Martha

October 28th, 2017

Wij zijn geen bucketlistmensen hier.

Op wat financiël gegoochel na, denk ik dat we alles wat we wilden al deden en dat we nog altijd bijna alle dingen doen waar we van houden.
Buiten wat structurele verbouwingen (waarvoor we zouden moeten lenen, en dat gaat niet als je zo ziek bent als mijn lief, ha) dus, is onze list behoorlijk goed gevuld met de dingen die we graag doen.

Een hond was not done, dat wel. We hebben een hondenkind in huis, en mijn lief droomt weleens van een grote wilde tuin met een herdershond, maar hier en nu? Geen tijd en geen plek.

Toen werd Jan ziek.

Het was niet dat hij plots met lijsten vol exuberants afkwam, oh neen, zo zit hij niet in mekaar, maar toen we zo eens dicht bij elkaar wandelden, en wat mijmerden besloten we dat een hond misschien wel kon. Ik zag hem glimlachen, die keer, en er speelde wat opluchting en contentement in zijn stem. Een oud beestje, ééntje dat een plekje zoekt. Geen jonge hond, ik gruwel van broodfok en al die voze dingen bij het kweken van honden, neen, bij ons past een gedeukt karakter misschien wat beter, besloten we. We hebben ook geen tuin dus ook geen plek voor wildebrassen. Bovendien: we zijn wat door ons opvoedingsarsenaal heen, ook.

Het zou een lange zoektocht worden, verklaarden we plechtig aan de kinderen, toen we hen het nieuws vertelden, en ze mochten niet denken dat ze nu in één twee drie een schattig hondje op hun schoot zouden hebben. Oh neen, dat kon wel een jaar duren, echt wel een jaar.

Een week of drie later ging ik met de ladies naar het asiel. Zo een keer gaan kijken. Zo een keer gaan wandelen en proeven, je kent dat.
Er was geen hond die bij kinderen kon wandelen dat moment, zeiden ze, en toen plots ‘of misschien Martha wel’.

Een half uur later stond mijn lief met zijn fiets daar, en we knikten naar elkaar en een kwartier later zaten we aan het bureautje en maakten we afspraken en keek ik boos naar de mensen die met Martha wilden gaan wandelen, want al mijn moederinstinct speelde op en ik wilde haar het liefst sebiet meenemen.

Ze is ondertussen drie weken bij ons, vandaag.

Ze plakt gigantisch aan mijn lief en kijkt een beetje geërgerd naar mij als ik mijn lief kus. Als ik perentaart van Dorien maak, echter, dan ben ik haar beste vriendin. Ze palmt onze zetel in, we moeten meer stofzuigen dan ooit, en ze snurkt zo luid dat ik het tot boven hoor. Ik vind het niet eens erg. Ze houdt erg van alle recepten van Dorien, want ze geniet van gegrilde groenten gelijk geen een, en ze likt rijstkorrels op alsof het kaviaar is. Ze legt haar poot op de blote billen van de kindjes alsof ze wil zeggen: blijf hier nog een beetje, en toen de dierenarts vorige week zalf in haar ogen wou doen, en ze dat niet echt zag zitten, wou ik hem een blauw oog slaan, ook al wist ik dat het voor haar eigen goed was. Ik wist niet dat het gewoon een gemuteerde versie van moederinstinct is, die dierenliefde. Eén die mijn hormonen aantast, onvoorwaardelijkheid geeft en elke keer als ik richting huis ga, denk ik ‘oh Martha, wat verlang ik om je te zien’.

‘Wat heeft ze geluk’, zeggen ze ons.

‘Wat hebben wij geluk’, bedenk ik vaak, dat ze hier wil zijn, dicht bij ons, met haar te grote kop, haar gesnurk en haar ontwapenende blik.

Wie had dat een jaar geleden gedacht?

Berbers

October 9th, 2017

We waren van de Elzas zeer impulsief naar de Provence gereden, want het weer in de Elzas was zo slecht dat de mevrouw van de camping zei dat ze zelf niet zou willen kamperen in dit weer.

Wij zaten daar jong, in de eerste nacht van onze reis met twee, klaarwakker om halfvier ‘s nachts, terwijl de regen gutste op onze tent.

‘We gaan weg’, zei mijn lief, en als hij impulsieve beslissingen neemt dan kriebelt het altijd een beetje bij mij, want hij is niet de meest impulsieve mens die ik ken, oh neen.

Een dag later zaten we aan een bank in Cavaillon, en vond ik na wat surfen een aire naturelle in de buurt.
Het bleek een gigantische voltreffer te zijn: klein, een beetje rommelig (past bij mij) maar vooral: wat een hartelijkheid.
En vers appelsap, dat ook, dat we gekoeld meekregen toen we onze tent opzetten.

We toerden ‘s avonds wat rond en we belandden in een buurdorp, en ik zei tegen mijn lief ‘oh hier wil ik zijn’. Het dorp had gefeest het voorbije weekend, er hingen nog wat lichtjes en er was nog wat volk, maar dagen na een feest zijn vaak de schoonste. Iedereen is blij, het zindert na, en het dorp dommelt een beetje in van al dat jong geweld. Ik voelde het aan de stenen, werkelijk.

Toen we opnieuw in de auto stapten en richting de camping vertrokken, huilde onze auto.
‘Hoor je dat ook?’, vroeg ik aan Jan. Uiteraard hoorde hij dat ook. Het leek of wij en passant een liftende wolf hadden opgepikt, en het werd alsmaar erger. Toen ik hem vroeg wat het zou kunnen zijn, zei hij alleen maar ‘shit’, of zoiets.

Het was 11 km ver naar de camping, het was ondertussen donker en we wisten met moeite of we het gingen halen, maar het lukte.
‘Allee zeg’, zeiden we daarna, toen we samen in onze tent lagen (en ik mij afvragend waarom ze geen dubbele slaapzakken maken), en we hoopten dat het allemaal niet zo erg zou zijn.

‘Kapotte turbo’, zei de Berber die op de camping meehielp, en zijn jonge vrienden had opgetrommeld ‘il faut avoir un nouveau turbo’.
Wij knikten, en na wat opzoekwerk en een telefoontje naar een van onze vrienden die zelf mechanicien is, leek dat inderdaad het geval.
‘Dat is duur hoor’, zei iedereen, ‘en garagisten, je kent die wel’.

We zaten daar, op onze idyllische camping, met gelukkig voldoende vis in blik, en eitjes en kikkererwten en we hadden heerlijk gekookt de avond voordien. We zouden alvast niet sterven van de honger.
Een paar uur later zaten wij op de achterbank van een oude Volkswagen Golf, met twee jonge Berbers die noch Frans noch Engels spraken, dus ik moest een beetje gesticuleren en zeggen ‘merci on est si content’ en af en toe een beetje over hun rug wrijven om te tonen dat wij hen dankbaar waren. Ze zeiden ‘ok’, en toen niks meer. Ze spraken onze taal niet, en ik dacht aan de berbermuziek die ik kende. Ze begrepen niet wat ik zei, dacht ik zo. We kochten een turbo, maar die moest worden geleverd, dus we besloten te voet naar het stadje dicht bij de camping te gaan. Toen pikte de campingBerber ons op, onderweg, en zette ons af waar we moesten zijn.

Tjooln, mijn grootste liefde. Gelukkig ook die van mijn lief.

We ontdekten een heerlijk terras, dronken een pintje, er kwam een zeer vriendelijke oude Fransman met een legerbroek en Crocs aan zeggen dat we beslist nog wat moesten stappen, en dat deden we, en toen zagen we dit:

We waren daar helemaal alleen, en ik dacht: ojoo. We babbelden nadien met onze Fransman, en zoals dat gaat als de zon schijnt en de platanen blinken: dat is gezellig he, zo wat keuvelen in een andere taal.

Toen stapten we terug naar de camping, we kregen een binnenwegje geserveerd (ik denk dat we daar bijna konden blijven wonen) en plots was er dit magische zicht.

Ik ben een seute als het gaat over plotse magie van bergen.

Met de auto hadden we dit nooit zo echt gezien, ook, bedachten we, en toen moest ik bijna een beetje wenen van al die schoonheid (en het feit dat een mens zoveel daarvan verliest in de auto).

Enfin, het was uiteindelijk een zeer schone dag en het duurde aan halfuur voor we beiden beslisten dat we onszelf niet verdrietig zouden maken voor de kosten van de auto, want dat er toch niks aan te doen was.
We bedachten ook fijntjes dat we dat jaren geleden ook niet zouden hebben gedaan, onszelf verdrietig maken voor een auto, ook al zouden dat toen niet hebben kunnen betalen. Het is niet dat we nu rijk zijn, en de ziekte van Jan deed ons budget nog meer slinken, maar we konden het wel betalen.

Een dag later was de auto in orde, en ik wou zo graag zeggen aan mijn nieuwe vrienden dat we ze zo ontzettend dankbaar waren, die twee schone jonge mannen met hun oliehanden, hun verweerde huid en hun treurige ogen. Ik wreef wat over hun rug, en ze lachten een beetje, en ik besefte dat waarschijnlijk weinig mensen over hun rug wreven, allee wat een zonde.
Toen liep de ene man naar de auto en kwam terug met een cd. Hij maakte hem schoon met zijn mouw en zei: musique Berbère pour vous.

Van alle muziek die we in ons leven kregen (behoorlijk wat), van alle cassetjes, platen en cd die vrienden samenstelden voor ons is dit het summum.
Een gehavende cd waarvan de helft van de nummers niet meer leesbaar is.

We staken hem toch in, en toen we naar de camping reden luisterden we naar hun muziek, en het voelde alsof hun leven voor altijd een klein beetje in dat van ons zou blijven bestaan.