Armoede

June 25th, 2013

We stonden samen aan de tafel en deelden chocomelkjes uit, om het einde van het jaar te vieren. Elk kind op school kreeg er één.

De sfeer was goed, er was wat heen en weer geloop en alle kinderen waren uitgelaten omdat de Kerstvakantie aan de deur stond.

De kinderen passeerden eerst bij ons, en later gooiden ze hun lege brikje in de grote blauwe container die ook op de speelplaats stond. Organisatie, gezelligheid, veel warmte en een hoop kinderen, dicht bij elkaar.

Plots stond er een klein jongetje aan de tafel, met donkere ogen en een veel te grote jas. Hij zei niks, nam gretig de chocomelk aan en dronk hem in één keer leeg. Ik zag hem een minuut later naar de container gaan, om zijn leeg brikje weg te gooien. Hij keek achterom en onze blikken kruisten elkaar.

Een lange rij kinderen kwam langs, we gingen op in de drukte van het gebeuren en plots stond hij daar opnieuw. Zijn donkere ogen, zijn veel te grote jas. Ik gaf hem een tweede chocomelk en deed zonder erg door. Er stonden zeker nog dertig kinderen in de rij, en ze hadden allemaal dorst.

‘Heb je dat gezien, zo’n schooiertje’, hoorde ik vlak achter mij, ‘zo twee keer komen om een chocomelkje en denken dat wij dat niet doorhebben. Tsss.’

Het was niet gemeen bedoeld, allerminst, het is lang geleden en het leek alsof het eruit was voor iemand er erg in had.

 

 

 

 

Zolang zulke reacties bestaan zal armoede gestigmatiseerd worden.

Zolang mensen op die manier reageren zullen armen aan het kortste eind trekken.

Zolang mensen bepaalde vormen van overleven zullen blijven beschouwen als één grote pot profitariaat zonder nuance, zolang zal het altijd de schuld zijn van de arme dat hij in armoede leeft.

Zolang ouders van kinderen met wie mijn kinderen opgroeien in een dergelijk wereldbeeld leven, zal armoede van tafel worden geveegd op vergaderingen op scholen, aan keukentafels en aan de schoolpoort.

Zolang mensen die het wel goed hebben zeggen dat armoede een keuze is, zullen vijfjarigen met een halve euro aan de rok van de juf hangen, in de hoop dat ze met dat geld ook een klasfoto kunnen hebben, zoals het een evidentie is voor de rest van de klas.

Zolang zal dat altijd zo zijn.

En zoals Celia Ledoux eindigt: ‘Ik voel nog steeds fantoompijn van mijn al zo lang onbestaande handicap. Maar uw handicap is groter. U beseft niet eens uw eigen luxe.’

geluk

June 20th, 2013

Wij hebben iemand heel erg dierbaars heel dicht bij ons die ontzettend veel geluk nodig heeft nu.

Deze ochtend waren mijn dochters heel serieus.

‘Laten we vanavond een geluksdoos maken’, fluisterden ze samenzweerderig.

‘Met tekeningen en koekjes en een gelukspopje en zo’n klein blinkerpoesje dat zwaait en koekjes en een bloemetje vanop de koer en koekjes en een klavertjesvier en een tand van een poes (die wij niet hebben) en koekjes en tekeningen en nog veel koekjes. Laten we een echte mooie doos maken, en die versieren en vol spullen stoppen, zoals koekjes.’ Het initiatief kwam geheel van hun kant, ik stond daar maar een beetje, zoals ik daar vaak een beetje sta de laatste maanden.

Ik keek naar mijn dames en dacht: ‘wat begrijpen jullie goed dat we geluk moeten sturen. Geluk als in courage en moed en chance. Geluk in een doosje, vol koekjes en prullen waar een mens anders al eens aan voorbijloopt in de drukte van het leven.’

‘wat begrijpen jullie goed hoeveel geluk er nu nodig is.’

Gemis

June 7th, 2013

Ik had mijn trouwboekje nodig.

Ik zag zijn naam, hij was mijn getuige, en ik kreeg een mokerslag hoogste klas toen ik zijn naam zag staan.

Ik dacht terug aan de evidentie waarmee hij in ons leven was, het gemak waarmee hij me opbelde om te zeggen dat hij ’s avonds nog eens langs zou komen met Tine. Zijn #trots op mijn facebookstatus toen Anouk een goed rapport had, de avond voor hij stierf. Zijn telefoonnummer in mijn gsm, ik krijg het niet over mijn hart het te wissen.  Kryptonite op de radio. Zijn schone vriendin aan mijn tafel. Het fotoboek dat Evi maakte toen hij al gestorven was. Zijn maat tegenkomen op Iron Muide in de Fnac. Dromen dat hij wel weer leefde en dan wakker worden. Het geboortekaartje dat hij maakte en de hilarische anekdote die daaraan is verbonden en voor eeuwig in mijn hoofd zit. De sigaretten die we samen rookten op het Sint-Pietersplein en op zijn kot. Zijn kot waar ik zoveel passeer. Zijn mails in mijn mailbox, zijn bezorgdheid toen we samen uitgingen. Mijn gezaag over irrationele zorgen en zijn geruststellende en relativerende antwoorden. Hoe ik hem onnoemelijk veel zal missen op Kerstmis, en hoe ik zal speuren naar hem op de Gentse Feesten, om samen een Irish Coffee te drinken terwijl we samen op de stoep zitten. Zijn happiness, zijn gulle gulle gulle manier van leven. De zwier waarmee hij de deur opendeed bij mijn schoonmama, en hoe hij daarmee altijd zorgde voor zoveel contentement in ons leven.

Mijn lief die naar Bob Dylan luistert en de scherpe pijn als ik hoor ‘he was a friend of mine’.

Zijn dood  heeft een krater van jewelste geslagen in mijn hart. Zo diep en zo moordend en zo pijnlijk, met stekende tranen achter mijn ogen, rauwe hartenpijn en een knagend zeurend vloekend gemis dat eens zoveel pijn doet nu de zon schijnt en het leven lichter lijkt.