was. Hij landde af en toe, in zijn druk bestaan, en dat was altijd zo fijn, zo erg fijn.
Het laatste jaar had ik zoveel nood aan hem, wou ik wel duizend keer dat hij er weer was, dat het allemaal veel gemakkelijker zou zijn als hij er was, dan konden we samen lachen (hij met zijn zwarte humor) en bleiten ook een beetje.

Elk jaar vieren we een beetje. We vieren zijn leven, zijn warmte die hij naliet, zijn grappen en zijn zijn.

En toen we zaterdagavond allemaal dicht bij elkaar zaten, en ik keek naar de mensen die bij ons waren, was ik blij.
Blij dat hij al die verschillende mensen samen bracht. Echt allemaal heel erg verschillende mensen.
Mensen die anders kijken naar het leven, die anders leven tout court.

Meerdere van zijn vrienden zitten ondertussen diep diep in mijn hart.
We smeedden plannen voor een vervolg bij ons thuis, met chicons in espe, aan onze simpele keukentafel.

Ik heb daar deugd van.
Alle kleine beetjes vriendschap die hij achterliet in de vorm van allemaal andere mensen, vormen een warm deken van diversiteit rond mijn hart en rond mijn hoofd.

Hoe hard gemis soms kan inhakken, hoe hard het ook de schoonheid van het leven toont.
Het is me soms wat.

Exact een jaar geleden wisten we dat mijn lief heel ziek was.

Een jaar.

Zelden gaat de tijd zo snel en zo intens tegelijk.
Ik ben er niet uit, of ik wil dat hij vliegt of voorbijkruipt, de tijd.
Ik denk dat ik wil dat het leven voorbijvliegt, dat ik het samen met hem kan beleven, dat we alles kunnen zien en beleven met ons twee.
Ik denk ook soms dat ik wil dat het tergend traag gaat, dat ik het goed kan voelen, hoe het nu is, erg goed voelbaar en intens.

Het was lastig, het voorbije jaar: vooral voor hem, het is nog steeds lastig, op veel momenten. Mijn lief is een binnenmens, in zijn zijn, en dat betekent dat hij heel veel dingen niet zegt, ook niet tegen mij. Dat is hoe het is, en dat heeft veel blessings, en soms is dat lastig.
Het was ook moeilijk voor ons, dat zoeken, dat evenwicht, dat anders leven bij elkaar.
Het zou niet kloppen als ik zou zeggen dat ik niet veel keren weg wou van de emoties, de angst, de onzekerheid en de wazige periodes.

Vandaag is het goed.
Deze week is het ontzettend goed.
We logeren in het allermooiste Ardense huis van onze vrienden en toevallig heeft dit huis de warmste ziel die je kunt voelen (als een gebreid deken, of een visser met sterke handen en een puur hart) en de prachtigste keuken ever, waardoor het hier zo fijn toeven is dat alles in orde lijkt.

Alsof het voorbije jaar niet is gebeurd, een beetje.

Alsof we gewoon leven en er niks aan de hand is, gewoon een beetje: ‘gaan we wandelen vandaag, wat denk je?’ Het is zo fijn om eens niet huis, maar wel hier te zijn: na vier dagen voelt het al als een eeuwigheid, met rust en wandelingen en natuur en lekker eten en de heerlijkste bedden en alle goede smaak die zo eigen is aan mijn vriendin en haar man (ze heeft de beste stijl van de hele wereld). Het leven is toch een pak lichter, omringd door schoonheid en de mensen die je graag ziet.Het is hier dat ik goed voel hoe het lang wel is geweest: luchtig, evident, fijn en warm.

Ik hoop dat jaar twee veel van die luchtigheid en evidentie meebrengt, fijn en warm leven zonder teveel zorgen en gepieker en emoties die niet weten waar ze naartoe willen.
Ik kan hier, in deze veilige omgeving af en toe eens kijken naar de voorbije periode en denken: héhé, we zijn hier al.

héhéhé.

Merci Elsje voor je huis, het is de fijnste plek waar ik ooit was.

wens

December 23rd, 2017

We zaten gisteren met ons twee in het Paard van Troje, en we aten een croissant en we dronken koffie.

Een erg lekkere croissant met nog wat extra boter erop: ik denk dat dat behoort tot het allerhoogste geluk.
Ik vind dat zo royaal en zo luxueus dat je als mens de chance hebt om je dat zomaar op een vrijdagvoormiddag te veroorloven.

We stonden net daarvoor aan de bank, om wat geld, en er stond een chique mevrouw naast mij, aan het andere automaat.
Ik keek rechts van mij, ik zag haar staan, en haar handtas was zo mooi dat ik niet anders kon dan het haar bij het wegwandelen te zeggen.
Ze lachte lief, haar man nam haar vast en vroeg wat ik had gezegd en ik voelde haar blijheid tot over mijn schouder stralen.
Er zijn op de wereld niet veel handtassen die ik werkelijk mooi vind, maar als ik ze zie dat moet ik het zeggen.
Ik hou van ernaar te kijken, ik hoef ze niet te hebben.

Mijn dochtertje maakte kaarsen op school, en toen ik onze kaars deze ochtend aanstak, bedacht ik hoe wonderlijk een kaars is, en hoe lang mensen afhankelijk waren van het licht ervan, en we er zo weinig bij stilstaan, in de drukte van het leven.

Sedert vorig jaar kopen wij geen geschenken meer, niet voor de Kerst, niet op Oudjaar, niet op Nieuw. Wel op verjaardagen, en ook wel voor de Sint, en eens sporadisch iets omdat het mooi is, maar niet meer structureel. Ik vind het ontzettend fijn om iets te geven, en ook om iets te krijgen, maar zodra ik mijn hersenen moet pijnigen, pas ik.

Wij hebben daardoor tijd gekregen om in de drukte croissants te eten samen. Om uren te breien in de zetel. Om lukken te bakken, wat ik morgen doe samen met mijn lief, voor het eerst. Tijd om te kijken naar al het moois dat ik in huis heb, waar ik soms aan voorbij zou lopen als ik nog meer zou hebben, nog nog nog.

Ik wens je dat, die rust.
Ik wens je de luxe van croissants met boter, of opgeklopte melk bij je koffie.
Een paar minuutjes tijd om te kijken naar alles wat je hebt, naar de warmte van je huis, je zetel, de mensen dicht bij je, het boek dat op je ligt te wachten.

En een gezondheid, dat bovenal.
Ik wéét dat, dat dat overal boven staat, in alle gradaties en bij elke mens.

En als het allemaal een beetje te melig wordt, dan schuif ik een Debra Morgan op je baan.
Er is heel wat schoonheid en zachtheid in de wereld waar ik dankbaar voor ben, maar er moet ook gevloekt worden, nu en dan.
Zij is mijn compagnon de route geweest dit jaar, en ik hoop dat ze nog een tijdje op mijn schouder vertoeft.
(Oh wat vind ik vloeken machtig)

Warme feesten, mensen, tot volgend jaar.
XX

Martha

October 28th, 2017

Wij zijn geen bucketlistmensen hier.

Op wat financiël gegoochel na, denk ik dat we alles wat we wilden al deden en dat we nog altijd bijna alle dingen doen waar we van houden.
Buiten wat structurele verbouwingen (waarvoor we zouden moeten lenen, en dat gaat niet als je zo ziek bent als mijn lief, ha) dus, is onze list behoorlijk goed gevuld met de dingen die we graag doen.

Een hond was not done, dat wel. We hebben een hondenkind in huis, en mijn lief droomt weleens van een grote wilde tuin met een herdershond, maar hier en nu? Geen tijd en geen plek.

Toen werd Jan ziek.

Het was niet dat hij plots met lijsten vol exuberants afkwam, oh neen, zo zit hij niet in mekaar, maar toen we zo eens dicht bij elkaar wandelden, en wat mijmerden besloten we dat een hond misschien wel kon. Ik zag hem glimlachen, die keer, en er speelde wat opluchting en contentement in zijn stem. Een oud beestje, ééntje dat een plekje zoekt. Geen jonge hond, ik gruwel van broodfok en al die voze dingen bij het kweken van honden, neen, bij ons past een gedeukt karakter misschien wat beter, besloten we. We hebben ook geen tuin dus ook geen plek voor wildebrassen. Bovendien: we zijn wat door ons opvoedingsarsenaal heen, ook.

Het zou een lange zoektocht worden, verklaarden we plechtig aan de kinderen, toen we hen het nieuws vertelden, en ze mochten niet denken dat ze nu in één twee drie een schattig hondje op hun schoot zouden hebben. Oh neen, dat kon wel een jaar duren, echt wel een jaar.

Een week of drie later ging ik met de ladies naar het asiel. Zo een keer gaan kijken. Zo een keer gaan wandelen en proeven, je kent dat.
Er was geen hond die bij kinderen kon wandelen dat moment, zeiden ze, en toen plots ‘of misschien Martha wel’.

Een half uur later stond mijn lief met zijn fiets daar, en we knikten naar elkaar en een kwartier later zaten we aan het bureautje en maakten we afspraken en keek ik boos naar de mensen die met Martha wilden gaan wandelen, want al mijn moederinstinct speelde op en ik wilde haar het liefst sebiet meenemen.

Ze is ondertussen drie weken bij ons, vandaag.

Ze plakt gigantisch aan mijn lief en kijkt een beetje geërgerd naar mij als ik mijn lief kus. Als ik perentaart van Dorien maak, echter, dan ben ik haar beste vriendin. Ze palmt onze zetel in, we moeten meer stofzuigen dan ooit, en ze snurkt zo luid dat ik het tot boven hoor. Ik vind het niet eens erg. Ze houdt erg van alle recepten van Dorien, want ze geniet van gegrilde groenten gelijk geen een, en ze likt rijstkorrels op alsof het kaviaar is. Ze legt haar poot op de blote billen van de kindjes alsof ze wil zeggen: blijf hier nog een beetje, en toen de dierenarts vorige week zalf in haar ogen wou doen, en ze dat niet echt zag zitten, wou ik hem een blauw oog slaan, ook al wist ik dat het voor haar eigen goed was. Ik wist niet dat het gewoon een gemuteerde versie van moederinstinct is, die dierenliefde. Eén die mijn hormonen aantast, onvoorwaardelijkheid geeft en elke keer als ik richting huis ga, denk ik ‘oh Martha, wat verlang ik om je te zien’.

‘Wat heeft ze geluk’, zeggen ze ons.

‘Wat hebben wij geluk’, bedenk ik vaak, dat ze hier wil zijn, dicht bij ons, met haar te grote kop, haar gesnurk en haar ontwapenende blik.

Wie had dat een jaar geleden gedacht?