Ik heb mijn baby’s nooit erg veel gewassen. Al zeker niet in bad.

Toen ze vers geboren waren, dan was ik verschrikt dat die verrukkelijke babygeur weg zou zijn.
‘Weggespoeld door Zwitsal’, ik zag het doemscenario al voor mij.

Bij de eerste twee pakte de verpleegster mijn borelingen vakkundig uit mijn arm, en zei ‘Kom, we gaan je dat eens leren, hoe je baby’s moet wassen’.

Hun lijfjes werden ingezeept, hun -ocharme- haartjes gewassen. Hup, het water in, oogjes open, en dan opnieuw de koude wereld in, handdoekdroog gewreven en opnieuw in mijn armen gelegd. Ergens vond ik dat wel charmant, maar het leek mij een beetje overbodig. Dat teer, olie-achtig velleke, helemaal onder water en onderhevig aan geparfumeerde babyzepen.

Bij mijn derde kind was ik ouder en zekerder.

‘Van mij moet ze nog niet gewassen worden, hoor’, zei ik op dag 2 en ik haastte mij naar huis, veilig in mijn eigen cocon van mensen die ik graag zag en dingen waar ik wel veel over wist. Dat slapend mensje, dat ik nog maar een dag kende, was van mij en ik wou het deze keer echt zonder al die goedbedoelde raad en al die dingen-die-moeten-maar-waarvan-niemand-eigenlijk-nog-weet-waarom-buiten-voor-de-schoon-ogen-van-een-ander.

Ik had tijdens mijn zwangerschap veel gelezen over baby’s. Over hoe ze groeien, over hoe het er in de rest van de wereld aan toegaat en dat er overal kindjes groot worden. Dat het heus niet de Zwitsal is die ze grootbrengt, laat staan de Galenco. Ze moeten echt geen eigen vers geschilderde kamer hebben om welkom te zijn en doopsuikers en geboortekaartjes, allemaal wel, maar eigenlijk wou ik het liefst dat ik er op kon zetten wat ik wou, zonder weer die eeuwige visies van mensen die wel en niet tegen enveloppekes op kaartjes zijn. In mijn hoofd zou er staan ‘Onze dochter is geboren, we willen even rusten en zo weinig mogelijk mensen rondom ons. Daa-haag. We laten wel iets weten als we er zin in hebben, en als je dan toch komt, breng gerust wat eten mee.’

Bij mijn vierde kind was ik nog ouder en nog zekerder, maar dat cool geboortekaartje met mijn eigen goesting is er nooit gekomen. Wél dagenlang een heerlijke échte babygeur, met de kans voor haar velletje om de vernix langzaam te laten indringen in de huid, beschermd tegen het wilde leven dat haar wachtte. Uren op mijn schoot, aan mijn borst en tussen ons in bed. In mijn draagdoek, dicht bij mij en verslingerd wat huid, melk en donzen en kussens als we moe waren. Vermoeiende, intense tijden. Kleedjes recupereerde ik van de zussen, ik kocht amper nog wat, en kon zelfs dan elke dag iets nieuws aandoen als ik dat wou. Als ik dat niet wou, dan deed ze gezellig twee dagen hetzelfde aan, waste ik enkel haar poepje en haar nek en tjoolden we voor de rest van de dag samen zo door het leven.

Zij, zij had alles wat ze nodig had. Slaap, warmte, melk en een moeder die trillend verliefd in bed teveel slaap miste.
Haar lijf dicht bij mij, in het holst van de nacht, dat zijn de fundamenten van wie zij is en hoe verliefd ik op haar geworden ben. Héél dicht bij elkaar leer je elkaar het beste kennen. Dicht bij uw mama, beter kun je het toch niet hebben als je begod enkele dagen of weken op de wereld bent?

Mijn twee vriendinnen met hun babydochtertjes zitten nog in dat begin.

Ik kijk er soms met heimwee op terug, als ik hun goede moederzorgen zie. Hun bezorgdheden, dat moedergevoel dat groeit, hun leven dat veranderd is en de gewenning daaraan die zijn plaats zoekt. Hun vermoeidheid, oh die vreselijke moederlijke vermoeidheid die bij elke mama en bij elk kind anders is, omdat elke mens nu eenmaal anders in elkaar zit, en het is de situatie waar je zelf in zit die voor jou de enige nodige is. Die zou ik soms willen wegnemen, maar ja, ook dat maakt deel uit van dat magische proces.

‘Vuistje’, denk ik dan stil. Vol bewondering kijk ik hoe ze dat doen, met hun wondertjes, zoals alleen zij dat kunnen, omringd door goedbedoelde raad en tips over hoe het zou moeten. Ik vond dat bij mijn eerstelingen moordend, al die vergelijkingen en al die tips waar ik hoegenaamd niets aan had. ‘Oh maar je moet ze elke dag wassen hoor’, jaja.

Ik probeer dat niet meer te doen. Ik kijk naar hen, en ik vind écht, maar dan ook écht, dat zij dat perfect doen. Vanuit hun buik, met gans hun hart en vooral vol van liefde. Ik ben nu al vier keer bevallen, en mijn god, wat zou ik bij een nieuw kindje opnieuw veel van hen kunnen leren.

Zou dat nu eens geen fijn geschenk zijn, voor verse moedertjes? Een vuistje, een schaal lasagne en een blik die zegt dat ze verdorie goed bezig zijn. Ook zonder dat bad met Zwitsal. Kunnen we dat, het wijze geslacht, niet eens afspreken, zo onder elkaar? Dat we elkaar wat laten doen, en dat het allemaal wel goedkomt, ook als het wat anders is dan bij onszelf?

Mijn ‘vuistje’ hebben ze. Mijn bewondering ook.

Nu nog de lasagne.

Fort²

April 16th, 2015

Sarah schreef dit:

‘Ik vind uw blog ook een beetje een fort om in te schuilen. Maar wel geen met dikke muren maar juist een met veel raampjes naar de wereld. En zoals ge uw huis met uw kinderen deelt, zo deelt ge uw inzichten en gedachten en gevoelens met ons, en rusten we samen een beetje uit van het dagelijkse leven. Fijn jong, ik lees hier zo graag.’

Jullie allen zijn ook een beetje mijn fort, met al jullie lieve woorden en mailtjes en commentaren die mijn hart altijd een beetje warmer maken.

Thanks lezers, I owe you big time voor uw komst.

Fort

April 11th, 2015

Mijn huis is mijn burcht.

Al weken breng ik meer tijd door in huis dan anders.

Het is een oude liefde, die tussen dingen, mijn huis en mezelf. Oude foto’s, boeken, de lamp van mijn grootmoedertje, de foto van mijn metje en mezelf toen ik een half jaar was. Navelstrengstukjes van de kindjes op sterk water. Echo’s van mijn baby’s en de broek van mijn lief van toen we elkaar net kenden. Veel slapen en een klein beetje proberen te koken. Papier, kranten en ook een beetje veel pijn en last. Ach, een mens sterft niet van wat pijn en wat moeheid maar toch. Maar toch.

Ik deelde zonet mijn huis meer dan 2 dagen met alleen mijn jongste puppie. Ze dribbelde als een soort kattejong achter me aan, zelfs toen ik op het toilet zat.

In mijn hoofd zou ik mijn burcht even willen sluiten, ‘gesloten voor veel publiek’.

Dit oude huis met veel werk en veel mankementen is een plek waar alles meestal goed is.
Een fort van niet te uitgesproken meningen, met werkelijke, oprechte verdraagzaamheid voor elkaar en veel liefde die hier achter het papier en onder de kussens zit verborgen.
Een cadeautje tegen de buitenwereld, waar mensen vaak zoveel weten en vinden dat ik er soms erg moe van word.

‘Ik leef graag bij jou, mama, en ook graag in ons huis waar papa alles zelf mooi maakt voor ons’, zei ze in bed, deze morgen, toen ze haar arm uitstrekte en teken deed dat ik in het kommetje van haar arm mocht gaan liggen. Haar arm, vertelde ze later, deed ze net als papa, omdat hij er niet is, en ze hem wil nadoen.

‘Ik ben blij, en ik ook bij jou’, antwoordde ik veel later, waardoor ze al vergeten was wat ze zelf had gezegd en ik er haar even aan moest herinneren.

Wat is het een eer dat mijn huis niet alleen voor mij een fort is, ook.
Want thuiskomen en graag thuis zijn -zonder te moeten vluchten- is bij ons vijf één van de belangrijkste dingen van het leven.