Taalbeschouwing

January 29th, 2014

‘Wat is een klinker, mama?’

Ze is zes en zo erg geboeid door taal dat ik een verwant heb gevonden in mijn eigen huis. Eéntje die ‘s avonds te lang leest in bed en uitkijkt naar in de zetel zitten met haar boek.
Na een half jaar leesonderwijs leest ze bijna alles, een echte droom. Niks oefenen en niks saaie nietzeggende woorden lezen: gewoon lezen. Ze corrigeert zichzelf als ze open lettergrepen bespeurt en heeft met tweeklanken, Engelse woorden en woorden van zestien letters geen moeite. Hakken en plakken doet ze enkel nog in haar hoofd en moest er een model bestaan voor de manier waarop iemand zichzelf, met wat sturing van de juf, leert lezen, dan zou zij het model kunnen zijn.

Zo wonderbaarlijk, jong, ik gaf zelf ooit les in het eerste leerjaar en ik weet verdomd hoe moeilijk de automatisatie kan verlopen. Hoeveel hoop er rust op de schoudertjes van zesjarige kleutertjes, die in een paar maanden zoveel moeten kunnen, leren en doen dat het bijna onmogelijk is.
Ik kijk naar haar vriendin, die op woensdag soms eens bij ons komt, en een karakter heeft dat haaks staat op dat van onze middelste dochter: een vechterskind, zonder angst, dat graag dingen doet en huiswerk vreselijk vindt. Onze gereserveerde rustige plichtsbewuste dame en haar vriendin die alles is wat zij niet is. En hoe sterk ze elkaar aanvullen, en vol bewondering naar elkaar kijken.

‘Wat zou ik graag kunnen fietsen zoals haar’, zucht Clarisse als haar vriendin voor de vierde keer de stoep optjokt en een sliding van jewelste maakt.

‘Ik noem klinkers liever klankers, omdat ze een klank maken.’

Ik knik gewoon een beetje als ze zulke dingen besluit, want ik heb daar weinig aan toe te voegen.

Ze vraagt wat ‘m’ dan is, en ik zeg ‘een medeklinker’.

Dan begint ze.
‘Ik weet hoe het komt dat er een verschil is tussen klankers en medeklankers, ah ja. Ik heb daar al over nagedacht. Klankers maken klank en kunnen ook veranderen. Ze kunnen kort klinken, en ook lang, zoals a en aa en o en oo. Medeklankers niet, die blijven zoals ze zijn. Alleen spreek je ze soms anders uit, want c kan k zijn, zoals in mijn naam. Vreemd, dat boom hetzelfde klinkt als bomen en toch schrijf je dat anders. Kijk maar (en ze wijst naar een parkeerbord waar ZONE opstaat)dat is hetzelfde bij zon, simonne en zone. Allemaal o en toch spreek je dat anders uit. Het heeft met letterstukjes te maken, denk ik, ik hoor dat als ik klap.’

We waren gewoon te voet onderweg naar school, en Simonne fantaseerde over de macaroni met kaas die ze ‘s avonds zou eten.

Wat zit er toch allemaal in dat kleine hoofdje van haar, dacht ik vertederd en voor het eerst in lange tijd wist ik dat er iemand blij zou zijn met de kostbare boeken die ik door de jaren bijeen sprokkelde en die netjes in dozen staan te wachten op de zolder.

Op iemand die net zoveel van woorden houdt.

Stoner

January 26th, 2014

Ooit was ik een lezer.
Een lezer van de gemakkelijkste soort.
Gaf mij wat letters en ik was weg.

Toen we één kind hadden las ik nog steeds veel. Minder bezeten, maar toch. En toen las ik verhalen voor. Avonden na elkaar. Voor de peuter die ze was, toen voor de kleuter en toen ze acht werd zei ze ‘nu wil ik zelf lezen’ en mijn hart brak in twee. Er kwam een einde aan een tijdperk van gigantisch veel verhalen, fantasie en avonturen uit mijn hoofd. Er kwamen boeken voor haar in ons huis, en als ik wet centjes had ging ik naar de Slegte waar ik af en toe pareltjes vond. Ik las ontzettend veel over kinderliteratuur en leerde Bart Moeyaert als schrijver appreciëren. Ze kreeg een eigen bibliotheekje, dat dametje, en soms kon ze snuffelend zoeken naar het boek waar ze zin in had.

Maar toen studeerde ik ook nog, en mijn studieboeken haalden het op mooie zaken en ik las zoveel minder dan vroeger. En ik had er geen erg in.

Toen kwam er een dochtertje bij, dat als baby op mijn schoot lag en aan wie ik rustige, lange, trieste verhalen vertelde. Ik maakte ook veel grappen, want van al mijn kindertjes houdt zij het meest van blijheid in verhalen. Eind goed, al goed, en weinig dubbelzinnigheid.

Terwijl ik voorlas voor de kleuter kwam er nog een dochtertje bij en gauw kropen er twee kleine dametjes op mijn schoot. Ik vertelde honderd keer hetzelfde verhaal, haalde de bibliotheek van de oudste er weer bij, en daar gingen we weer. Verhalen op weg naar school uit mijn hoofd, verhalen uit boekjes op bed.

Ik las steeds minder: te moe, te druk, naaiwerk, op stap, te moe, teveel pijn, je kent dat wel.
En ik had voornemens om te lezen, maar het kwam er maar niet van.

Ik kan dat namelijk niet, een beetje lezen.
Ik kan geen kwartier lezen voor ik in slaap val.
Ik lees een nacht. Ik kook weinig als ik lees, ik schuif alle huishoudwerk voor me uit en kom overal te laat. Ik lees en dan is er weinig anders dat ik doe.
Dus daarom las ik niet.

En toen werd ik verdrietig. Heel erg verdrietig en verward en ik had teveel pijn om op te noemen.

Toen kreeg ik een boek.
Een boek van Isabel, mijn nichtje die bijna beter weet dan mezelf wat ik graag lees.

Ik las Stoner (J.Williams).

Ik las en ik snoepte tijd. Op het toilet. Onder een dekentje in de zetel, op zaterdagochtend op 5.45u. Met een tas koffie die mijn lief voorzichtig bracht, precies alsof hij me niet wou storen. Ik las met dochters dicht bij mij, die ik omkocht met haverkoekjes en ‘als-je-nu-stil-bent-en-mij-laat-lezen-dan-vertel-ik-vanavond-beloofd-een-verhaal-van-Tiny’.
Je wilt niet weten hoe erg ik Tiny verfoei, en die vreselijk saaie levensloze verhalen waarin ze voorkomt.

Ik spaarde het op, mijn boek, en tikte mezelf op de vingers toen ik stiekem toch één bladzijde verder las dan afgesproken.

Vanavond las ik het uit.

Terwijl de rest van mijn menage lag te ronken of naar de voetbal was.

Omdat het meer verdiende dan uitgelezen te worden tussen de soep en de patatten.
Het verdiende tijd. En rust. En al zeker geen huishouden dat wacht.

En dankzij Isabel liggen er al 3 verse boeken klaar.

Dat belooft.

Over Afrika

January 26th, 2014

‘In Afrika hebben ze niks’.

Ze zei het plechtig, enkele weken geleden, met gekruiste armpjes en een bloedserieus gezicht.

‘Ze zijn daar blij met één iets, iets oud van ons dan nog.’

Dit weekend kwamen de stiftjes van de Damiaanactie en hup, daar was ze weer.
Een uur lang zat ze nauwgezet te kleuren met het zwarte stiftje.
‘Als wij met die stiftjes kleuren dan krijgen de mensen in Afrika meer centen.’

Ahum, dacht ik bij mezelf, ahum.

Het is nu niet dat een vierjarige de Afrika-problematiek moet kennen, maar die torenhoge denigrerende clichés hoeven nu toch ook niet.

Hoe gaat dat eigenlijk, in zo’n kinderhoofdje?

Het heeft iets koloniaals, haar visie op de rest van de wereld, en in één zin vat zij een compleet verkeerd wereldbeeld samen, dat ze in de 4 jaar leven heeft opgebouwd. Eskimo’s leven in iglo’s en eten rauwe vis, zoiets.

Maar hoe komt dat toch? Door de oudspeelgoed-inzamelactie op school? Door stellingen die ze oppikt en simplifieert(er zijn zelfs kindjes die nooit spruitjes zullen kunnen eten, bijvoorbeeld)? Doordat de wereld te complex is en het simpeler is die zwart-wit op te vatten.

Ik weet het niet.

Ik heb haar wel verteld over mijn grote liefde voor Afrika, de ontroerend mooie natuur, de mooiste mensen van de wereld die net daar wonen en de rijkdom die het ooit had.

Ze keek met begrip, met medelijden en knikte zoals de negerspaarpotjes van vroeger.
‘Ocharme Afrika’, zag ik haar denken.

En toch.
Er moet toch een manier bestaan om een eerlijker wereldbeeld aan mijn kinderen te geven, zonder dat ze van gruwel zijn doordrenkt.

Wat denken jullie?

Eten voor 3 euro per dag

January 16th, 2014

Ga eens lezen bij Jonge Sla (http://jongesla.com/2013/11/30/eten-voor-3-euro-per-dag/)

 

Kent u hespenworst?

 

Ik wel. En ik heb er een haatliefde-verhouding mee.

Als ik de boterhammen van mijn dametjes beleg met die roze ronde sneetjes, weet ik nooit of ik blij moet zijn, of verdrietig.

Ooit, in een ver verleden, tijdens een koude koude arme winter was hespenworst mijn redding.

Samen met wit toastbrood uit de Aldi.

Het maandbudget voor eten was even krap als het budget waar Dorien nu mee kookt. De witte boterhammen met een dikke laag boter en een half sneetje hespenworst: de hemel op aarde. Als ik nu, jaren later, mijn ogen sluit kan ik de smaak zo weer oproepen. Gezouten boter, een beetje gesmolten door het warme brood, en dan de nog vettere zoute smaak van het plastieken vlees. Heerlijk was het, ware luxe die andere zorgen deed vergeten.

Ik las op dat moment veel (dat kostte zelfs geen geld) en ik sprokkelde kranten en tijdschriften om te weten hoe het met de wereld zat. Ik kookte altijd zelf, en we aten meerdere malen per week spaghetti want spaghetti was voedzaam en lekker en kostte, als je wat uitkeek, weinig geld. Ik wist een beetje hoe de wereld in elkaar zat, dacht ik, en ik zag zoveel onrecht dat mijn buik wel elke dag een keer pijn deed.

Maar het was krabben. Het was een emotioneel mokerslagjaar, dat schooljaar van 1998. Ik had andere zaken aan mijn hoofd dat de samenstelling van een vuile worst uit de goedkope supermarkt. Ik was erg bezig met voeding, dat wel, want krapheid brengt creativiteit met zich mee, en zelfs al hadden we niets, we hadden vaak volk over de vloer en ik had vrienden  die boomstammetjes, pasta en erwtjes en worteltjes uit blik kookten, en dat was, net zoals de worst, de hemel op aarde.

 

Nu denk ik anders over hespenworst. Ik denk vooral over hoeveel vet erin zit, en welke vuile smaakversterkers, zouten en kleurstoffen er in dat nepvlees worden gedraaid. Want eerlijk: zeggen dat je het allemaal niet wil weten, dat is zowat de grootste dooddoener die ik ooit heb gehoord.

 

Maar wat de grootste les is uit het haar 1998, dat is het verschil dat ik altijd opmerkte.

Het verschil in hoe je denkt, doet en eet als je geen geld hebt en hoe je eet, doet en denkt als je wel geld hebt.

Tussen de twee toestanden ligt een ravijn.

En de brug van de ene kant naar de andere kant is kapot.

Het leven vergt al zoveel courage op zich dat goedkope hamburgers, frieten en roze saucisson lokken. 20 frikandellen voor minder dan 100 Belgische frank met een stokbrood van de Turk: een andere hemel op aarde die ik ook toen ontdekte.

En toch.

Als ik nu lees bij Dorien, dan krijg ik water in mijn mond, en denk ik: had ik toen de tijd en de kracht gehad om te surfen (en het geld voor het abonnement), te lezen en meer na te denken, dan had ik anders gekookt. Dan had ik kilo’s ajuinen gekocht om het hoekje, en zou ik eieren gekookt, gebakken en gepocheerd hebben dat mijn honger ervan afhing. Ik zou de verlepte groenten die in bakjes op het hoekje van de straat stonden omdat niemand in de winkel ze nog wou, verwerkt hebben tot bouillons, en ik zou die aangevuld hebben met juliennegroenten uit de diepvries van de Delhaize. Een gezonde geest in een gezond lichaam: een groter cliché kan niet worden gevonden.

Maar het klopt wel een beetje.

Gezond(er) kunnen eten, en lekkerder ook, als je geen geld hebt: het is zo erg de moeite waard. In mijn hoofd zie ik mezelf in een klein keukentje in een groot appartement waar je zelf niet echt zou willen wonen, maar waar ik samen met de mensen van daar soep maak. Het liefst met linzen en bouillon, omwille van de voedingswaarde en de winterse gezelligheid.

Het is de lijn tussen belerend willen zijn en oprecht onderzoeken of je met weinig geld echt goed kan eten. Het is een wankele lijn, en ik vind dat Dorien dat als de beste kan.

En ik zou in ’98 precies hetzelfde gevonden hebben.

 

 

Mevrouwtje Wimpala

January 15th, 2014

Het regende gisterochtend.
We sakkerden een beetje omdat we er te voet door moesten en omdat het nog donker was.

Plots zat er een verhaal in mijn hoofd. Over een mevrouwtje dat wél van de regen hield, en de dorpsgenoten moest helpen toen het 102 dagen niet meer had geregend.
Ze stapten zo dapper, mijn dametjes, dat het op vliegen leek.

Toen we op school kwamen beloofde ik om ‘s avonds verder te vertellen.

Het was van allebei het eerste dat ze vroegen toen ze mij zagen op school: ‘Mama, ga je nu please verder vertellen please?’
Ik vertelde verder, we verzonnen een echt regenlied en net toen we onze straat in wandelden was het verhaal gedaan.

Ze hebben niet eens beseft dat ze moesten stappen en dat we het al twee weken helemaal compleet zonder buggy als reserve voor moeie beentjes doen (want die is kapot en er komt geen nieuwe).

Wat zou mijn leven geamputeerd zijn zonder de dagelijkse wandelingen met mijn kroost.
Geen ‘opgelet, remmen, fiets nu door, ja stop, let op, auto’s kunnen gevaarlijk zijn, kijk voor je, let op’.
Gewoon maar af en toe ‘hup treuzelmeid doe voort’.
Door de luxueuze positie die ik heb: huis school en werk liggen dicht bij elkaar.

Het is zo dat ze zeuren als ik zeg dat we een enkele keer met de auto gaan en de kleinste die kan dan zo smekend kijken en prevelen dat ze zo graag te voet gaat om gezellig te doen.

Gouden tijden, jong.