Angie

June 29th, 2014

Sinds enkele weken hebben wij een dagelijks bezoekertje bij ons thuis.

Angie.

Met een poppenmand en een fiets stond ze in mei plots aan de deur, toen ze zag dat mijn kinders buiten aan het krijten waren.

‘Wat een mooie pop heb jij,’ zei ik, en hup, de toon was gezet. Binnen het kwartier wist ik waar ze woonde, dat ze zes jaar was en dat ze nog een zus en een broer had. Ze woont hier om de hoek en speelt graag buiten, het liefst met andere kinderen.

Nu komt ze vaak langs. Ze maken samen loombandjes, spelen in de straat en als de bel gaat, dan zegt iedereen in koor: ‘Angie’.

Ze heeft het minder gemakkelijk dan onze dametjes, dat is zeker. Dat hoor ik aan de verhalen die ze vertelt, en de verontwaardiging waarmee ze situaties uitlegt. Ik zie dat aan het late uur, waarop onze dochters al uren ronken, en ik haar tegen kom op straat, met haar fiets, gul als altijd.

Eergisteren kwam ze weer, en die van ons sliepen bijna, dus ze kon niet blijven spelen. ‘Kom, zet je even bij mij op de drempel’, vroeg ik haar en voor ik het wist zat ze dicht bij mij.
‘Wat heb jij veel vrienden’, zuchtte ik, want iedereen die haar kent is haar vriend en als ik naar haar blinkende ogen en haar joviale gezicht kijk, dan weet ik hoe het komt. ‘Ja’, zei ze, ‘bijna iedereen is mijn vriend. ik ben gelukkig, echt elke dag.’

Ze fietste weg, om de hoek, en ik keek haar na. ‘Voorzichtig’, wou ik roepen, maar eigenlijk heeft dat weinig zin. Angie, dat is een meisje van de andere kant van mijn dorp. Een kind met andere kansen, minder kansen en vluchtigere perspectieven dan dat gebroed van mij dat ligt te dromen. Angie is een vechterskind, een kind van de straat, een mensje met een dapper hart en honger naar de wereld. ‘Als iemand mij bijt, dan bijt ik terug’, riep ze daarnet nog luid, en toen ik verwees naar Suarez moest ze lachen dat het geen naam had.

Zo zit de wereld in elkaar.

Ik dank Angie voor de nederigheid die ze me leert, voor het besef dat oordelen zo gemakkelijk is, en dat de weg naar grootworden soms zo verdomd pijn kan doen. Ze toont me dat de wereld om op te vloeken is, en dat kinderen zo sterk kunnen zijn dat het zeer doet aan mijn hart. Ze geeft me ook hoop, dat sterk vechterskind, hoop door de kracht die ze uitstraalt en gulheid door de 3 droge worstjes die ze meebrengt ‘voor het apritief’. Mijn dametjes en mijn lief sloten haar ook al in het hart, en al voelen ze dat het leven anders is bij haar (‘Mag zij echt altijd op straat?’), ze stellen zich weinig vragen voor de rest. Ze zijn blij als ze komt, en ik hoor de kleinste bulderen van het lachen door de fratsen die Angie uithaalt.

Ik hoop dat mijn kindertjes dat kunnen later, de bril van evidenties en oordelen afnemen, en opletten met wat ze zeggen over kansarmoede, armoede in het algemeen en opvoeding in het bijzonder.