gelijk

June 2nd, 2020

Ik schreef er al eerder over, over hoe het leven me bij mijn nekvel en in mijn hart pakte, jaren geleden.

U moet weten, een mens, die heeft volgens mij een fundament. Elke mens, op heel de wereld.
Ooit, soms vroeg, soms laat, soms door verdriet, soms door overlevering, soms door geschiedenis, soms door ziekte, ook door liefde, familie, indrukken, huizen, eten, geuren en kleuren. Door muziek, door handen die je goed, slecht, te veel, te weinig, te vaak aanraken. Door televisie, door series, oh door boeken en soms ook eens door het eten van je grootouders, zeker als ze koekjes bakten, in mijn geval. Door de aarde waarop je leeft, het geloof dat je deelt met je ouders, of waartegen je je verzet. Door de dansen die je danst, de kinders die je zoogt en de kindertjes van anderen die rond je dwarrelen in het leven.

Dat fundament is stevig, groeit met de jaren, meestal, en het brokkelt ook soms een beetje af, en dan komt er op een andere plek weer bij. Dat is soms goed, soms kwaad, soms hard, soms zacht, gelijk de bodem waar je bij momenten op staat. Soms komt er een duw, soms heel veel kleine schokjes, en hoe heviger de duw, hoe feller de afbrokkeling, meestal, maar ook hoe groter het stuk aan de andere kant. Die duwen willen en kunnen voelen, en tijd en ruimte kunnen geven aan de groei van die stukken aan de andere kant: dat is ongetwijfeld een voorrecht.

Ik had zo een zware duw toen mijn zoontje stierf.
Ik besefte dat toen anders, minder expliciet, en ik kan er nu beter over schrijven dan ik er toen over kon voelen en praten.
(Ik kan daar nog altijd moeilijk over praten, zeker met mijn naasten, enkel met mijn kindjes en mijn lief gaat dat vrij goed).
Maar het gaat daar niet over, nu, dat verdriet is verteerd, dat heeft een plekske in mijn hart, op een schapke, en dat staat daar vrij goed.

Het gaat over de ruimte die ik kreeg om het stuk aan de andere kant te laten groeien tot wat het is.

Dat gebeurde in één van de droevigste maanden van mijn leven, in een kelder in Brussel.
Waar ik met mijn West-Vlaams amper gebeiteld fundament, dat op lossen schroeven stond door al dat verdriet, dat vol vooroordelen zat, met foute wereldbeelden, in de armen werd gesloten door zoveel Afrikaanse liefde, dat ik er altijd opnieuw warm van zal worden als ik de kelder voor mijn ogen haal.
Met een evidentie en een grenzeloosheid die mij verblufte.
Met curiositeit, dat wel, wederzijds, en veel vragen voor elkaar.

‘Ce sont les mains’, zeiden de moeders fluisterend in de kelder, het zijn de handen die je moet bekijken als iemand sterft.
Waren ze open? Verkrampt? Leek het op pijn? Leek het op slaap?
En ik knikte en ik antwoordde en ik brabbelde waarschijnlijk een beetje in mijn beste Frans dat ik meezeulde van mijn uniform-humaniora.
Ze vertelden over de dood, over de warme kant van wiegendood en hoe zij keken naar het sterven. Hoe de rug van het leven schuurt tegen de buik van de dood.
Hoe het helpt om veel te dansen, als je verdrietig bent, en veel en luid te zingen.
Terwijl ze vertelden en luisterden schudden ze kleintjes op hun rug, zoogden ze borelingen en maakten ze eten voor mij klaar.
Allemaal inéén, allemaal samen en door elkaar. Oh wat wou ik toen vaak verdwijnen in hun rokken, voor altijd en altijd.
Ze fluisterden, knepen in mijn arm, en susten me, want de kelder was vol stemmen en gelach en wij vrouwen, wij deden samenzweerderig over dat verdriet.

Daar leerde ik voor de rest van mijn leven verdriet bezweren (ik ga niet te luid roepen).
Ik leerde kijken naar het leven zoals ik het nog nooit had gevoeld en gehoord.
Ik had het wel al veel gelezen, maar het nog nooit zo geleefd.
Ons Vlaams verdriet bestond uit vreselijke begrafenissen, zwart en grijze kleren en handjesschudden aan de kerk. Het bestond uit familiaal gezucht omdat mijn grootmoeder zo leed onder de dood van haar achterkleinkind. Het bestond uit heel veel niet, en meestal niet uit verdriet.
Hoe mijn Afrikaanse vrienden keken naar dat verdriet en dat als een loodzwaar gekleurd pakje emballeerden zodat mijn hart er tegen kon, en mijn hoofd bestand was tegen de schokken die het verlies veroorzaakte: dat was hoe ik het verdriet plots kon zien. Door een bril die niet van mij was, door een hart dat mijn vriendin aan mij leende in zulke zware tijden.

Het zijn die verschillen, die ik wil blijven voelen, en we zouden dat moeten proberen, allemaal, om finaal eens die bril van ons privilege af te zetten, om eens anders naar de wereld te kijken.
Dat ik dat wil en kan voelen is mijn privilege die spreekt, ik weet dat.Ik moet dus zwijgen. En luisteren. En nederig zijn.
Ik snap gewoon niet waarom het zo ingewikkeld en moeizaam is om onze eigen bril af te zetten, ons hoofd eens deels uit te schakelen, en dingen anders te zien en te voelen.

En daarom volstaan regenboogkleuren niet, en mismakende K3huppels ook niet (luister eens hoe erg dat liedje is, en hoe ik mij nu verslik als ik denk hoeveel keer mijn dochter daarop danste, wtf)
Daarom is het moeilijk en pijnlijk en lastig als witte mensen zichzelf afbeelden in verschillende kleuren. Dat is goedbedoeld, maar we zijn niet gelijk.
Denken wij nu echt dat Afrikanen en Afro-Amerikanen daar een boodschap aan hebben, dat wij een kleurtje plakken over ons Westerse bestaan?
We mogen en moeten kijken naar kleur, omdat dat één laag is van hoe anders black people zijn. Eén enkele laag van alle mogelijke lagen van hun menszijn, waar zij zo ontzettend vaak worden op afgerekend: niet enkel individueel, niet enkel openlijk, maar systemisch, verborgen, ingebakken in onze overheersende neigingen elke keer opnieuw. Alsof dat een schande is, de kleur waarmee je bent geboren. Eén laag, die vol trotsheid zit, en die door onze blik zoveel lagen tenietdoet, daardoor. Alsof dat over één homogene groep gaat, bemerk ik vaak in discussies, één groep met één kleur. Dat is toch zielig van ons, om dat te denken? Dat wij dat niet zien, en ons weeral geschoffeerd voelen nu, dat is net het probleem: wij maken daar -again- onze verontwaardiging van. Wij kantelen dat weeral naar onszelf, naar hoe onze bril staat.

Verdorie toch, zeg ik soms, hoe komt het toch dat dat zo moeilijk is, voor ons?

Uitspraken zoals ‘we zijn allemaal gelijk, voor mij tellen kleuren niet’ zijn daarom zo pijnlijk. Ik heb daar begrip voor, ik wéét waar dat vandaan komt, maar we zullen het beter moeten doen.
We moeten niet alleen proberen, we moeten ons in bochten wringen om het veel veel beter te doen.
Strijd, dat is pijnlijk.
Strijd, dat doet zeer en dat wringt en dat duwt en dat verloopt niet gelijk een namiddagje shoppen in Brussel he.
Dat is ook niet een keer een gedroogde vis kopen in de Afrikaanse winkel.
Cherrypicking enal (en ik maak me schuldig daaraan, met mijn verhaal, en ik heb het tien keer herschreven en ik zal waarschijnlijk wel honderd dingen fout hebben gezegd, maar dan is dat maar zo. En dat ga ik daaruit leren. En luisteren. Want ik ben niet diegene die onderdrukt wordt. Dus ik moet eigenlijk zwijgen, als hier iets over te zeggen valt, maar ik voel hoe jullie hoofden zoeken en hoe moeilijk het is. Ik lees het in de berichten, in de vriendelijke en lieve berichten die ik krijg van mensen die ik niet ken en die vragen ‘Hoe moet ik denken, wat doe ik verkeerd?’)

We zijn verschillend, en het zijn al die verschillen die samen moeten kunnen staan. Naast elkaar. Niet onder of boven elkaar.
En zoals de blacks al eeuwen dat fundament van kolonisatie en onderdrukking met zich meezeulen, en de lasten die zij elke dag ondervinden, ewel, wij zullen ook een keer iets moeten voelen. Van hoe het niet moet. Wij zijn diegenen die nu moeten strijden voor hen, vind ik, voor de eindeloze strijd die zij al zo lang voeren.

We zullen schone verschillen hebben en moeilijke ook. Harde en zachte. Allemaal verschillende manieren waarop we geloof beleven, dansen, zingen, naar het huwelijk kijken. Hoe we kinderen kweken, en hoe we ze elders anders kweken. Hoe we eten en wat we eten en wanneer we eten en waarom we eten en hoe we ons geld spenderen en of we werken of net niet.
En net omdat we die verschillen moete leren zien, moeten we de heterogeniteit van de groep leren kennen, en niet altijd diezelfde gemeenschappelijke kleur, waardoor alle verschillen verdwijnen.
Zal elke Afro-Amerikaan dezelfde gevoelens hebben? Heeft het daarom zin om af te komen met het antwoord van één gekleurde mens om je statement te maken?
Natuurlijk niet. Die gedachte alleen al is elitair. Delen jullie gedachtengoed met Dries Van Langenhove?
Ik dacht het niet. Zeggen dat iedereen gelijk is, is.niet.juist.

Verdorie toch. Maak de oefening bij jezelf. Bevraag het onderwijs van je kinderen. Lees boeken die de wereld anders zien. Luister vooral als black people spreken. Stop die vooringenomenheid en luister nu toch eens. Stuur me maar, argumenteer, geef weerwerk en ga in discussie.
Ook met de mensen die je graag ziet.
Echt.
Ook als het ongemakkelijk is, ook als je op je donder krijgt.
Go. Go. Go.