over naast elkaar staan

May 30th, 2020

We zaten samen op de dorpel van het appartement dat mijn lief ik en huurden.
Hij kwam gewoon op bezoek en zat naast me, we dronken een pintje.

‘T’es fort, tu sais, en schoon ook,’ zei ik, en hij lachte zoals alleen hij dat kan. Gulzig, luid en vol overgave.

Onze gemeenschappelijke taal bestond uit Frans, Nederlands en veel lichamelijkheid.
Hij gelooft in God, en ik niet.
Hij maakt zich geen zorgen over een toekomst, ik doe op dat moment niet anders.
‘Ge zult zot worden, Marie, vraiment.’
Ik probeerde dan uit te leggen waarom ik niet kon stoppen met piekeren.
Hij sloeg zijn armen rond mijn schouder en zei dat alles altijd goed zou komen.
Ik geloofde hem niet, maar zijn armen waren sterker dan mijn ongeloof, oh Moussa, wat deed hij mijn ziel en hoofd deugd.

Tientallen keren ging hij mee met mij, op boodschappen, naar de Post, naar de onthaalmama om mijn zoon. Hij was toen mijn compagnon de route, toen. In het jaar 1998, in Gent.
Nachten hebben we gediscussieerd: over God, over vrouwen, over Afrika, over zijn cultuur en die van ons. Hij met zijn rugzak, ik met de mijne. Zijn ooggerol toen we gingen kajakken in de Ardennen en ik zei dat dat supergezellig was en we uiteindelijk in een luide cafetaria tussen duizend toeristen zaten te verstikken.
Al die avonden, luid, vol onbegrip en met begrip voor elkaar bij momenten, maar toch altijd met veel luisterbereidheid en veel veel humor. Humor die soms veel te pijnlijk was, denk ik nu, om jezelf te kunnen laten overleven.
Elke keer eindigde het in een schaterlach en een omhelzing van jewelste.

Hoeveel keer werd ik aangesproken, door wildvreemden, of alles wel ok was, toen hij naast me liep? Hoeveel keer haalden mensen (goedbedoeld) een infantiele taal naar boven, toen hij bij mij was?
Hoeveel keer keken mensen precies door hem heen, alsof ik het alleen voor het zeggen had? Een terrasje en ze vroegen enkel aan mij wat ik wou drinken. Kennissen die zwaaiden naar mij en deden alsof hij niet bestond. De ongemakkelijkheid als ik hem ergens mee naartoe nam, jongens toch. De voorwaardelijkheid. Met véél terughoudendheid, geen enkele mogelijkheid om ook maar te falen, want neen ‘je bent pas goed als je werkt’. Mantra mantra. Huizenzoektocht. There we go again. Niet altijd he, laat dat duidelijk zijn, maar wel veel.

En ik maar kwaad worden. Foeteren op heel de wereld. Luid roepen dat hij mijn fucking vriend was en dat ik verdriet had in zijn plaats. Dat ik woede en onmacht voelde, en wanhoop, allemaal in zijn plaats. Dat ik het wel eens zou zeggen, aan iedereen. En hoe hij dat kalmeerde, suste en zei dat ik dat me dat allemaal niet zo erg moest aantrekken. Hij lachte toen ook, en plots zag ik waar die heerlijke verrukkelijke lach ook uit bestond: uit verdriet. Uit de gewoonte om dat een plek te kunnen geven. Om te proberen om hierin te overleven. Het is niet omdat hij het een plek kon geven, dat het te verdedigen valt, vind ik nu. Het is niet omdat hij mij op dat moment suste, dat dat gedrag goed te spreken valt.
Want dat is vaak wat ik hoor: ‘Maar sommige van hen kunnen daar ook mee lachen en dat een plek geven hoor. Niet iederéén heeft het daar lastig mee.’ Daar gaat het zelfs niet om, vind ik nu. Ik kon dat toen minder goed verwoorden, en dacht dat dat een individualistische beslissing was, en dat ik die kon doortrekken naar hoe Afrikanen de wereld ervaren. Dat is niet correct, ik weet dat nu, en we moeten dat durven benoemen. We moeten dat analyseren om dat later beter te kunnen doen. Niet in Amerika (daar is het anders en uitgesprokener en verschrikkelijk), maar hier, in ons eigen land, in onze eigen gezinnen.

Ik heb toen, als 18jarige, een diepe vriendschap meegemaakt.
Een vriendschap waarin onze verschillen groot waren, maar onze basis nog veel groter.
Ik zou duizend dingen anders doen en zeggen nu, want ik kon toen wel wat roepen om onrecht (het delen van berichten en het liken van zaken bestond amper), ik kende veel te weinig de zware druk van racisme op maatschappelijk vlak. De ingebakken vooroordelen, de mechanismes die we verworven door de eeuw heen, bijna ingebakken in onze genen. Me niet bewust van de foute percepties die ik toen over hem en zijn land had. Allemaal goedbedoeld, maar jongens toch, met goedbedoeld alleen komen we niet ver.
Los daarvan: die vriendschap is één van de hoekstenen van mijn menszijn, omdat ze, ondanks alles, zo puur was. En omdat ik toen ervaren heb dat ik zijn menszijn niet exotisch vond, gewoon anders.

Dat hij naast me stond, met zijn hand dikwijls eens in de mijne, helegans op hetzelfde niveau als mij: 2 mensen naast elkaar. Niet meer en minder.
Die vriendschap heeft mijn blik bepaald, later, in discussies, in visies, mijn houding op belangrijke momenten in mijn leven.
Die vriendschap bracht me ook in één beweging bij mijn volgend verhaal, dat voor morgen:

‘Il faut que tu rencontres mes amis, Marie.’

(Ik denk heel erg vaak terug aan hem (we geraakten elkaar zo verschrikkelijk stom kwijt: ik heb nog altijd een briefje met zijn telefoonnummer, dat ondertussen enkel nog uit een antwoordapparaat bestaat, waarop hij zijn nieuw nummer inspreekt en IK KAN HET NIET VERSTAAN en ondertussen is dat antwoordapparaat verdwenen, aaargghhh)

Leave a Reply