mijn indianenkind

June 26th, 2016

mijn middelste dochter glunderde toen ze hoorde dat ik een badge heb voor het werk, en dat die badge de deur kan openen door gewoon mijn handtas tegen de scanner te houden.

‘wow’, zei ze zuchtend én blij, want ze dacht ‘dat dat echt niet kon in het echte leven’.

haar glimlach deed zoveel deugd.

ze is moe. moe van het altijd maar door moeten doen en een moeder te hebben die veel te vaak zegt dat ze moet voortdoen, niet zo snel mag wenen en een beetje dapperder moet zijn.
ze is moe van allemaal gesprekken door elkaar van mensen die ze kent en niet kent en die woorden en zinnen gebruiken die ze op twee manieren kan interpreteren en die ze gegarandeerd verkeerd inschat.
ze is moe van school, rekenen, huiswerk, fietsen en rokken en broeken te moeten aandoen die bijna tot aan haar knieën komen, want ze draagt het liefst ofwel lange broeken, ofwel minishortjes. die minishortjes wil ze nu niet meer kopen in de winkel, want op school mogen die niet en voor 2 maanden per jaar koopt ze geen broeken hoor.
ze is moe omdat ze niet kan slapen ‘s avonds, gevoelig voor geluid en voor moeheid die niet altijd naar slaap leidt maar naar denken denken denken.
ze is moe omdat haar sloeberzus van 6 zo gemakkelijk over grenzen loopt, met haar voortand uit en haar schmoetzig -glunderend van kattekwaad -smoeltje. dat kleintje, met haar grote mond, haar durf en haar plantrekkerij. die vlegel, die zomaar met haar vuile voeten tegen de muren aanleunt, iets dat niet mag en iets dat mijn middelkind nooit zou doen. net als stiekem Smarties eten vanuit de binnenzak van je jeansjas. in de ochtend.

‘we zijn er bijna, mama’, besloot ze, tijdens één van mijn dierbare ochtendwandelingen met haar, waarin de rush een beetje gaat liggen omdat tijd en haast plots geen rol meer spelen.

ze zegt we, want ze houdt soms net niet en soms te veel rekening met andere mensen, zeker met die die dicht bij haar staan.

het leven is veel meer strijd voor haar dan voor mijn ander gebroed, of toch een stuk intenser en vermoeiender.

maar straks is het vakantie.

dan mag ze haar hart ophalen bij Cica, gaan zingen, lang slapen, uren lezen en tv kijken. granen en yoghurt eten op bed en strips halen naar de bibliotheek. dan mag ze met haar grote vriendin naar de tentoonstelling van Harry Potter en kijken we samen de hele reeks uit. mag ze in mijn armen hangen en daar blijven hangen, ook na bedtijd. ze zal met de kaarten spelen, bij de buren gaan bellen, verlangen naar onze reis naar de watervallen en hopen dat zij en ik minstens een ganse dag samen zullen lezen in onze hut op bed.

dan zal ze uren vertellen over haar dromen, veel meer lachen dan de andere tien maanden van het jaar, en af en toe eens de zaken op zijn beloop kunnen laten zonder dat ze er zelf erg in heeft. ze zal rustiger worden, minder gauw verdrietig en voldaner dan ooit.

dat is een systeem dat zich herhaalt, al minstens drie jaar lang.

misschien is ‘we’ wel op zijn plaats, want ik sta aan haar zijlijn en ik verlang, al was het maar voor haar alleen, bijna evenveel tot al die fijne dingen beginnen.

bijna bijna bijna.

niets niets³

June 11th, 2016

juni is altijd de maand met teveel dingen om te doen, teveel werk, te weinig verlof, kinderen die moe zijn, ouders zonder geduld en reikhalzend kijken naar de zomer die deze keer gelijk maar niet komt.

lastig, maat, vind ik juni en tegelijkertijd zinderend van verlangen naar tijd om thuis te zijn, bij mijn absolute lievelingsmensen.

ik zou in mijn verlof niets willen doen: de dagen gewoon pakken zoals ze zijn en verder niets, buiten wat absolute stilte.

oh wat zou ik sterven moest ik mijn verlof propvollen. crossen van hier naar ginder en lijstjes met dingen waarvan ik denk dat ik die moet gedaan hebben.

mijn lijstje is leeg, wit en leeg en rustig.

het is één van mijn basisbehoeftes: niets te doen hebben, en ik kus mijn pollen dat ik een wederhelft heb die dat begrijpt, ondersteunt en zelf ook een beetje zo in elkaar zit. halleluja, wat een match. het is niet onmiddellijk het eerste wat je op tafel gooit als je zit te kussen met vlinders in je buik, dus ik heb geluk, pokkeveel geluk. er zijn duizend dingen aan mijn lief die van mij een chansaard maken, donderdduizend dingen zelfs. maar zijn rustige zelf is mijn heling.

stel dat ik een lief zou hebben dat heelder dagen actief wilt zijn en van het een naar het ander gaat, ik zou het niet kunnen, vrees ik. ik zou hem zoenen en zeggen dat het ok is, dat het fijn was, maar dat ik niets wil doen.

op een zware zaterdagochtend (met dampende zwemles in een te warm zwembad) kom ik tot het besef dat het zo erg goed is. die rust, dat begrip, die knipogen die van zo ver komen dat ik hem helemaal begrijp. terwijl hij plaastert knijp ik in zijn billen en kus ik zijn nek die stoffig smaakt. ik kook voor hem vanuit heel mijn hart en hij maakt ons huisje altijd maar mooier en schoner dan ik ooit had durven dromen.

nu nog verlof, een wit blad en een beetje watervallen om naar op zoek te gaan.

almost there, almost.