parel

August 30th, 2016

we wilden watervallen kijken.
een wandeling van ongeveer 8 km, in de bossen in het Juragebergte.
vorig jaar hadden we niet allemaal wandelschoenen mee, maar deze keer wel.

op de weg naar daar passeerden we meren, ik wist het nog van eerder.
ik was er vorig jaar even van ondersteboven, van die aanblik op al dat water: er is weinig dat me zo naar de keel grijpt als eindeloos water. in de bergen nog het meest vanal.
we waren er niet gestopt, vorig jaar, het meer lag er gewoon, precies alsof er geen enkele mens mee gemoeid ging: geen strand, geen cafetaria, geen schreeuwlelijke reclame voor ijs en drank en eten. gewoon een meer en niks anders.

ik had mijn lief verteld over hoe aangrijpend ik dat vind, zomaar een meer. hij houdt heel veel van water, hij groeide op aan het water, maar dat ik dat zo aangrijpend vind is voor hem eerder logica. ‘zo zien meren er nu eenmaal uit’, zoiets. wat niet wil zeggen dat hij niet luistert en kijkt naar hoe ondersteboven ik ervan ben, ik zie dat als hij glimlachend een oog flikt en zegt: ‘moksje toch’. ik heb dat ook met bos: als we rijden en ik zie op Google Maps dat er oneindig veel bos is, dan kan ik daar precies niet bij.

hij stopte zomaar aan het meer. er was net plek om uit te stappen en te kijken.

ooooo. ooooo. ooooo.

mijn hele lijf reageert daar instinctief zo hard op, dat ik er even geen blijf mee weet. het is een beetje zoals kijken naar een werk van W. Turner, ik kan daar zo ondersteboven van zijn dat het zeer doet. ik bewaar al lang een werk van hem, in de gedachte dat ik dat ooit in onze nieuwe living zou hangen, wat ik deze week zal doen, wat een vreugde in mijn hart.

we stonden daar een beetje, ik moest slikken en bijna bleiten en nu ik typ heb ik weer hetzelfde gevoel.

later die dag zouden we watervallen zien, en klimmen en met onze voeten op de bergen staan en wandelen en kindertjes hebben die dapper 8 km stapten op een zeer warme dag in de bergen. ze zouden zeer fijne wandelstokken krijgen van ons, met dierenkoppen, als beloning, en we zouden in de broeierigheid samen iets drinken en lachen en samen zijn. jan zou op zijn rustigste zelf uitleggen hoe de aarde er vanbinnen uit moet zien en mijn dochters zouden knikken, luisteren, wijzen, lachen, zeuren en uitglijden op de gladde stenen.

het was een dag zoals geen ander, en ik denk nog veel aan het meer, aan hoe overweldigend ik het vind, en hoe graag ik daar ben geweest.

deze dag kwam vanzelf.
de mooiste dag uit mijn zomer, de meest intense ook.

IMG_20160825_114651

over wilde buurkinders

August 12th, 2016

we hebben nieuwe buren.
een maand geleden keken er plots twee paar donkere ogen door mijn brievenbus, en zag ik kleine vingertjes piepen.

‘mevrouw’, riepen ze, ‘is die van acht thuis?’
die van acht dat is clarisse maar haar naam vinden ze vreemd.

met het gezin kwamen er nieuwe geluiden: de twee stille mannen die er voorheen woonden in contrast met het kinderrijk verhuizend gezin.
‘Oh boy’ dacht ik toen ik op een avond laat in bed lag, en bij de buren zoveel lawaai hoorde dat ik dacht dat ze aan het verbouwen waren.

‘maar wij maken ook veel lawaai’, zei mijn lief, en ik dacht ogenblikkelijk: ‘ja, ‘t is waar, misschien moet ik wat stilstaan bij al het geluid dat wij maken met heel ons nest kinders en vrienden en kinderen van vrienden.’
maar het was echt veel lawaai, zoveel dat we bijna moesten roepen in onze living, om elkaar te kunnen verstaan.

de kinderen van de buren met hun wonderbaarlijk mooie namen, ze belden zoveel aan mijn deur dat ik er zot van werd. Ik ken mezelf, voor ik het weet leefden ze meer hier dan hiernaast en op een bepaald moment word ik dan horendol en wil ik alleen nog rust. ik moet ook elke dag tegen mezelf zeggen dat dat in het leven soms het beste is, gewoon tot aan de deur, even afwachten, niet altijd heel mijn hart openstellen, want ik heb dat al veel gedaan en het is me laatst toch maar serieus pijnlijk geworden dat de wereld niet altijd uit roze kauwgom bestaat, godverdorie.

op een ochtend (ik bespaar jullie de details) was er plots heel veel beweging aan de deur, maar echt heel veel, met politie en anonieme wagens en serieuze gezichten. het was dreigend en ik wou mijn kindjes afschermen van de angst die uniformen en geweren en auto’s op straat met zich meebrengen. ‘ga vlug binnen, schatjes’, en ik duwde ze veilig weg in onze cocon waar de wereld soms eens buiten moet worden geduwd.

ik vond het vreselijk, ik heb de ganse dag gedaverd op mijn lijf en me afgevraagd wat er nu werkelijk zo erg zou kunnen zijn dat er een gans bastion kinderen komt halen.
mijn vriendinnen, aan wie ik het vertelde, merkten op hoe traumatisch voor de kinderen en ik bleef maar piekeren over de oorzaak van dit alles.

het is stil, hiernaast.

ik weet dat het mij niet aangaat wat er is gebeurd. ik weet ook dat er niet zomaar dergelijke actie wordt ondernomen en dat het soms beter is dat kinderen worden afgeschermd. ik weet dat ze teveel lawaai maken en dat ik teveel vloek op hun geroep. ik weet dat ik al horror door mijn hoofd heb zien passeren over dit alles, en ik weet dat dat niet correct is omdat ik niet weet wat er is gebeurd.

wat ik wel weet, is dat ze terugkomen. begin september. als de sociale dienst is geweest.
ik weet dat van de vader van het gezin, die mij het net heeft verteld, toen hij een kringloopwinkelkastje aan het binnendragen was van € 12,00. ik kon dat zien aan de sticker die er nog op kleefde. ik moest bijna een beetje bleiten toen, want het was zo’n kastje waarvan wij content zouden zijn dat het weggekieperd wordt.

ik deed mijn deur open, en ik was een beetje blij. blij en ontroerd. blij dat ze terugkomen, want dat wil zeggen dat iemand ergens heeft beslist dat het de moeite is dat ze bij hun eigen ouders kunnen opgroeien, en dat ze een kans krijgen om te tonen dat het kan lukken. blij omdat ‘die van acht’ zo ontzettend opgelucht zal zijn, want ze heeft veel geweend om haar vriendin die ze nog maar net kent en die plots al weer was verdwenen.
blij om hun donkere ogen, die weer door mijn brievenbus zullen gluren en die kleine handjes die ik zal zien.
zuchtend omdat ze teveel zaken zullen vragen aan de deur en ik heel veel neen zal moeten zeggen.
ik pieker ook een beetje, over de trauma’s, over hoe een ouder hiermee omgaat, en over hoe de kleintjes zich nu zouden voelen.

oh ik zal nog vloeken maat, ik weet het nu al. ik zal nog rologen en zuchten dat ik stille buren wil.

maar ik ga ze wel graag zien, allemaal. en ik heb voor mezelf voorgenomen dat ik frietjes bak voor iedereen en dat zij ook allemaal welkom zijn, gelijk elk ieder ander kind dat hier welkom is.

want als deze situatie me iets heeft geleerd de voorbije week, dan is het dat ik niet degene ben die op Facebook zomaar linken deelt over verdraagzaamheid, en dat ik niet degene ben die in een mooi politiek, theoretisch kader kan uitleggen wat discriminatie betekent en hoe vreselijk dat is.

ik wil dat echt menen, over die verdraagzaamheid. ik wil dat mijn kind, dat verontwaardigd vraagt waarom iedereen hier altijd binnen mag en zij eerst niet, niet uitleggen dat dat zogezegd komt omdat we klein wonen. ik wil kinders kweken die openstaan voor iedereen, en geen kinders die vreemd opkijken als de badkamer bij vrienden er wat minder in orde uitziet. niet dat die hier in orde is, maar bon.
ik zie veel verdraagzamen rond mij, op papier, tot er een Slovaaks kind aan hun sleppen trekt.

ik weet dat dat mij kwetsbaar maakt, maar dan is het maar zo.
dan ga ik op mijn bek en mijn kinders op die van hen, samen met mij.

maar het zal met veel liefde voor mijn wilde buurkinders zijn.
met heel veel liefde.

(en ik hoop in het stilleweg dat ze hier heel lang gaan wonen, dat alles goed komt, en dat het gezellig wordt. een beetje stiller misschien, en hopelijk met warme vriendschappen voor mijn eigen koters)

ver

August 10th, 2016

‘waarom gaan wij eigenlijk nooit echt ver op reis?, vroeg Clarisse, toen we in het weekend over reizen aan het praten waren.
‘echt mama, mijn vrienden gaan veel keer per jaar op reis, en ver. naar Italië en Spanje en Kroatië en zelfs naar Duitsland, en wij, wij gaan alleen maar één keer, en altijd naar Frankrijk.’

Het leest misschien als een vervelende vraag, maar het was uit echte nieuwsgierigheid dat ze het vroeg.

‘Ik zou dat ook eens willen doen, mama,’, vroeg ze nadien.

Ik snap haar helemaal.

Maar ik wil niet.

Zolang zij bij mij zal wonen en we samen op reis zullen gaan, zullen we niet ver gaan.
We zullen geen verre reizen maken waar we jaren van zullen dromen.
We zullen niet vliegen als het aan mij ligt , en we zullen niet naar Azië, Amerika of Afrika reizen.
Ook al wil ik graag naar Ijsland (als ik ooit een verre reis zou maken), en ook al is Afrika mijn lievelingscontinent en zou ik mijn vriend Kurt in Kinshasa wel eens een bezoek willen brengen.

Het is zonder enig oordeel over andermans reizen, want oh, als ik de foto’s zie van de mensen die wel ver gaan, dan glimlach ik omdat ik blij ben dat ze het zo fijn vinden. Als ik van mijn tienerdochter foto’s krijg van haar reis in Montenegro met de scouts, geniet ik mee van de bergen die ze doorstuurt.

‘Ja maar het is daar echt altijd warm. Het is er goedkoper. De zee is er schoner. Het kost echt niks meer met het vliegtuig.’

Ik hoorde ze, ze dienden al vaak als argument om mij te overtuigen.
Maar hoe meer ik ze hoor, hoe minder ze mij overtuigen.

Ik kan bleiten van de schoonheid van de duinen aan de Noordzee. Ik kan op het strand aan de zee staan, en mijn ogen pieken van de immensiteit waarmee die grauwe zee mijn hart inpakt.
Wij twee zijn in juli enkele dagen gaan tjooln in de streek van de l’Oise (nog niet eens zo ver als Parijs) en al water en was zo overweldigend dat ik er bijna een verkrot huis wou kopen.
Mijn mama is op 10 km van haar huis gaan logeren met de kleintjes en ze hebben de tijd van hun leven gehad.

‘Of naar Nederland, daar zou ik ook wel eens willen gaan’, voegde ze toe aan haar vraag.
We glimlachten naar elkaar, en in mijn hoofd zat een reisje naar Nederland klaar.

Ik weet dat ik op een bepaald moment geen grip meer heb op de manier waarop mijn dochters reizen, en ik ben de laatste om voor hen, eens ze groot genoeg zijn, uit te maken naar waar en hoe ze moeten reizen.
Waar ik wel grip op heb, samen met mijn lief, is op het tonen van de overweldigende schoonheid niet zo ver van ons eigen huis.
In plaats van ver te reizen gaan we altijd op zoek gaan naar mooie plekjes waar je niet persé een vliegtuig voor nodig hebt.
Waarschijnlijk gaan ze zich op een bepaald moment laten vangen aan de schreeuwlelijke reclames van spotgoedkope vliegreizen naar waar ze maar willen, en waarschijnlijk zullen ze op een bepaald moment vinden dat ze de andere kant van de wereld moeten hebben gezien.

Maar ik hoop dat ze dan af en toe eens terugdenken aan de dichtbijreizen, aan de schoonheid pal onder hun voeten, en aan de zware druk op de aarde door al dat immens overweldigend vliegreizen.
Ik zal hen de boeken tonen, waardoor ik zomaar in Boston rondloop, de geuren in Zuid-Amerika kan rieken en het zout van de zee kan smaken. Ik zal met hen blijven tjooln, dicht bij ons huis, ook als ze ouder en zelfstandiger zijn.

(voor iemand -weer- anoniem in de commentaren dubbelzinnige boodschappen achterlaat: je mag gerust je naam vermelden, ik kan daar tegen)