Nederig

August 31st, 2015

‘Wow,’ zei mijn lief om vier uur ‘s nachts, ‘het is zo machtig om te zien.’

We lagen in de tent, zaterdagnacht, tussen de Westvlaamse bergen, in het heerlijke Wulvergem, bij onze lieve vrienden in de tuin.
Het zou onweren, hadden ze voorspeld, maar onze Bergkoningvriend keek naar de wolken en zei dat het onweer de bergen niet over zou geraken.
Een halfuur later zei hij dat het ergste voorbij was, en dat er waarschijnlijk geen regen zou komen in de nacht.

Met een gerust gemoed kropen wij in onze tent en vielen als een steen in slaap.
Van alle zaken die bij kamperen horen en die ik vreesde, stond een chronisch slaaptekort op één. Ik zag mezelf woelen en draaien en vechten tegen muggen en motten, maar in werkelijkheid sliep ik.

Ik werd alleen maar wakker van een lief dat over mij kroop, omdat hij aan de kant lag en moest plassen en ‘s nachts in het donker al eens het noorden kwijt raakt als hij niet in zijn eigen bed ligt.

Ik hief mijn blote billen uit de slaapzak en ging naast hem staan.
‘Weerlicht’, zei ik, toen ik in de verte keek. Licht en licht en licht maar geen donder, waardoor het lijkt alsof je een surrealistisch onweer ziet.
Er was ook echte bliksem, maar geen donder, het leek vredig en het was zo machtig schoon dat we even bleven staan.

‘Wow’, zuchtten we, en toen we terug in de tent lagen en ik de wind voelde rukken aan de touwen en het zeil, voelde ik me vreemd.
Het was vredig, en nederig en nietig en ook een beetje angstig dat ik besefte dat een mens maar een mens is en dat een zwiep van de wind zoveel kan verwoesten, terwijl ik zoveel van wind en storm hou. Zo nietsontziend dat ik er stil van word.

Het onweerde niet, zoals onze vriend had gevoeld. Wat druppels en een beetje wind.

‘s Morgens aten we eitjes en vers fruitsap op hun terras. Ik smeerde een pistoletje met verrukkelijke braambessenconfituur van mijn vriendin en we zeiden tegen elkaar dat we erg moe waren, de avond voordien. Dat het zo fijn was, zo onverwachts verlof zo dicht samen, met wandelingen en commandobunkerbezoeken en vis op de barbecue. Met een kukkelennetje (hoe schrijf je dat?) dat zorgzaam broedde dicht bij ons, en een haan die eten uit zijn bek spaarde voor zijn zwart kippenlief.
Er sijpelden verhalen binnen van verwoeste huizen, uitgerukte bomen en storm. We dronken koffie en zeiden dat we geluk hadden gehad, zo ‘s nachts in onze tent.

Verlof in het kwadraat. Het allerhoogste kwadraat.