Heldenvriendinnen

February 24th, 2013

Ik heb twee heldenvriendinnen.

De ene zit in Argentinië, trekt de mooiste foto’s en bezorgt me duizelingwekkende ervaringen als ik naar haar watervallenfoto’s kijk.

De andere vertrekt voor een jaar met haar fantastisch lief naar Frankrijk, waar ze een huis zullen huren en van daaruit zullen werken. Of ze ooit terugkomen is nog maar de vraag.

 

Ik heb zoveel bewondering voor hen.

Voor de durf die ze hebben, de roekeloosheid waar ze nood aan hebben en de joie de vivre die ze uitstralen.

 

Mijn hart steekt een beetje, van gemis deze keer, en ik denk met heimwee terug aan de laatste keren dat we alleen waren en bijkletsten. Taartjes en cava en veel veel liefde.

Ze kennen elkaar niet, denk ik, maar ze liggen allebei op de bovenste plank in mijn hart. Netjes naast elkaar, met hun avontuurlijke manieren en immense positiviteit.

 

Go, ladies, go go go.

Jullie thuisblijfvriendin groet jullie.

En het sneeuwt hier.

Het is maar dat jullie het weten.

De bakker van de markt

February 24th, 2013

Ik ga op zondag naar de markt.

Ik koop altijd brood bij dezelfde bakker, die met het lelijke kraam, de veel te grote koffiekoeken en het lekkere notenbrood.

De bakker is vermagerd. Zijn handen zijn te groot voor zijn lijf geworden.

Hij maakt arbeid noest. Hij werkt in stilte altijd door, en enige aimabiliteit is hem op het eerste zicht vreemd.

Ik hou van de bakker.

Ik hou van zijn tevredenheid als je duidelijk zegt wat je wilt: ‘drie grote gesneden broden’. Hij lacht niet, dan, maar in zijn ogen zie ik het contentement.

Honderd keer per dag dezelfde vraag moeten stellen (groot of klein? gesneden?): ik zou er kribbig van worden, en afgestompt.

Hij ziet er soms zo moe uit, en ik zou hem eens willen vragen hoe het echt met hem gaat. Ik wacht op het moment waarop ik ooit eens alleen met hem zal zijn.

Zijn vrouw, een Aziatische die een Vlaamse tongval heeft, is al een tijd niet meer mee.

Vroeger deden ze het samen, dezelfde vragen stellen, de broden snijden en de koeken tellen.

Nu zie ik haar niet meer.

Ik denk soms dat ze ziek is, en dat hij daarom zo mager is geworden. Ik twijfel soms of ik niet een paar uur broden zou snijden, samen met hem. Misschien hebben ze net een kleinkind, en moet ze op zondag voor het gebroed zorgen. Dat komt hij thuis, uren later, met de koude van de markt in zijn kleren, en zit zijn kleindochter op zijn schoot. Dan maakt zij koffie en eet hij de overgebleven koeken van het kraam op. Misschien is ze weg, naar warmere oorden, met de heimwee van het thuisland in haar lijf.

Ik zou hem willen vragen hoe het met haar gaat, en of alles met hen nog in orde is.

Ik doe het niet, en eet zijn brood, dat hemels smaakt met verse boter en een tas koffie erbij.

Hij heeft er geen gedacht van, van hoe hij in mijn hoofd rondspookt.

 

Soms

February 21st, 2013

‘Alles goed’, zei de juf, ‘maar ze is alleen een beetje traag.’

 

‘Dat klopt’, antwoordde ik, en mijn hoofd knikte vanbinnen even heel hard mee.

 

Ze is traag in veel dingen die ze doet.

 

Althans, zo lijkt het meer dan het in werkelijkheid is. Zij doet gewoon altijd op haar eigen tempo voort.

 

Ik heb het gemak dat ik haar door en door ken, en een gelijkaardig exemplaar naast mij in bed liggen heb.

 

Zij twee zijn traag, wij drie (dat zijn de andere twee dochters en ik) zijn vlugger.

Zij zijn zeer ordelijk, en weten van aanpakken. Wij zijn de chaos zelf, storten ons in avonturen en denken pas na achteraf.

 

Zij eten ontzettend graag spruiten en kolen en ze liggen gelijk als ze slapen. Het zijn ook de ranken van ons huis, de vader en de middelste dochter.

 

Ze denken eerst, en zeggen het dan. Wij hebben het al lang gezegd, en beseffen dan pas dat nadenken soms goud waard is.

 

Zij zijn niet van die soort dat je in hun wangen zou knijpen, of in hun billen zou bijten, zoals met dat kleinste dotje van ons huis. Want die zou je gewoon zomaar, met wat slagroom, op willen eten. In één keer.

 

Zij hebben fronsen, en ze zijn zelfzeker en weten van zichzelf heel goed waar ze staan. Zij tobben weinig en piekeren zo goed als niet, wij liggen soms wakker, de oudste dochter en ik, en wij malen soms stomme spinsels in ons hoofd.

 

De precisie waarmee Clarisse de letters van het alfabet overtekent, woorden zoekt, sommen probeert op te lossen: ik ben er stikjaloers van.

Net als wanneer ze tekent, en krullen op een blad zet.

Of die ene spaarzame zoen die ik ’s avonds van haar krijg, hij kruipt in mijn hart, net als de kwijlende duizenden kussen per dag die de kleinste me schenkt.

 

Ik hoop stiekem dat ze haar traagheid bewaart. Ik hoop dat ze hem afdwingt, onwrikbaar blijft en nooit zal hollen als ik voor de honderdste keer roep ‘stap nu toch eens door, potvolkoffie’. Ze doet het niet, nooit, en ze blijft rustig op haar eigen tempo voortwandelen. Ze maakt er zelfs geen woorden aan vuil. Ik kijk naar haar en weet zomaar waarom ik op die schone mens van naast mij in bed ben gevallen als een blok, indertijd. Ik voel dat nog elke dag, na al die jaren. Ook als ik op de zolder naar de trage, doch precieuse verbouwingen ga kijken. Traag, maar oh zo perfect.

 

Ik wou dat allemaal zeggen aan de juf, deze ochtend, toen ik hoorde hoe traag ze haar jas aandoet, en hoe dat niet verbetert.

 

Ik heb de dochter gewoon een zoen gegeven, een aai over haar bol, en ben glimlachend weggewandeld.

 

Soms is het beter om eerst na te denken.

 

 

Dat heb ik ook van hen geleerd.

Stomme fietser

February 20th, 2013

* aan de klojo die het fietsslot van mijn dochters fiets kapot heeft gemaakt *

 

Ik ben zo kwaad op jou.

We zijn aan het verbouwen, we hebben sowieso al weinig plaats, en mijn dochter en ik fietsen en stappen in plaats van te rijden met de auto.

Ik vind het niet grappig dat je zomaar beslist om te proberen onze fiets te stelen, ik word daar zo moe van, van fietsdieven.

Als je aan de deur belt bij ons, omdat je dringend een fiets nodig hebt, dan zou je die zo meekrijgen.

Echt.

Ik zou zelfs een tasje koffie maken voor jou, en als ik kon, ik breide je op dat moment een paar handschoenen tegen de kou.

Je zou onze fiets zelfs een dag of twee mogen houden, net zolang als je hem nodig hebt, gewoon omdat wij zo zijn.

Ik zou zelf liever 3 uur wandelen dan de fiets te gebruiken van een ander.

 

Ik zal het daarop houden.

Ik ben niet zo zielig als jij.

En weet je, jij en ik, we zijn allebei fietsers, dat is nog het gekste van allemaal.

 

Loulou et le Jura

February 20th, 2013

Ik heb een meisje leren kennen vorig jaar.

Ze heet Louise, woont in een uithoek in de Franse Westhoek, en we mailen met elkaar.

Ze studeert in de Jura, mijlenver van haar thuis.

In juli keert ze definitief terug naar haar niemansland en zien we elkaar terug.

 

Ik ben nu al compleet weg van haar.

 

 

 

 

Slakje

February 13th, 2013

Ik was savooi aan het snijden in het weekend.

‘Kom, kom, kom, kindertjes, vlug’, zei ik fluisterend.

Fluisteren helpt als ik ze echt wil roepen.

‘Er leeft iets in de kool. Iets echts. Het beweegt en het maakt gaatjes in het koolblad, kijk.’

Ik hield een groot donkergroen blad omhoog, en het leek of er een perforator tekeer was gegaan.

‘Wie eet hier alle kool op, potvolkoffie?’, speelde de kleinste misnoegd.

Ze plakten alledrie aan de keukenkast, dicht bij mij, aan het wachten op de Ontdekking van de Dag.

‘Als jullie heel stil zijn, maar dan ook héél erg stil, zal ik hem eens even roepen.’

Complete stilte.

(Had ik maar altijd slakken als troef)

Net op het moment dat je niks kon horen, kwam hij tevoorschijn: Mister Slak.

Een klein slijmerig bolletje, dat om te pronken zijn voelsprietjes uitstak toen acht ogen op hem gericht waren.

 

Wat een feest en wat een gejoel was me dat.

We maakten een nestje, met de hardste savooibladeren, en we sprenkelden wat water over zijn nieuwe huis, als een douche, of een waterval of een echte regenbui. Onmiddellijk kleide Clarisse een gigantische huisjesslak. ‘Een mama, voor ons klein nieuw vriendje, ‘want stel je eens voor dat jij helemaal alleen tussen savooi zou wonen en je mama zou verdwenen zijn’.

Hij leeft nog, in de groeven van de taaie bladeren en ik vrees dat hijnog nooit zoveel douches, regenbuien en watervallen heeft meegemaakt in zijn hele bestaan. Ik denk dat je ongeveer van een zwembad kunt spreken nu.

Maar toen ik zag hoe liefdevol en hoe precieus zij omgingen met dat slijmerig ambetanterikje, dat meestal door iedereen wordt verguisd en bespoten, was ik toch een beetje blij.

Wie het kleine niet eert, kan nooit of te nimmer leren hoe het met de groten moet.

 

 

Mijn vriendin zit aan de andere kant van de wereld.

Ze schrijft verhalen over watervallen en busreizen van 20 uur, en ik zit op mijn stoel in mijn pyama en hou mij vast aan mijn tafel als ik naar haar watervallen kijk.

Ik heb al honderd brieven gestart aan haar, maar ik verval altijd in bezorgdheid.

Dus ik wis alles en herbegin.

Ik ben een watje.

Zij is een held.

 

All so quiet

February 4th, 2013

De kleintjes liggen in bed.

De grote zit aan tafel met haar vader. Hij kuist groenten voor morgenavond en helpt met haar huiswerk. Zij is waarschijnlijk blij, want hij heeft meer geduld dan ik.

Ik gaf de kleintjes net een zoen, haalde de vader nog even naar beneden want ze willen altijd nog een zoen van hem. Ook na drie keer op en neer de trap.

Ik lig op bed want ik heb nog altijd rugpijn en bovendien tolt mijn hoofd en kriebelt mijn keel en is mijn warmwaterkruik veel te aantrekkelijk om er niet bij te liggen. Ik wil bovendien wat schrijven en dat lukt bijzonder goed op bed, als ik alleen ben.

Er is niks speciaals aan vanavond, het is maandagavond en ik hoor de muziek van mijn lief en de felste van de drie die weer vecht tegen de slaap.

‘Het is hier rustig, keppe’, fluistert mijn lief en ik ben altijd blij met rust, al was het maar omdat ik weet hoe fel hij van rust geniet.

Het is de gewoonste maandagavond, en ik ben zo blij dat hij bestaat.