Hij houdt er niet van dat ik foto’s van hem neem. Hij vertelt dan over Indianen en zielen die verdwijnen als je ze probeert vast te leggen.
Ik doe het toch, soms een keer.
Ik mag niet schrijven over hem, dat ook, maar ik doe het toch.

Hij houdt ook niet van schone verhalen over de liefde, het leven en andere melige shit die ik toch aan hem vertel.
Dat is Disneypraat, zegt hij, maar ik luister dan niet naar hem, en ik vertel de verhalen toch.

Hij kan nog beter vloeken dan ik, en ik kan echt heel goed vloeken. We vloeken over dezelfde dingen, dat wel. Over elitaire ecologie, en over sommige idealisten. We vloeken niet schoon, maar kwaad en vettig en ook een beetje grappig. Zonder vloeken zou het leven niet goed en niet eerlijk zijn, denk ik. Er zijn dingen waar ik nooit compromissen over zal sluiten en ik hou van mensen die dat ook soms niet doen. Mijn andere vrienden zeggen dan dat de wereld zo in elkaar zit en dat ik me dat allemaal niet moet aantrekken, maar ik zal over sommige dingen nooit anders gaan denken, en dat doet hij gelukkig soms ook niet. Stel je voor dat de hele wereld zo afgevlakt zou worden, verdorie. Hij doet mij zoveel denken over het leven, mijn maat, en ik heb dat graag. Ook daar zou hij mee lachen, peis ik, nu ik erover denk, want van teveel peizen word je niet slimmer, zoiets zou zijn repliek zijn.

Ik leer mijn kinderen dat de wereld vol goeds zit, en hoewel hij die ook ziet, zegt hij hen wel eens het tegengestelde. ‘Allee, wat doe jij nu’, zucht ik dan, en dan zegt hij dat kinderen leren nadenken door verschillende meningen te horen en dan denk ik twee dagen na over wat hij zegt en dan weet ik dat hij gelijk had. Niet alleen kinderen denken beter na door verschillende meningen. ‘Je kunt ze niet in een tent groot laten worden’, zei hij ook al, of zoiets, en ik weet dan altijd exact wat hij bedoelt. Ze moeten niet teveel beschermd worden, want ze worden groot en sterk van af en toe een keer iets minder evidents te beleven. Van dingen te doen of te zien die anders zijn dan wat ze elke dag zien.

Onze kinderen mogen alles bij hem: kliederen, drinken uit de waterkan zonder een glas te gebruiken, vuil worden aan hun voeten zodat ze een uur moeten weken in bad nadien. Tjooln met velobanden en onder wollen dekens kruipen en in zijn hangmat hangen net alsof ze er thuis zijn.
‘Wat zouden ze niet mogen?’, vraagt hij mij verwonderd. Zij noemen hem nonkel en ze doen dat niet vaak, alleen maar bij mensen die ze heel erg ontzettend fijn en de moeite vinden. ‘Ik vind hem zo leuk, mama’, zeggen ze af en toe zo oprecht, en ik knik dan gewoon een beetje, want ik weet wat ze bedoelen. Ze hebben maar een handjevol mensen die ze zouden meenemen als het moest: Karlijn, mijn buurvriendin, en Cica, hun onthaalmama. Mattong zouden ze ook meenemen, nu, die ladies.

Hij tekent met onze dochter, en hoewel ik steeds zeur dat ze met een pen niet mag schetsen, leent ze de hare wel aan hem en hoopt ze dat ik het niet doorheb. Wat ik uiteraard wel doorheb, wat had je gedacht?

Hij houdt van honden, van de zijne en ook van de onze, en hij doet dat op een manier die mij raakt in het diepst van mijn zijn. Als Martha kon, dan kroop ze op zijn schoot.

Onze wilderik-vriend.

Hij heeft het niet goed door, hoe wij hem koesteren, hier in ons huis. Hoe blij iedereen is als hij passeert, of hoe fijn we het vinden om in zijn tuin te zitten en te voelen dat het een echte thuis is. Hoe ik mijn liefje bijna hoor nadenken als onze vriend iets zegt, en hoe hij dan later een beetje herkauwt wat hij hoorde. Hoe mijn lief diep kan lachen in zijn gezelschap, en ik de warmte tot in al mijn vezels voel. Hoe ik dagen nadenk over zijn oneliners en hij die de volgende keer gewoon van tafel veegt.

Het hoort bij het beste dat een mens kan hebben, bij leven, een vriend gelijk mijn vriend Mattong.
Bij het allerallerbeste.

over schoonheid

May 22nd, 2018

Elke dag passeren mijn dames en ik (of mijn lief) het vieze vuile kruispunt als je Gent binnenrijdt.
Het is een troosteloos kruispunt, vol drukdoende auto’s, heel veel snelle fietsers die zich haasten naar hun bestemming, lichten die niet lang genoeg groen zijn om deftig over te kunnen steken (en een groenelichtenlogica die steeds weer wijzigt).

Af en toe droom ik van een aardewegel.
Een rustig weggetje dat ons naar school en werk brengt.
Een boom, wat groen, misschien een struik vol bessen.
Ademruimte of tenminste het gevoel dat je niet stikt in de uitlaatgassen.

Enfin.

Er staat, zodra het weer betert, een jongleur op het kruispunt. Ik denk dat het een Spanjaard is, en hij staat er geregeld te jongleren als wij passeren. Hij passeert dan de auto’s met zijn hoed, en de automobilisten die willen kunnen hem een centje geven.

Mijn dochters houden van hem. Ze houden van de lente die hij meebrengt, de kunstjes die hij toont, zijn hoed die hij, als een echte piraat, af neemt als zijn voorstelling voorbij is.

‘Moegn wij hem een centje geven, mama?’, smeekten ze, toen wij hem voor het eerst zagen.

Sindsdien heb ik altijd kleingeld bij, en speuren zij naar zijn aanwezigheid al lang voor we het kruispunt oversteken.
Ze zwaaien dan naar hem, hij zwaait terug en dan kijken ze met grote ogen hoe hij een kegel op zijn hoofd kan zetten en hoe hij met de jongleerballen goochelt.

Ik kijk dan eens rond me, als ik daar zo sta te wachten.
Ik voel en ik zie de gehaastheid van de mensen rondom mij, vlug vlug vlug en geen tijd om te kijken.
Ik snap die gejaagdheid, ik heb ze bij momenten zelf ook.

Maar ik wil nooit stoppen met mooie dingen te zien.
Ik wil nooit geen tijd hebben voor jongleurs op het kruispunt.
Ik wil nooit de geërgerde blik hebben van de automobilist die niks wil geven en zeer geïrriteerd zwaait met zijn armen.
Ik ga altijd blij zijn dat er mensen zijn die andere sporen kiezen, die anders in het leven staan dan mij, en die kunst maken die ik écht schoon vind.

Ik denk vaak, als wij het groen licht daar laten passeren, en nog een minuutje langer kijken naar hem, dat ik hoop dat mijn dochters dat oo altijd zullen doen: zoeken en kijken naar schoonheid en daar tijd voor nemen als het nodig is. Dat ze gehaast kunnen beperken en niet snelsnel maar echtecht zullen kunnen leven.

Onze Spanjaard is een begin.

Iemand die zulke schone momenten aan mijn dochters geeft zal altijd welkom zijn om bij ons aan te schuiven aan tafel.
Altijd en overal.

echt echt echt

May 12th, 2018

‘Ik ga echte dingen doen’, dacht ik vorig jaar.

Toen de artsen in februari dit jaar ‘iets’ zagen op de foto’s van mijn liefjes long, werden het lange weken. Er moest gewacht worden en weer gewacht en woensdag zei de dokter ‘ik heb goed nieuws’.

Ik moest een klein beetje wenen uiterlijk en innerlijk heel erg veel.
Wenen van geluk is schoon he.
Wachten hopen wanhopen soms een keer dan weer hopen schurken tegen het leven en dan kijken naar hem en hem willen bewaren in een potje want hij ziet er zo goed uit mijn lief. willen roepen en weten dat het lastig zou kunnen worden als het slecht nieuws zou zijn.

Er huist een oude ziel in mijn binnenkant, en die weet meer van het leven dan ik ooit zal kunnen bevatten.

‘Zet u ne keer’, zei ze rustig, ‘ge weet het toch, hoe het leven in elkaar zit. het is heel erg schoon, bij momenten, en soms een keer verschrikkelijk lelijk en oneerlijk. ge weet dat toch al langer.’

Ik knikte een beetje.

‘En wat je ook weet, dat is dat er altijd schone warme dingen zullen zijn. mensen ook. ze zullen rond je zijn en duwen en trekken en kijken en babbelen en je zult het soms kunnen verdragen, soms niet en af en toe eens nodig hebben.’

Ik knikte nog een beetje.

‘er zullen ook altijd honden zijn’, bevestigde mijn ziel, ‘honden die wild zullen zijn, die je graag zult zien, en je zult kijken naar hen gelijk naar je kinders, maar dan anders. zoals je dochter het zegt, honden zijn mij even veel waard als mensen want wie heeft eigenlijk bepaald dat wij meer rechten hebben.’
Ik dronk wat thee.

‘Je weet wat je warm maakt, wat je doet aarden, wat je nodig hebt om echt te kunnen leven, en ook wat je moet doen als je moet overleven’, vervolgde ze (ze is niet van de summiere soort), ‘zoek ernaar dan.’

Het was geen moeilijke zoektocht, het ging vanzelf.

‘Ik wil gaan tjooln, keppe’,piep ik dan tegen mijn lief.
Tjooln, dat helpt bij mij. Treinen, stappen, lopen, tjooln, kamperen en weer stappen. Doelloos.
In het gras zitten, buiten slapen. Soms duurt het dagen, mijn drang, deze keer langer. Hoe zwaarder mijn emoties, hoe langer het tjooln duurt.

Mijn lief, die mij het best kent van de hele wereld, flikt dan een oog en laat mij tjooln.
Ik land altijd weer bij hem, altijd altijd altijd.
Hij die mij helegans neemt wie ik ben en zo dikwijls zegt ‘de max, moksje’. Hij wrijft dan een keer over mijn rug, loopt me achterna voor een zoen, en zegt ‘mi moksje’. Hij die zoveel luistert naar mij, en af en toe moet lachen als ik vloek en met mijn vuisten op tafel klopt omdat ik kwaad ben. Ik ben niet om veel kwaad, al helemaal niet op het leven, maar wel om tralala en gedoe en ecologie die geen echte ecologie is. Hij luistert daar altijd naar, naar mijn verontwaardiging, ook al deelt hij ze waarschijnlijk vaak niet. Hij die mijn hoofd steeds vrijheid geeft, nooit eisen stelt aan mij, waardoor ik zo graag aan hem blijf plakken

Ik zou dat wensen, aan veel mensen, dat tjooln.
Een rugzak, een tent en geen doel. Geen visies op voorhand en veel tijd om te luisteren naar andere mensen.
Een beetje hout voor een vuurtje en een glazeke wijn.
Dat, en een lief zoals het mijne.

Altijd met een lief zoals het mijne.