Het Dotje

March 27th, 2015

Als je mij ziet passeren dan is de kans groot dat je, op een meter op twee, nog een mensje ziet.

In mijn kielzog, steeds wat achter, maar constant in mijn stappen.

Mijn jongste dochter. De furie van het huis, de grenzenoverlopende 5jarige.

‘Ik wil bij jou zijn’, fluistert ze te pas en te onpas en vorige week vroeg ze of ze als geschenk drie dagen dagennacht bij mij mocht zijn. ‘Zonder dat we weg moeten van elkaar, mama’,voegde ze er gauw aan toe.

Ik ben het niet gewend, zo’n plakkertje, mijn oudere dochters zijn plantrekkers.

Het voelde vaak vreemd en niet altijd zo fijn, toen ze kleiner was, dat plakkerig handje, die smekende ogen, haar zin ‘ik wil mee met jou’. Ik was het niet gewend, en het verstikte mij een beetje.

Nu zijn we verslingerd aan elkaar. Ik hou niet van vreemde plekken, maar als zij bij mij is, kan ik de wereld aan. We tjoolen, wij twee, het liefst lang en ver en zonder al te veel te praten. Want ze zegt heel weinig als we samen zijn, ze loopt gewoon achter mij, en als ik wacht loopt ze even naast me, maar algauw weer achter mij. Haar plakkerig kleuterhandje is stevig aan het worden en ze manifesteert zich zelden luid, maar als ze het doet hohoho. Ze is verlegen van aard, al weet je dat pas als je haar goed kent. Ze wordt brutaal als ze niet op haar gemak is, en kan zo plots weigeren en brullend wenen dat ik er nog steeds niet aan gewend ben. Als je een grens aangeeft loopt ze er pal over, en verdorie wat zijn wij dat niet gewend. Ze is de gulste, misschien is het dat ook een beetje.

‘Als jij sterft, dan sterf ik ook,’, claimde ze luid dit weekend.

‘Van verdriet, mama’, voegde ze er spelend wenend aan toe, armpjes in de lucht en trots om haar eigen spitsvondigheid.

Ze heeft er geen gedacht van wat ze allemaal doet met mijn hart.
Wat ben ik blij dat zij er is, wat ben ik daar verschrikkelijk blij om.

Carll Cneut

March 19th, 2015

Met de klas ging ze naar de Sint-Pietersabdij.
‘In my head’ – Carll Cneut.

Ze kwam blij thuis, en ook een beetje droevig.

‘We kregen een telefoon, moesten een cijfer indrukken en hoorden toen hoe een meneer vertelde alsof hij Carll Cneut was. Het waren lange teksten en ik was nooit klaar met luisteren toen de juf zei ‘kom vooruit allee hup doe voort’. Ik snap dat eigenlijk niet goed: waarom krijg je een telefoon als je geen tijd hebt om te luisteren, en wat ben je met een tentoonstelling met halve teksten? Je zou beter geen telefoon krijgen, en gewoon kijken, ofwel tijd genoeg om het allebei te doen. Trouwens, je kunt niet langer luisteren dan iemand vertelt, over zoiets kun je niet zelf beslissen hé.’

‘Soms snap ik school echt niet, mama’.

Ik ook niet, kindje, dacht ik, en ik beloofde haar dat ze met haar vader kon gaan, voor de tweede keer, en dat ze werkelijk elk nummer uit mocht luisteren.

Het is niet vingerwijzend bedoeld, ik weet hoe het is met juffen en tijd en administratie en richtlijnen en leerplannen, maar raas je niet voorbij aan de kern van wat onderwijs is, als het zelfs op een tentoonstelling niet lukt om kinderen de tijd te geven om de genieten, te luisteren en te kijken?

Ik ging met de kleinste langs, ze luisterde mee met mij en bemerkte glunderend dat de meneer in de telefoon in ‘mijn taal’ sprak. ‘Dat is leuk zeker, als iemand in een telefoon zomaar in jouw taal vertelt over een tekenaar?’ polste ze glunderend. Toen huppelde ze tussen de polaroids, legde me uit dat je veel moet zien om goed te kunnen tekenen en dook verder de tentoonstelling in.