Fuck you

January 31st, 2013

Ken je dat, van die dagen?

Die dagen dat je het liefst je middelvinger wilt opsteken?

Ik wel, ik ken die dagen goed, veel meer dan je vermoedt.

Ik schrijf dat hier niet vaak.

Zoals Mieke zei vorige week: ‘Dan schrijf je ook eens over de andere kant van ons leven.’

Ze had gelijk, ze heeft vaak gelijk, Mieke. Ik ben blij dat ik haar ken.

Ik heb deze week het schoonste en het lelijkste van de mens gezien, allemaal in één week astemblieft.

En het verdrietigste, het oneerlijkste en het gemeenste.

Maar ook het echtste, het beste, het verbondenste en het liefste.

Het spannendste, en een fijne date aan een schone toog met lekker bier. Spannenden plannen. Joepie.

 

En toch, die fuck you.

Hij is zo oprecht in mijn hoofd geweest deze week.

Voor pijn en voor oneerlijkheid en voor frustraties en andere vuile dinges.

 

Blèh.

 

Gelukkig mag ik morgen naar mijn lieve vriendin, aan wie ik veel te weinig zeg dat ik ze zo graag zie.  Samen met mijn andere vriendinnen, aan wie ik altijd weer wil zeggen hoe graag ik hen zie.

Pijn

January 24th, 2013

Ik heb pijn.

Rugpijn. Vreselijke snerpende knagende rugpijn.

Ik slof momenteel door het leven, van stoel naar zetel naar bed, en overal waar ik kom doet het evenveel pijn.

Door de pijn ben ik humeurig en snauw ik en zaag ik op mijn kinders.

Die zijn wel wat gewoon, maar dat ik ‘s morgens om half acht dreig met dingen zoals: ‘als je nu niet stopt met bleiten dan blijf je in de koude gang staan tot het avond is’, daar kijken ze toch maar raar van op.

Zeker de oudste en de middelste, die hun uiterste best doen om me te helpen: de oudste doet de kleertjes aan van de zusjes, de middelste is gewoon braaf.

De jongste, tja, die denk dat haar korte kriebelende rugmassages de pijn bestrijden en die doet dus maar dapper door.

Dapper ambetant zijn, zoiets. Wenen om een niet, boos om een verkeerd woord en verdrietig omdat het stokbrood is in de plaats van boterhammen.

Zucht.

En dan moest ik nog aan mijn dagelijkse wandeling beginnen, een hel als je rugpijn hebt en als het hier en daar nog glad ligt.

Dat kleintje mag dan wel tien keer per dag mijn hart verwarmen, serieus, maar kent u dat van dat behang en plakken en erachter?

Maar zoals Nele wijselijk zei: Het voordeel aan rugpijn is dat anderen je helpen.

Dat klopt: mijn buurvrouw zwierde de kinders deze ochtend in de bakfiets, Nele gaf me haar gsm en zei dat ze de kinderen wil komen halen en terugbrengen, Marleen ging al zoveel keer om de kindjes dat ik de tel kwijt ben, Isabel kwam langs en zei dat ze gerust wil helpen, en als het echt nodig is, dat één van de kindertjes gerust daar kan slapen af en toe, Fietje voerde me al de hele stad door, omdat ik niet te voet zou mogen gaan en mijn lieve collega Jan keek zo bezorgd, nam me mee met de auto en zei dat hij het echt begreep. Daarbovenop neemt Anouk alle moedertaken plichtsbewust op zich en krijg ik warm van de sterke handen van mijn lief als ik zowat verga in bed.

Nu ga ik nog een potje janken, omdat het pijn doet, en omdat ik zo blij dat met iedereen dicht bij mij en omdat ik mij nu opeens afvraag: ‘Maar hoe doen alleenstaande ouders met weinig familie dat dan? Hoe, hoe, hoe?’

De eerste sneeuw

January 16th, 2013

‘Weet je, mama’, zei de middelste dochter, ‘wij hebben eigenlijk veel geluk dat wij niet met de auto naar school moeten.’

‘Uhu’, beaamde ik, en we sloften verder door de sneeuw.

De euforie droop van haar gezichtje en het was gisteren trouwens de eerste keer dat de kleinste de rit volledig zelf stapte.

We deden er minstens een uur over, over onze dagelijks wandeling, die anders 20 minuten duurt.

Ze hadden de tijd van hun leven, jong.

Het was avontuur eerste klas, en hoe verder we vorderden, hoe fijner ze het leken te vinden.

‘Weet je, mama’, zei ze ook nog, ‘zelfs in de regen vind ik stappen leuker dan de auto.’

‘Uhu’, beaamde ik opnieuw, en ik dacht nog eens terug aan de laatste wandeling, waarop we doorzopen thuiskwamen, nat tot op het bot, met een handtas die op een zwembad leek.

‘Want’, vervolgde ze, ‘als het regent mag ik mijn laarzen aan, en doen we paraplu’s mee, en dan ziet de wereld eruit als een sprookje. Want de lichtjes van de auto’s lijken door de regen wel feestlichtjes.’ Ze voelde dat ik nog niet echt overtuigd was.

‘Het liefst wandel ik als het stormt’, probeerde ze verder, ‘zo als de NoorderwindKoning aan het werk gaat, en we al onze spieren moeten gebruiken om vooruit te gaan. Weet je nog die keer dat we de echte noorderwind voelden, en we bijna de Koning konden zien. En weet je nog dat je toen vertelde dat de NoorderwindKoning de liefste, sterkste en moedigste Koning van alle koningen is?’

‘Of’, ze wist van geen ophouden, ‘die keer dat we de nummerplaten probeerden te lezen, ik de letters en jij de cijfers, weet je dat nog?’

‘Stel me voor’, mijmerde ze, ‘ dat wij met de auto zouden gaan, en stil zouden moeten zijn, en geen Koningen zouden ontmoeten en nooit sneeuw zouden voelen: dat zou pas zielig zijn.’

 

Stel me voor zeg, stel me inderdaad eens voor.

 

 

 

Les Fashionistas

January 12th, 2013

W.E.R.P.I.N. 2012-2013

 

‘Zeg, doe jij een kleedje aan vanavond?’, vroeg ik stilletjes aan de bergvriendin, die al 2 dagen met wandelschoenen rondliep.

Het was een paar uur voor ons Oudjaarfeestje zou beginnen, de kindertjes liepen rond met blinkerdingen aan en eerlijk gezegd, ik had de loomheid van de Ardennen in mijn lijf.

Ik had bovendien mijn gemakkelijkste broek aan, mijn warmste en gezelligste trui en de idee dat ik me zou moeten omkleden bezorgde me rillingen.

Aan de overkant van de tafel zaten de dames. Die vriendinnen die zelfs in hun pyama op zondagochtend very stylish uit de hoek komen, en altijd assortie zijn. Oh wat ben ik soms jaloers. Gezellige jaloersheid hoor, van die aard dat ik soms gewoon keihard hoop dat ik ooit dat gen inslik, het AltijdNetjesVoorDeDag-gen. Ik zou niet de enige zijn die daar blij om zou wezen, er lopen hier kleine dametjes rond in huis die sméééken en pruilen tot ik weer eens een rokje aandoe.

‘Zucht’, denk ik dan, ‘broekkousen prikken en rokken kruipen omhoog en dan moet ik weer hakken aandoen en erop letten hoe ik zit,…’

‘Neen jong’, kijk ik dan steeds zielig, ‘de volgende keer. Voor echt. Beloofd.’

Maar de fashionvriendinnen, daar wou ik het over hebben.

In een handomdraai zien die eruit alsof ze uit de ELLE komen. High heels, de perfecte nagellak, haar op zijn plooi en bovendien een jurkje met blingbling.

Wat zeg ik? Een jurk om U tegen te zeggen, hakken die moordend hoog zijn en een coupe die zo netjes in de plooi ligt: zo netjes zag ik er op mijn eigen trouwdag nog niet uit.

‘Neen’, zei de bergvriendin, ‘ik vind mijn broek zo gezellig en bovendien: het is hier niet te warm.’

‘Oef’, concludeerde ik, ‘dan ben ik niet alleen.’

 

Slonzige moeders hebben ook recht op feest.

 

Later bleek dat ook de bergvriendin, onder zware morele druk van de jongeren, het mooiste kleedje uit haar kast aantrok, en zelfs de vriendin die ook in broek kwam, zag er stukken eleganter uit dan tja, dan ik.

Het was een feest om naar te kijken, al die mooie mevrouwen met schone decolletés en schoenen uit de boekjes. Het is niet omdat ikzelf vergroeid ben met mijn pyama, dat ik niet kan genieten van de heerlijkheid van echte dames. Echt, het was een levend modemagazine, zomaar voor mijn ogen, zomaar op het eind van het jaar.

Volgend jaar doe ik een kleed aan. Met prikkende broekkousen, te hoge hakken en een blinkergilet die ik zelf zal breien.

Ter ere van de dochter, die nog nooit in haar leven zo smekend in mijn ogen keek. Ook ter ere van onze babysit, aan wie ik plechtig een kleedje beloofde.

Volgend jaar, dus, volgend jaar.

 

Dochters en babysits van slonzige moeders hebben ook recht op wat feest.

 

**

 

 

 

W.E.R.P.I.N. 2012-2013

 

De gestolen momenten zijn het geweldigst.

Die waarop je eigenlijk twee uur ervoor al besloten had om te gaan slapen, omdat je morgen fris zou zijn en omdat de kinderen vroeg wakker zouden zijn en omdat het de avond erop Oudejaarsavond zou zijn, enzovoort enzovoort. Net dan, als het eigenlijk hoogdringend bedtijd is, tja, dan wordt het soms echt geweldig.

 

Uitgerekend op zo’n avond bleven we plakken aan de toog.

 

We hadden een geweldig verblijf in de Ardennen, meer nog, we hadden een cafeetje, zomaar op het erf. Een echt café, met een toog, een vat bier en een frigo vol met lekkers. We speelden cafémadam, beseften dat we zo graag echt café zouden houden in Gent, gierden van het lachen, maakten plannen voor een gearrangeerd huwelijk voor de vriendin die al sliep en we bleitten zelfs een beetje.

Dat is zo hé: stop een café vol vrouwen en er wordt al eens geweend.

De mannen stonden voor de toog en zagen dat het goed was.

Zo zonder maskers was het, op die gestolen avond,

Heerlijk, onversneden en onverwachts.

En hopelijk met een huwelijk op termijn.

 

 

Lief lief

January 9th, 2013

We hebben thuis een zwarte koffietas.

Je kunt met krijt op de tas schrijven, ik kreeg ze van mijn baas en ze past, van alle tassen in ons huis, het best in mijn hand.

‘Ik hou het meest van deze tas’, zei ik een tijd geleden tegen mijn lief, zomaar, omdat ik ze net in mijn hand had, en koffie wilde zetten.

 

Sindsdien maakt hij altijd koffie voor mij in de zwarte tas. Of het moest zijn dat ze in de afwasmachine zit, vuil.

 

Mijn lief is het beste lief ever.

 

De gedachte dat ik hem ooit zou kunnen verliezen, aan een ziekte, aan een ongeval, aan iets anders, snoert mijn keel toe en doet mijn hart stilstaan.

‘Mo moksje toch’, zou hij nu zeggen, en hij zou een beetje meewarig lachen.

Maar toch.

Het is de akeligste gedachte die in mijn hoofd rondspookt. Niet altijd, gelukkig, maar af en toe, en dat is al veel meer dan genoeg.

 

 

- W.E.R.P.I.N. 2012-2013  -

Sommige mensen maken alles veel gecompliceerder dan het is.

Niet expres hé, niet moedwillig, maar gewoon, omdat de werkelijkheid voor de ene mens een stuk moeilijker is dan voor de andere.

Zo niet Lebbe.

Lebbe heet eigenlijk Frederik, maar als je Frederik roept, dan fluistert hij dat hij eigenlijk liever Lebbe noemt.

Voila sie.

Waar de een al een heel scène zou maken omdat hij bij de achternaam wordt genoemd, maakt het deze mens niet uit. En waar de ander een betoog zou opsteken om het verschil tussen heten en noemen duidelijk te maken, raakt zo’n futiliteit deze mens niet.

Net zoals het hem niet uitmaakt wat er gegeten wordt, welke kleren men draagt, hoe onnozel men doet en hoeveel jaren carrière men achter de rug heeft.

Ik viel als een blok voor zijn eenvoud. Voor zijn pure soberheid en zijn grote tolerantie tegenover andere mensen en het leven.

Iedereen vrienden, de een misschien al wat meer dan de ander, maar toch, geen miserie als het niet nodig is. Geen noodzakelijke meningen, geen visies omdat men een visie moet hebben, alleen: het leven zoals het is:

in zijn pure pure pure zijn.

 

Ik wens je een Lebbe in je omgeving dit jaar, en een lieve Eline, zoals zijn madam. Terwijl hij je de waarachtigheid van het leven wijsmaakt (zonder veel woorden), maakt zij de schoonste strikken en oorbelletjes van het hele Heuvelland.

Ik wens je een avond zoals wij vier hadden, aan een tafel in de Ardennen, met een laatste pintje, een laatste wijntje en de afspraak dat we na dat drankje echt wel zouden gaan slapen.

Oh, en de tafel afruimen ook, want dat hadden we beloofd.

 

 

 

Berggeiten en stadsjeanetten

January 4th, 2013

We zouden een keer wandelen tot aan het Mariabeeld.

Dat was het plan.

Het Mariabeeld was op amper 500 m van het huis waar we verbleven, en och, we zagen een weggetje dat verderliep, dus zei de meest avontuurlijke wandelaar onder ons: ‘Zouden we die weg niet verder volgen? Ik heb zo’n vermoeden dat we nog een eind kunnen stappen.’

We stapten en we stapten en we sopten plots een beetje door de modder, maar ach, het zou wel beteren wat verder op de weg.

De avonturiers liepen vooraan, de stadsmensen in het midden en de dames met het enige kind in het gezelschap achteraan. Daartussen liep de Bergvriendin, die al eens luid tekeer kan gaan, maar ondertussen alert was voor de achterban.

Plots hield de weg op te bestaan.

We stonden boven op een Ardennenberg en hadden twee keuzes: of we gingen terug op onze stappen, of we daalden de berg af, zonder pad.

Na wat stemmen en wat hoogtevrees splitsten we ons op: één groep ging terug, de andere zou de weg wel vinden.

Ik ging mee met het bergvolk, ondanks mijn misselijkmakende hoogtevrees. Ik hou niet van terugkeren op je stappen, en het Avontuur lonkte.

De Bergvriendin loodste ons naar beneden en elke keer als ik haar hand voelde, leek het of ik thuiskwam. Elke keer als de andere Bergvriendin waarschuwde voor doornen, putten en gladde stukken, voelde het alsof ik de weg met mijn ogen toe zou kunnen vinden.

We kwamen op een verlaten, bevreemdend desolaat camperterrein, zwaaiden naar vazen die we voor mensen aanzagen en werden verder op weg gezet door een meneer met een baard en een kleine vrouw.

Magisch, dat laatste stuk.

Zelfs voorbij magie en teambuilding en klassieke wandelingen in de Ardennen.

Het was van het beste op de reis: het gegiechel, het gezelschap, de angst voor het donker en de gesprekken over verlies. We maakten plannen voor wandelweekends met de kindjes en mannen die voor eten zouden zorgen. <3 <3 <3

Als ik kon, ik pakte ze in, onze wandeling.

In een kadertje in het midden van mijn hart.