Voorleesweekliefde

November 27th, 2014

Ze is net zeven.

Ze houdt wel van knuffels, maar niet van zoenen. Ze houdt minstens even veel van dieren als van mensen. Ze speelt het liefst alleen, dan kan ze een beetje nadenken over het boek dat ze de avond voordien las, en kan ze in haar hoofd een spel spelen, zonder dat ze iemand uitleg moet geven die niet luistert. Ze fronst als juf zegt dat dat gek is, alleen spelen, want ze weet toch zelf wel wat ze het liefst doet. Haar babyvet smolt weg en in de plek zijn lange smalle benen gekomen, een jeansbroek en een paar witte Nike-basketten die we van mijn vriendin kregen. ‘Er zijn kindjes die lachen omdat ik de schoenen van Marietje aandoe, maar ik ben net blij, mama. Raar voor iemand is niet altijd raar voor iemand anders hé, jij zegt dat ook, mama.’

Het kleutertje in mijn groot wijs kind is al lang compleet verdwenen en terwijl ik haar plat zou willen knuffelen, is zij van de voorzichtige aard, die weinig aanraking het fijnst vind, op een stevige hand na. Ze kust helemaal niet graag, en hoe hard ik haar zoenen ook mis, ik respecteer haar wensen zoveel mogelijk.

Maar als ik voorlees, ontdooit ze.

Ze luistert eerst van op afstand, komt dan naast me in de zetel zitten om te eindigen op mijn schoot, met haar hoofd in mijn nek en haar armen verstrengeld rond de mijne. Minutenlang zit ze bijna roerloos gelijk, op een nog stevigere omhelzing na.
Nog nooit hadden zij en ik zoveel lichamelijk contact de laatste jaren als daar in de zetel met een boek op mijn schoot terwijl ik aan het voorlezen ben.

Stel je voor dat ik dat niet zou doen, voorlezen. Dat ik geen tijd, geen zin, geen inspiratie en geen boeken zou hebben. Dat ze nooit zo harmonieus op mijn schoot zou genesteld liggen als wanneer ik een boek voorlees. Stel je voor dat ze niet op gaat in een andere wereld, die van betweterige prinsessen en vreselijke juffrouwen Bulstronk. Wat als ze niet naar adem kan happen als Mathilda glazen doet zweven en kritisch mee kan lezen als ik een woord verander omdat het te Nederlands is.

Als je een opvoeding herleidt naar de essentie, dan staat voorlezen bij mij in de toptien.

Of in de topvijf.

Freddy – Kracht III

November 22nd, 2014

Toen ik thuiskwam enkele weken geleden, kirden mijn drie dochters in de gang.

‘We hebben een dier, een duif en ze is nog jong en anders zou ze sterven.’

In de te kleine gang van ons te kleine huis stond een grote kartonnen doos, met daarin een duivejong met gele pluimen op zijn kop. Weinig dieren zijn zo lelijk als ze klein zijn, vind ik, hun buitenproportionaliteit werkt helemaal niet schattig.

Ik belde naar mijn lief, dat een beetje lachend en een beetje zuchtend zei: ‘ik kijk er deze avond wel eens naar.’
Ik belde ook naar mijn nonkel, die duivenmelker is, om te vragen wat wij begod met zo’n vogeljong moesten doen.
De buurman, wiens hersteld dak het jong herbergde, lachte en zei: ‘dat is lekker in de pot’ en toen draaide hij zich om en deed alsof het dier zijn zaak niet meer was.
De moeder van het duifje cirkelde wanhopig rond de daken en al mijn hormonen sloegen op hol, ik kon de pijn in haar hart waarlijks voelen, nu ze zomaar haar jong kwijt was.

Omdat, volgens mijn nonkel, de moeder pas terug zou keren als het rustig was, bond mijn lief de doos vast op de vensterbank, in de hoop dat de moeder haar jong zou komen voeden. We zetten water en muesli bij de duif en hoopten op het beste.

Toen werd het nat en de moeder kwam niet terug.

De duif werd binnengehaald en mocht nog even verder suffen op de nieuwe kamer waar we momenteel eindelijk bijna klaar zijn (op de vloer en het schilderwerk na). Af en toe vonden we ze naast de doos terug, en je wilt niet weten hoe de vloer eruitzag na enkele dagen. Op zaterdag trippelde ze tussen de tafel en de ladder door, blij dat Jan haar in zijn werkerskleren vervoegde, en blij dat ze muziek hoorde en niet alleen was.

Vorige week woensdag moest ik er schilderen en ik ben bang van fladderaars, dus de ladies plantten haar voor enkele uren op de vensterbank.

Even later tikte ze tegen het venster, draaide zich om en vloog weg.

Ik ga elke avond eens kijken, of ze toevallig niet nog eens langskomt, en Anouk zei ‘Oh Freddy toch’, toen ze hoorde dat hij er niet meer was. De kleintjes juichten dat hij niet was gestorven en voor Jan zullen de werkzaterdagen weer stiller zijn.

Freddy toch, Freddy Freddy Freddy.