Ruilen

September 24th, 2014

Ze staan op woensdagmiddag allebei aan de poort op school.

Terwijl ik even gemachtigd opzichter speel, zwaaien zij naar mij.
De ene gul, bijna overdreven, alsof haar arm er van blijheid bijna afvalt.
De andere summier, kort, met blinkende ogen en een vette knipoog in mijn richting en een ingenieus gebarenspel waarmee ze wil zeggen dat ze haar fiets al heeft klaargezet om straks te vertrekken.

Elke keer zwaai ik terug, steek ik een duim uit naar de fietsklaarzetter en gooi ik zoenen naar de kleinste.

Dan ga ik hen halen en vertrekken we samen naar huis, waar ze spelen, zeuren, vrienden zijn, honderduit babbelen en belangrijke zaken bespreken.

Je mag me veel afpakken. Een nieuwe winterjas heb ik niet nodig, en ik draag deze winter met plezier mijn winterschoenen van vorig jaar. Ik verlang niet naar verre reizen en ik voel me goed in mijn eeuwig-verbouwingshuis, met mijn piepkleine oude badkamer en gepleisterde muren die dringend geschilderd moeten worden. Ik vind het zelfs, hoe ouder ik word, fijner aan mijn eigen eettafel dan in de tralala van een restaurant. Dat mag je me dus allemaal afpakken, ik zal het niet eens doorhebben.

Maar die gouden blikken van mijn dochters, dat zalig contentement elke keer als ik de schoolpoort nader, wetende dat ik op woensdag alleen maar bij hen moet zijn, dat hou ik liever bij.

Als je mijn voordeur opendoet, wandel je naar rechts, tot op het eind van de straat.
Dan ga je opnieuw naar rechts en voor je het weet sta je aan de mooiste, rustigste, gezelligste bibliotheek van ons land.

Ik denk dat zelfs de grootste niet-lezer daar wordt verwarmd door goesting om te lezen, en de tafel met kranten en tijdschriften lonkt altijd als ik er voorbij passeer.
Voor de kindertjes is er een aparte afdeling, waar ze in één twee drie hun weg vinden, en waar mijn kleuter tonnen boeken haalt die ze allemaal wil lezen. Er is een gezellige plant, een hoekje om te zitten en wat ruimte om echt te spelen.

De dames die er werken kennen de kinderen uit de buurt en dat lijkt altijd een beetje op thuiskomen dan.

Op maandag is de bibliotheek open van 16u tot 19u, ideaal om na het avondeten verse boeken te gaan zoeken. Het is de perfecte afsluiter van de eerste werkdag, snoepen voor onze hoofden en het lijkt wel op een uitstap, als we met onze boekentas tot daar gaan.

Machtig vind ik ze, onze bibliotheek, zo dichtbij dat zelfs fietsen tot daar onnozel zou zijn. Ze is ruim, helder, rustig en vol boeken die wij zomaar allemaal mee naar huis mogen nemen.

Wat een weelde, wat een weelde.

Ons dametje had feest zaterdag. Ze was zeven, wou geen eerste communie en omdat ze momenteel schotsenscheve tanden heeft en haar lange haartjes wisselde voor een korte cowboycoupe, gaven we feest.

In volgorde van ontvangst maakte ze geschenken, enveloppes en doosjes open. Netjes op haar tempo, negerend dat er soms mensen stonden te wachten met een cadeau in hun handen. Dankuwel, hoorde ik haar af en toe zeggen, en ze verdronk in centjes, boeken, verkleedkleren en allerlei moois, meer dan zij in haar hele leven bij elkaar zag.

Van meneertje, een vriend van mijn mama, kreeg ze een brief. Een brief die ze langzaam, aandachtig, spellend las, met af en toe een blik naar mij en een gedachte in haar hoofd.

Ze zei ‘joepie, ik ben zo blij, we mogen naar de zee naar Roland als we willen en Simonne mag mee en ik denk oma ook en we gaan zeker niet naar tv kijken maar leuke dingen doen denk ik’ en legde de brief aan de kant.

Wat zijn sommige mensen toch bijzonder, dacht ik, dat hun aanwezigheid verlichtend werkt, hun onthechtheid zeer groot is en hun leven herleid tot de essentie van het bestaan. Niks tralala, leven to the point en vooral: voldaan zijn met wat er is, komt en geweest is. Geen complexiteit, geen voorwaarden, excuses of gezalf nodig, geen analyses die tot niets leiden en geen handleidingen die ik niet kan lezen of bochten waar ik hoegenaamd nog niet had bij stilgestaan.

‘Kind toch’, dacht ik jaloers, ‘wat zou ik graag zeven zijn en die uitnodiging krijgen. Wat zou ik bovendien graag in jouw hoofd logeren voor eventjes, waar alles eenduidig, strak en logisch is. Ik zou daar best wat willen blijven, in dat kopje van jou, zo met een dekentje en een tas koffie om me warm te houden en een boek om de tijd te doden. Terwijl ik daar dan toch zou zijn, zou ik je leren hoe het later moet. Hoe het later beter werkt, als je in de grotemensenwereld zult duiken, en rekening zult moeten houden met regels, karakters en voorwaarden. Hoe je het niet zult begrijpen, dat klotegedoe soms en hoe je zult fronsen en vragen hoe het komt dat alles altijd zo complex wordt gemaakt. Ik zal jou dat uitleggen dan, en ook zou ik je zeggen dat je je middelvinger klaarhoudt, voor als het nodig is, en dat ik daar aan de kant zal staan en eens zal knipogen als je hem bovenhaalt.’

Ik had haar dat alles willen zeggen, toen ze zaterdag in haar cowboykleedje rondliep, met een pannekoek met snoepjes op, maar ik wist dat alles altijd vanzelf komt, dat zij zelf wijzer is dan ik dat ben, dat haar middelvinger als een evidentie in haar hoofd zit zonder dat ze het zelf doorheeft en dat ze meer dan genoeg heeft aan zee-uitstappen in mooie brieven. Het is daar dat ze de knepen van het leven leert, de schone kant, de weidsheid van het denken en de kracht van oprechtheid.

Geen sterker wapen in het leven dan het geluk zulke mooie mensen in je leven te mogen verwelkomen.

Mijn lelijke keuken

September 22nd, 2014

Ik fluister het een beetje. En hopelijk kan mijn keuken niet lezen.

Ik heb de lelijkste keuken van de provincie.

Toen we ons huis kochten dacht ik ‘van zodra we weer een beetje hebben gespaard verander ik de keuken: een beetje verf, nieuwe kastdeuren, een ander gasfornuis en zeker een nieuwe oven’.

We zijn vijf jaar verder en er is al heel wat werk verzet in ons huis maar mijn keuken is nog altijd even lelijk als toen ik hem leerde kennen.
Ik mompel wel nog eens dat er dringend iets moet veranderen en dat ik eens een kleur zal kiezen voor de deuren en dat we eens een studie moeten doen over ovens, maar verder dan dat kom ik niet meer.

Stiekem ben ik zo hard van mijn keukentje beginnen houden dat elke verandering verraad zou zijn.

Vorige week zaterdag maakte ik geroosterde tomaten. Veel meer dan van ingewikkelde recepten, complexe bereidingen en duizend ingrediënten hou ik van geroosterde tomaten. Mijn oven, die een echte diesel is, haalt glorie uit zulke zaken. Tomaten die tijd krijgen om zo lekker te smaken dat zelfs degene die niet echt graag tomaten eet en passant wat pikt uit de pot die staat af te koelen.

Een deeltje ging mee naar mijn werk, in een doosje met wat pasta en wat kruiden. Heerlijk middagmaal.
Een ander deel ging de diepvries in, voor als ik heimwee heb naar geroosterde tomaten en de tijd niet vind om het te doen.
Nog een ander deel ging in de pompoensoep, die daardoor een het-is-het-einde-van-de-zomer-en-de-herfst-komt-eraan gevoel kreeg.
Het beste deel ging in de mond van al wie passeerde in de keuken.

Wat twee kilo tomaten met een mens kunnen doen.

Update: Om tomaten te roosteren heb ik gelezen in De Moestuin van Mme Zsazsa, pagina 199, In de keuken van Dorien.
Eerst de oven voorverwarmen op 200°C. Ik heb de tomaten gehalveerd en met de gesneden kant naar boven in een ovenschaal gelegd. Daarna heb ik die gekruid met wat ik in huis had: tijm, rozemarijn, look, ui, peper en zout. Vuistregel: hoe kleiner de tomaten, hoe minder lang in de oven. Die van mij zaten er 70 minuten in. Je krijgt rimpeltomaten, met stroperig sap dat héérlijk smaakt. Geprakt met een vork vind ik ze heerlijk, grof gemixt kun je er veel kanten mee op: pizza, toast, bij vis,…of verwerkt in soep of saus. Trouwens, als Dorien schrijft over eten heb ik al-tijd zin om te koken, al-tijd.

Vele hemels

September 10th, 2014

‘Ik geloof niet in de hemel’, poneerde ze stellig deze ochtend. ‘Ik heb daar een keer over nagedacht.’

De dag na haar zevende verjaardag en de dag nadat het zestien(!) jaar geleden is dat mijn zoon stierf, kwam ze tot een bijzonder inzicht.

‘Ik denk dat ik ook niet in God geloof.’

Ik zei niet veel, ik dronk koffie, waste druiven en maande haar aan voort te doen. Terwijl ze met een washandje haar voetjes waste, en daarna een plens water in haar gezichtje goot, ging ze verder.
‘Ik snap dat je wél in God gelooft, maar ik doe het niet.’

Ik maakte ondertussen boekentassen, propte fietstassen vol en legde helmen, fluovestjes en rugzakken klaar.

‘Ik weet waarom mensen in de hemel geloven, denk ik.’

‘Ah ja, waarom dan wel?’ vroeg ik mij af.

‘Omdat je dan kunt hopen dat je gestorven mensen terugziet na je dood. En ook: stel je voor dat je leven gewoon je leven is, dan is het lastiger dan als je God hebt. God is een beetje gelijk opa Roger, denk ik. Zo lief en zo grappig en zo iemand van wie je denkt dat hij goed voor je zal zorgen als het brandt of als je been gebroken is. Mijn been is nog nooit gebroken, en ik zat nog nooit in een brand, maar ik voel dat bij sommige mensen, hoe leuk ze zijn. En God is waarschijnlijk ook als opa Roger omdat hij niet alles begrijpt wat ik zeg, want ja, je hebt verschillende talen en die van opa is Westvlaams en die van mij Gents. Eel, zo denk ik dat God zou zijn als hij bestond, zo ongeveer. Ik ben het niet zeker, maar ik denk het.’

‘Grappig hé’, voegde ze eraan toe, ‘dat je kunt geloven in iets dat niet bestaat. Maar ik begrijp het wel. Joepie, vandaag mag ik trakteren met wafels in de klas, joepie.’

Toen deed ze haar helm aan, stapte op haar fiets en vroeg of het vandaag een halve of een ganse dag school was.

En ik dacht gewoon een beetje dat ik nog nooit zoiets helders over geloof had gehoord dan wat zij me deze ochtend vertelde.