Love

March 29th, 2014

Ik heb nooit zo’n overweldigend gevoel van verliefdheid gehad als bij mijn eigen lief.

Smachtend, verrukkelijk, zoet en zuur en zilt tegelijk.

Mijn knieën knikten, mijn handen trilden en mijn hele lijf schreeuwde om het zijne.

Het is jaren geleden, en in enkele momenten roep ik het gevoel zo weer op.

Zijn bordeaux broek, zijn schoenen, en de eerste keer dat onze handen elkaar half toevallig aanraakten. De tinteling die door mijn lijf raasde. De nachten in bed, tot ‘s morgens, toen we nog rookten op onze kamer, begod, en amper sliepen. De onrust van dat nieuwe lijf, al die ontdekking, dat nieuwe.

Zoveel jaren. Zoveel nachten bij elkaar, waarin zijn warme lijf nog steeds dat van mij zoekt en we met een enkele matras voldoende zouden hebben.

Ik zag hem zitten deze ochtend, met zijn onderlijf aan, nog moe van de te korte nacht, maar toch vol contentement voor het weekend, de zon en de familie.

Ik dacht: we hebben iets te vieren maat, volgende week, dat we zoveel jaren samen zijn. Dat ik de smaak van de eerste spaghetti die hij voor mij maakte op mijn verjaardag nog steeds proef.

En dat er op de ganse wereld geen vent is die ik liever naast me heb dan de vader van mijn kinders.

Dat ik het leven zoveel draaglijker vind als ik hem zie ‘s avonds, en dat zijn kussen in de ochtend de allerbeste van mijn leven zijn.

<3

Altaar I – one year ago

March 22nd, 2014

En toen hadden wij plots een altaar.

Al een jaar hing er een plank tegen de muur, boven onze tafel. Er stonden foto’s op, knutselwerkjes en prullen die we te mooi vonden voor de vuilnisbak, en wat uitstel kregen op onze plank.

Toen ging Joeri dood. Een jaar geleden ongeveer.

En na een overweldigende, droevige, intense week, keerden we na de begrafenis terug naar Gent.
Jan ging onmiddellijk terug aan het werk, en ik zat met de kindertjes in de Paasvakantie, mijn verlof was al lang gepland, en ik zat thuis.

Voor de kleintjes leek het bijna alsof er niets was gebeurd. Ze keken tv, speelden en tekenden zoals ze altijd al deden, en als ik weende zeiden ze: ‘mama toch, je moet niet wenen’. Kous af. We zetten zijn doodsprentje op ons altaar, staken een kaarsje aan en fluisterden dat we hem misten, dat we hem verdomd zouden missen voor de rest van het leven.

Het leek toen soms alsof hij er nog was. Het leek alsof hij elk moment kon bellen, ‘Marietje’ zeggen en vragen of het paste als hij eens binnensprong. Zijn laatste oproep zat nog bij mijn ontvangen oproepen en hij had de nacht van zijn dood nog iets gezegd op Facebook. Het leek zo, maar het was niet zo.

Ik wist dat. En ik stak ‘s avonds nog maar een keer het kaarsje aan.

Ik wist dat het erger ging worden, eerst een roes, dan een hel, ook nog een verscheurende massa verdriet, die mondjesmaat naar boven komt, een mens buiten proporties trekt om plots, zomaar uit het niets, naar boven te komen als een draak uit een kerker. Zachtjes ook, dat verdriet, met een krop in mijn keel, elke dag op dat plein waar we af en toe samen sigaretten hadden gerookt. Die ene keer dat ik nietsvermoedend langs zijn kot liep en mijn hand in de pas moest duwen om niet op de bel te drukken, in de hoop dat hij daar zou staan. Of die keer dat ik bij mijn ganse schoonfamilie zat, en we allemaal niks zeiden, maar allemaal hetzelfde dachten.

Het altaar is zijn plaats geworden. Even was het leeg, toen onze dochter met Allerzielen over sterven leerde, en het prentje meenam naar de klas. Het leek toen alsof hij nog verder was dan in mijn hoofd.

Het is een warme plek geworden, het altaar. Mijn overleden grootvaders staan er vaak met hun foto, net als de kleine vaasjes die ik op ons trouwfeest kreeg. Er zijn altijd bloemen, echt altijd, en nu staat er ook een kartonnen hyacinth, gemaakt door de jongste dochter, speciaal voor ‘Joetje’. Er staat een blinkerpoes, en ook een sneeuwbol uit Londen, van Simonne. Soms liggen er stenen, of een parel en er staat een geweldig sappige dikke houten Boeddha, die lacht voor zijn leven en alles relativeert.

‘Wat een wussie ben jij toch’, denk ik vaak over mezelf, maar fuck, het altaar doet zijn werk. Het heelt en het sust, het biedt comfort en een klein beetje zekerheid. En troost. Oh wat een troost.

Ik zie ze vaak opduiken, altaren allerhande. Niet altijd voor troost, wel vaak. Soms voor een hond, of een overleden opa. Voor een kind dat gemist moet worden of een lief dat er niet meer is. Soms uit adoratie, of omwille van geloof. Vaak ontstaat het toevallig, of voor wat geluk, en altijd denk ik:
‘Ah maar zeg, wat is dat toch schoon hé’. Dat een mens wat zaken bij elkaar zet, en dat fijn vindt.
Ik zou al de verhalen willen opschrijven, al die schoonheid die vervat zit in een kleine -of grote – plek in je huis, gewoon omdat jij dat goed vindt. Daarom ben ik dus op zoek naar mensen die dat willen vertellen. Dat is niet simpel, want dat is intiem en soms houden mensen dat liever voor zich. Maar misschien ook soms niet, en willen ze dat wel eens vertellen. Of ze willen geen foto, maar wel een verhaal. Of zoiets. Moest je zo iemand zijn/kennen, dan zou ik daar blij mee zijn. Aan de mensen die al mailden: merci zeg. U hoort van mij! (mailen mag nog steeds: marie.sohier@telenet.be)

De foto van mijn altaar is van de hand van mijn coole maat Michael (http://www.michaelblanckaert.be), die altijd mails krijgt van mij met een nieuw idee erin, en hup, dan springt hij binnen en hij maakt schone foto’s. Coole maten, ik.

Op zoek

March 8th, 2014

Lezers,
Ik heb jullie hulp nodig.

Ik ben op zoek naar mensen die thuis een altaar hebben. Geen altaar voor God, maar gewoon een plek waar dingen staan die bij elkaar horen, en die daar staan om een bepaalde reden. Het kan een plankje zijn met foto’s, een plek met kaarsen en doodsantjes, een speciaal plekje in je huis.

Moesten jullie ook maar iemand kennen die het zou zien zitten dat aan mij te tonen, zouden jullie dat willen vragen? Het hoeft helemaal niet stylish te zijn, zo lang het maar betekenis heeft voor de persoon bij wie het hoort.

Jullie kunnen me bereiken op marie.sohier@telenet.be.

Danku, dankuwel.

(Ik zal later uitleggen wat ik ermee zal doen)