verzet

June 23rd, 2018

toen ik een tiener was groeide ik op met de hoop dat de wereld beter kon worden.
ik worstelde mij doorheen de visies van de belangrijke politieke strekkingen, las de krant, keek naar het nieuws en stak mijn middelvinger uit als het nodig was.
ik zag veel goeds (en ook veel verdrietigs, ik moet nog eens terugkomen op al dat tienerverdriet en alle pijn) en ik dacht dat het alleen maar beter kon worden. ik dacht toen dat mensen in se om elkaar geven, en dat er op wat randverschijnselen na heel veel liefde en respect was.

ik groeide, ik ging werken, ik kreeg kinders met mijn machtige lief en ik ging maar een beetje door met leven. ik moest kindertjes baren en melk geven en mijn leven draaide een hele tijd om melk en wiegen en sussen en wandelen en af en toe denken dat het allemaal veel te veel was en te lastig en dat ik het liefst op een eiland alleen zou willen wonen bij momenten.
ach. het leven van jonge ouders, het is pas als nabeschouwing dat ik besefte hoe verdorie lastig het was en hoe erg wij geluk hadden met de back-ups, voornamelijk mijn mama en mijn tante en mijn nichtjes. af en toe namen ze de zorg over, werd ik weer een onbezonnen meisje en kon ik samen met mijn lief het leven nemen zoals het ook af en toe eens moet zijn.

toen werd ik plots chronisch ziek aan mijn darm (geen erg, het is perfect te controleren en ik heb er weinig last van momenteel). de sociale zekerheid die ik had door te werken loste bijna alles op: ik kon naar de dokter, ik kon thuisblijven toen het heel erg pittig werd en ik had een baas van jewelste die me met veel begrip liet recuperen en zei dat hij blij was dat ik terug was nadien.

mijn lief werd ook ziek en ook daar kwam de sociale zekerheid en de verzekering tussenbeide: hup, factuur en hup alles raakte betaald. het is wel een duur leven, als je ziek bent: je inkomen daalt en je behoort plots tot een zeer kwetsbare groep in de samenleving.

ach, we doen het met minder maar we hebben nog steeds meer dan heel veel mensen en we hebben zelfs nog meer dan genoeg om eens te kunnen gaan eten, te delen met andere mensen en de rekeningen te kunnen betalen.

soms flitst het door mijn hoofd: wat als dit je allemaal overkomt als alleenstaande (ouder)? zowel emotioneel als financieel? hoe doe je dat dan eigenlijk?

tussen al die episodes van ons leven was er solidariteit.
mijn mama kwam tussenbeide, mijn tante ook, mijn nichtjes waakten mee over de kindjes (als ik het even niet meer zag, hoe het allemaal moest), mijn vriendinnen sms’ten me in het holst van de nacht en ik kreeg de schouder van mijn maten om op te crashen. er was altijd eten, lekker eten, dat we samen kookten en soms apart: hoe het uitkwam meestal. ik kon bellen naar mijn vrienden als ik iets nodig had en als we ruimte hadden konden wij een beetje helpen met hen. Ons kent ons en daartussen heel evidenties en stille afspraken. het ging al eens te luid, ik explodeerde een keer in de auto van een vriend van mij dat hij bang was dat de ruit ging breken, maar ‘s morgens vroeg hij me of het weer ging. hij was niet kwaad dat ik kwaad was geweest en mijn liefje, die mij het best kent, zweeg en liet me weer tot mezelf komen.

ik dacht dat de wereld zo in elkaar zat.
dat mensen mensen gewoon graag zien.
soms me strubbelingen, soms met hulp, soms dicht bij elkaar, soms ver weg maar nog altijd met respect.

toen was er, tussen al die zaken door, een schoolfeest. een banaal gezellig schoolfeest en ik zou wat helpen en er waren chocomelkjes voor alle kindjes. we stonden met twee moeders naast elkaar en we deden de brikjes alvast open zodat de kindjes niet zouden morsen. de kleintjes schoven aan en waren blij en met plakkerige handjes namen ze hun drankjes aan en liepen weg om te gaan spelen met hun vrienden. ‘oh wat is het fijn om te delen’, dacht ik content. mijn eigen gebroed liep er ook rond, alles was rustig en vredig en de vakantie zat eraan te komen: een moment waarop alles zo goed en fijn lijkt.

er was een klein ventje, een kleutertje, dat om zijn melkje kwam.
hij dronk het snel en gretig op en ik dacht ‘oh dat moet smaken’.
toen ging hij even wandelen en hij kwam terug en sloot achteraan in de rij aan.
‘heb je dat profiteurtje gezien?’, zei de andere mama fluisterend nadat het kleintje de boodschap had gekregen dat er maar voor elk kindje één drankje was.

de dag ging voorbij, de avond kroop in mijn lijf.

de zin liet me niet los. het was niet gewild, niet gepland, maar de woorden kwamen steeds terug in mijn hoofd.
‘dat profiteurtje’
dagen aan een stuk maalde het door mijn hoofd, tot het buitenproportioneel werd en ik alsmaar bozer en verdrietiger werd. het was belachelijk, maar ik kon er niks aan doen, profiteurtje, profiteurtje, profiteurtje. het was helegans niet zo bedoeld, dat weet ik zo zeker, maar het was gezegd en ik kon er geen weg mee, langs geen kanten.

ik dacht aan de tijd dat ik honger had, op sommige dagen. aan de dagen dat het lastig was om naar de tandarts te kunnen gaan omdat ik geen geld had. aan de dagen dat mijn tante 25 euro gaf en ik me rijk voelde. ik dacht aan de jonge moeder die ik was toen ik op school kwam, in een kern van échte mama’s en ik het gevoel had dat ik gewoon maar wat deed. aan hoe lastig het soms was maar hoe snel ik werd opgenomen bij de mama’s, Marleen, Els en Huguette. Hoe anders mijn wereld werd doorheen de jaren, met buitengewoon veel geluk, mensen rondom me die in ons geloofden en af en toe nog wat meer geluk.

zonder die basisvorm van solidariteit stond ik niet waar ik nu sta.
zonder al die zorg en die liefde stonden wij als gezin nergens.
ik sta nog altijd niet veel ergens, maar het is wel verdomd goed op de plek waar ik sta, ook al is het er klein en oud, het is er vooral warm en gezellig.

(ik dacht dat dat zo was, in de grote wereld, dat mensen elkaar hielpen als het nodig was, hun huis openstelden voor anderen en hun grenzen wegduwden bij mensen in nood.)

die ene zin, de profiteurtjes-zin, maakte komaf met veel van mijn hoop en veel van mijn geloof.
het was compleet belachelijk, hoeveel wanhoop ik voelde bij die ene zin.

is dat hoe wij naar kinderen kijken, vroeg ik me later af. dat wij kleintjes van een ander als profiteurs zullen zien? een kleuter die verdorie chocomelk wilt drinken?
Oh ik ben zo boos geweest. boos op de wereld, op de vooroordelen, op alle kansen die mensen niet krijgen terwijl ze voor het rapen liggen.

na de kwaadheid kwam er verdriet, en na het verdriet kwam er verzet.

want ik had ook al lang door dat menselijkheid en zorg niet al te veel van bovenaf komen. politiek is met veel bezig, maar niet al te vaak met mensen. Daarom hebben ze zulke slogans nodig, waarschijnlijk, dat we zouden denken dat het wel over de mensen gaat.
het onderwijs, nog een van mijn oude hopen, heeft ook nog wat katten te geselen en wat hervormingen te doen, maar bon, daar kunnen we niet op wachten.

wat kan ik dan doen? wat kan ik dan doen?
het is een vraag die door mijn hoofd en door mijn lijf dwaalde tijdens slapeloze nachten.

klein verzet.
als we allemaal heel erg veel kleine dingen doen, dat is het toch maar dat.
als het niet genoeg van bovenaf komt, dan zal het wel van ons moeten komen.
want met alleen maar mails naar ministers te sturen dat we niet akkoord zijn zullen we er ook niet geraken.

eten maken voor elkaar
chocomelk geven aan de kindertjes
mekaars kinderen even overnemen
een uur luisteren naar iemand die het vandoen heeft, ook al heb je geen tijd
ons geld delen met andere mensen in plaats van heel de tijd kleren te kopen
gerief delen in je straat
je vriendin een arm geven als ze het nodig heeft
helpen met administratie (oh wat zullen we later een generatie analfabetische mensen hebben, zo weinig zorg in het onderwijs voor de manier waarop je door de hele papierenwinkel van de overheid moet, zo erg weinig inzicht)
mensen leren wat sociale zekerheid is
je glas delen met je maat
een zetel geven als er iemand moe is
je tent uitlenen

klein verzet

laten we elkaar geen profiteurs noemen, dat vooral.
laten we zorgen voor kinderen. laten we een generatie kinders kweken die weet waar het over gaat, die krachtig in het leven staat en die snapt dat zorg voor elkaar het allerbelangrijkste is in het leven dat er bestaat. laten we kinderen in de holtes van hun gezin opgroeien, groeien en groot worden. laten we geen kooien gebruiken, niet bij beesten en niet bij kinders. laten we mensen samenbrengen, leren van elkaar en eindelijk eens komaf maken met die ziekelijke angst dat anderen ons kwaad willen doen.

laten we allemaal samen klein beginnen, zou dat geen goed idee zijn?