verbinding

September 21st, 2017

‘Of we niet mee wilden aan tafel schuiven op de camping?’, vroeg de eigenaar.

Om acht uur ‘s avonds (oh wat eten ze laat in het zuidelijke deel van Frankrijk) schoven we aan tafel.
We kregen een wit plastieken bordje met wat sla, een tomaat uit de tuin, een toastje met everzwijnpaté en een toastje met abrikozenconfituur die ze zelf hadden gemaakt.

Er kwam wijn op tafel van de bevriende wijnboer, en we maakten kennis met twee mensen die op de Mont Blanc wonen. Naast ons zat een fijn Duits koppel en het was heerlijk om onze eigen taal te verlaten en een beetje van de wereld te zijn. Mijn lief praat ontzettend goed Engels en ik hou meer van Frans, maar zo fijn zeg, zo eens onder de mensen zijn.

Na het slaatje kregen we een echt bord. Op dat bord lag stoverij van everzwijn, met grove stukken wortel en wat simpel gekookte pasta. De kok, een vriend van de meneer van de camping, had twee oorringen aan en een bloemenschort. Hij was ontroerend schoon, die mens, hoe hij zich uitsloofde voor de gasten. Na de eerste ronde werden de kommen doorgegeven: wie wou nog wat stoverij, wie nog wat pasta?

We kregen nadien een bord vol dessert. Maar echt: een bord vol zoetigheid. Met tassen gevuld met koffie als je dat wou.

Het was verrukkelijk.
Mijn lief zei, net voor hij in slaap viel: ‘oh wat heb ik een fijne avond gehad’, en ik kon alleen maar hevig knikken.

Het is die simpelheid waar ik zoveel van hou.
Het is het kleine potje vijgenconfituur van de madam van de camping, die ontzettend heerlijk smaakte bij wat goede kaas.
Het is de crappy hotelkamer (toen we te moe waren om een camping te zoeken) met dunne muren maar verrukkelijke Saint-Marcellin bij het ontbijt (van 3 verschillende kaasmakers dan nog wel).
Het is de forel die mijn liefje op de camping klaarmaakte, gewoon met citroen en een beetje olie. Toen het al bijna helemaal donker was en hij mij voederde omdat ik daar zo van hou, dat hij mijn voedert.

Echte rijkdom ligt daar, mijmer ik vaak, daar waar je geen honger hebt en mensen met een ziel hebben gekookt.

(Oh ik moet zoveel vertellen, want hij en ik tjoolden tien dagen met ons twee en het was, nou het was, verrukkelijk.)

de H is van havik

September 9th, 2017

‘Ik wil een keer een havik zien’, piepte ik maanden geleden tegen mijn lief.

‘Ja, moksje’, zegt hij dan het vaakst als ik zulke dingen piep. Ik heb al veel gewild, soms wil ik een meer zien, of wil ik naar een berg, of wil ik in een heide gaan wandelen.
Hij gaat dan altijd mee met mij.

De tijd verstreek, die zat voor hem vol met zaken die weinig met haviken te maken hebben, maar met klinieken en foto’s en chemo en bestralingen en rust. Er was niet veel tijd om te tjoolen, laat staan om naar vogels te gaan turen.

Toen werd alles wat rustiger, ook de storm in mijn hoofd (oh wat een vreselijke radicale storm).
We vertrokken voor twee weken weg van huis. Eerst een week naar Friesland, dan een week naar de Westhoek.

Onderweg kruisten we het IJsselmeer, en ik was weer zo erg onder de indruk, dat we afreden en besloten daar ergens in de buurt te eten. Wij hebben een traditie van keigoed eten mee te nemen voor de eerste onderwegmiddag, dan ben ik altijd opgelucht dat we geen voze half opgewarmde worstenbroodjes moeten eten langs de weg.

Hier picknickten we.
Geen mens te zien.
Alleen maar bomen en water te horen.

In tegenstelling tot de betonnen plekken waar we soms strandden in het verleden, was dit een paradijsje.

Na een half uur vertrokken we en toen we allemaal in de auto zaten, en Jan de moto startte, keek ik links naar de struiken.

Er zat een havik.

Er zat een echte havik op de grond. Een gigantisch herkenbare prachtvogel, daar, op een meter of twee van onze auto.
‘Ik heb een havik gezien,’ piepte ik.

Ik denk dat het geen enkele vakantie in mijn leven zo schoon is gestart.

.
.
.
.
.
.
.
Leestip
De H is van havik
Auteur: Helen Macdonald
Uitgever: De Bezige Bij
Nederlandstalig 336 pagina’s 9789023492412 september 2015

wat lang

September 7th, 2017

Hèhè.

Dat is lang geleden.

Eerst kwam dat omdat wij vakantievierden, en ik wel honderd keer dacht ‘oh daar schrijf ik over’, en toen liet Dorien me weten dat er iets raars was met mijn blog, en toen, ja toen, toen kwam mijn internetsuperheldin eraan, die zelf schoon verwoordde hoeveel miserie het was. Kort gezegd: ik heb hier weer een plekje.

Ondanks de zorgen die zo’n gigantische sluimer boven ons hoofd hielden, was het fijn.
Het was heel erg anders dan anders, omdat het snerpend was, maar het was ook heel vaak heel erg hetzelfde: hoe wij het liefst leven hier: dicht bij elkaar en in de zomer het liefst met veel groen.

Eind augustus moest Jan voor het eerst naar de arts terug, en die zeiden dat het resultaat momenteel zo goed mogelijk is.
Dat is heel wat, en het leek alsof een sluis opende, van opgehouden gevoelens en angst en wachten en opluchting en zoveel intens besef dat het leven soms kronkelt dat het zeer doet.

Het is de zomer geweest van veel met mijn ogen rollen, omwille van alle overbodig gezever dat een mens zijn pad kruist.
Ach, dacht ik soms, ach ach ach.

Het was ook de zomer van heel veel intensiteit, van met mijn mond open kijken naar het magische spel van onze dametjes, en hoe ze in de natuur tjoolden alsof ze het altijd al hebben gedaan. Van kijken naar water, van het leren kennen van kwelders, van de havik die ik zag, zomaar, als geschenk op mijn eerste echte dag verlof.

Oh ik moet nog veel vertellen, denk ik zo.
Welkom terug, ik ben ook blij dat ik er weer ben.