Voorbereiding

December 28th, 2012

Niets is fijner dan valiezen maken.

Ik had er vroeger een hekel aan, nochtans, ik stelde het uit en hup, vlug vlug vergat ik altijd belangrijke spullen.

Nu ben ik een Georganiseerde Moeder geworden, niet dat u dat aan mijn huishouden zou zien, maar toch:

een lijstje, een wasmand met gestreken was en een afwas die voorbij is. Nog even alle bedden verversen (oh man wat groeit mijn Georganiseerd Moedergevoel daarvan) alsof het niks is en voor ik het weet zit ik met een biertje en een boek in de zetel, een dag voor we vertrekken. ‘De valiezen?’  – ‘Oh die zijn al lang klaar.’ (nonchalant).

U zou erbij moeten zijn. U zou erbij moeten zijn  als de ene dochter lijstjes maakt, de andere dochter knuffels selecteert die ons mogen vervoegen, en de derde ruzie maakt over de plaats waar ze zal zitten en het eten dat ze zal krijgen onderweg. Mijn lief organiseert, kiest muziek voor in de auto en checkt nog een laatste keer de route. We dromen over de kamer, het uitzicht en de fijne mensen die ons vervoegen.

‘Nog één keer slapen’, zuchten we samen, en ik probeer het verlangen te vangen in een leeg glazen bokaaltje van confituur.

‘Ik wil chocoladetaart én spaghetti’, roept de kleinste, die bijna jarig is, en het Ardennenoffensief beschouwt als één groot verjaardagsfeest van jewelste.

Niks verlangen in een klein potje, dus. Haar eisen passen enkel in een leCreuset van 25 liter.

Maar een feest wordt het, oh ja, een groot groot groot feest.

 

 

 

Geschenken

December 27th, 2012

Op Kerstavond kregen de dametjes elk één pakje.

Het was de vriend die traditioneel komt eten bij ons op Kerstavond, die voor elk een pakje meehad.

Elk één zak snoepjes, namelijk, en de dametjes waren euforisch. Ze mochten elk zo’n klein zakje (ocheere die kleine beertjes) uit hun snoepzak kiezen. En opeten. De kleinste pingelde nog een tweede zakje af, je kent dat wel, op Kerstavond lukt dat gemakkelijk. ‘Wat zijn cadeautjes héérlijk’, zuchtte ze moet een plakkerig suikermondje

Op Kerstmis kregen ze elk drie geschenken: een knuffeldier waar ze sebiet stekezot van waren, een Spaans kleed dat de schoonzus-tante-meter meebracht uit Spanje én een zeeppomp Zwitsal voor in ‘t bad.

Wij kochten niks, niks voor Kerstavond, niks voor Kerstmis zelf.

Sinterklaas zat nog in mijn kleren en toen ik een half uur lang had nagedacht over wat-ik-eventueel-zou-kunnen-geven-aan-mijn-dochters, dacht ik:

Foert.

Ik koop niks meer. Of toch niet omdat het zogezegd moet.

Ze hadden sedert begin december al zo’n plezier beleefd aan hun knuffelhondjes die ze gekregen hadden van de Sint, werkelijk, het is een plezier om te zien hoe de ene haar hond Botje zorgvuldig toedekt en soigneert, terwijl de andere keffend met een leiband door ons huis tjoffelt.

Meer dan dat hoeft het echt niet te zijn. De Sint komt bij ons alleen thuis, niet bij grootouders, niet bij meters en niet bij peters, godbeware mij dat we de familie zouden moeten rondhotsen, voor de zoveelste gedekte tafel en de tiende kilo chocola. ‘Onze Sint heeft daar geen tijd voor’, gaf ik als antwoord toen de dochter verwonderd vroeg waarom de Sint ook in de huizen bij de oma’s van de vriendjes in de klas kwam, en niet bij die van ons.

Dus toen mijn mama gisteren voorzichtig polste ‘wat de kindjes graag wilden als geschenk’, zei ik – nogmaals – niks.

Echt niks. Niks niks niks. Ze hebben geen flauw idee van cadeauverwachtingen, associëren feest nog altijd met teveel chips en frietjes, dus alstublieft, laat het zo, mama.

Mijn mama snapt dat als de beste, en antwoordde dat ze in het voorjaar wel eens naar de kinderboerderij zou gaan, en oh wat ben ik blij om zo’n geschenk.

De geschenken die ze kregen, waarlijks, daar deden ze euforisch over: de knuffels logeren mee uit en krijgen een vaste plaats aan onze tafel, het Spaans kleed ging tot nu toe enkel uit om te slapen en de zeeppomp voor in het bad: dat is een verhaal apart.

Toen Simonne het gele flesje Zwitsal zag, leek ze net een puppie die haar moeder even kwijt was geweest.

‘Oh, mooi zeeppompje, wat heb ik zo op jou verlangd.’ Waarop ze uren lang met het flesje in haar armen liep, net als het een klein babytje was.

Héhé, dacht ik gisteren, toen we restjes smikkelden uit de koelkast, met een glas cava als afscheid aan wat heerlijke dagen samen thuis, ‘wat fijn dat er geen overvloed was dit jaar. Wat een geruststelling dat mijn dametjes content zijn met een niet.’

Zo is feest pas echt feest in mijn hoofd. Iets meer dan anders, en nooit teveel.

Of het zou wat cava moeten zijn.

 

 

 

Wonderkind

December 26th, 2012

Er is een heel bijzonder meisje van zeventien, dat met stip op het lijstje van mijn allerliefste vrienden staat.

Ze heeft een plaats in mijn hart daar waar mensen ongezien binnensluipen, maar voor altijd en eeuwig blijven.

Lisa.

Ze is zeventien, schoon van haar eigen en klaar om de wereld te veroveren. Ze heeft een hart van goud en een immense onvoorwaardelijkheid.

 

Wat zie ik dat meisje graag.

 

Ik kijk naar haar en ik zie hoe het onderwijs niet omkan met mensen zoals zij, ook al is zij een onuitputtelijke bron van inspiratie, overlevingsdrang en sympathie. Ik vervloek het onderwijs soms een beetje, omdat diversiteit in de leerplannen staat, maar vaak niet in het hoofd van de leerkrachten hangt.

Ik zou ze willen behoeden voor al wat gemeen, lelijk en stout is op de wereld, omdat haar gigantische onbevooroordeeldheid haar altijd daar brengt waar haar hart breekt.

En als ik ze zo zie, naast me in de keuken, verlekkerd op alles wat ik klaar maak, met haar armen om mijn schouders, dan denk ik dikwijls:

wat ben ik blij dat jij in mijn leven bent, klein spook. wat ben jij toch een van de meest verrijkende mensen die ik ken.

 

 

 

Och, ik wens jullie zoveel.

Altijd en overal, en een beetje meer met Kerst.

***

Er zaten gisteren naast ons vier verweesde tieners (Abercrombie! kapsel in de plooi! Hollister!), allevier met een smartphone in hun handen, op de tram.

Ze hadden het over tramlijnen, het station, niet in Melle moeten zijn, je kent het wel: ze waren de weg kwijt.

De ene was een Nederlander, die schudde zijn hoofd, zuchtte en haalde een vocabulaire boven die om te glimlachen was. De andere installeerde een App om de weg terug te vinden, terwijl de overige twee exemplaren stilletjes deden alsof ze buiten de weg terug zouden vinden.

‘Waar moeten jullie naartoe?’, vroeg ik.

Binnen de minuut klampten ze zich allevier vast aan mij, hopend op instructies over een halte van tram 1. Het moest lukken: waar onze tram stopte, kruiste die net met tramlijn 1. Ik hoorde de opluchting in hun stem en hun ogen blonken als de beste.

Ze waren vijftien, zestien, zagen er bevallig uit en waren erg verzorgd.

Hadden jullie nu gewoon de weg gevraagd, dacht ik bij mezelf, toen jullie twee uur geleden de eerste beste tram opsprongen om vervolgens heel Gent te doorkruisen en nog altijd verloren te zijn. Ondertussen hadden ze op elkaar gevloekt, Apps geïnstalleerd, gans Gent gezien, maar de weg: die waren ze kwijt.

Ze waren dankbaar, hoor, ze zeiden: dankuwel mevrouw, echt bedankt, en toen ik ze voor de zekerheid expliciet toonde waar de halte was, zwaaiden ze en als ze wat kleiner waren geweest, dan hadden ze ook kushandjes gegeven.

Och, zoetjes toch, dacht ik, jullie zien er al zo groot en zo deftig uit, netjes uitgedost met de beste merken en de duurste telefoons, nu nog leren om wat zelfredzaam te zijn, en het komt allemaal goed. (Minister Smet schuilt zich achter zelfredzaamheid als hij het behoud van huiswerk verdedigt, maar serieus: zelfredzaamheid, dat is van een andere soort)

De tramjongens zullen er wel geraken, een dezer. Vermoedelijk hebben ze de zoektocht verzwegen voor hun ouders, want niets is schaamtelijker dan verloren lopen in een stad waar je voor het eerst alleen naar toe mag. Ach, ze zullen het binnenkort waarschijnlijk zelf vergeten, dit voorval. Maar spannend was het wel, zo alleen met hun vier: een beetje van trek-uw-plan op een beschaafde manier.

Ik wenste dat iedereen dat kon. Even de weg kwijt zijn, en door een simpele duw in de rug, het juiste spoor terugvinden alsof het niks is.

Ik wenste dat het voor elk kind evenzogemakkelijk zou zijn.

Ik hoop vooral dat het voor u zo gemakkelijk is, en dat de juiste sporen binnen handbereik liggen.

Fijne kerst, fijne feesten en een heel fijn jaar.

 

Facebook zeg

December 15th, 2012

lieve lieve lezers,

ik krijg soms vriendschapsverzoeken op Facebook van jullie. Ook van mensen die ik helemaal niet ken, en ik zit dan altijd met een knoop in mijn maag omdat ik niet op elk verzoek inga.

daarom heb ik een …

tedaa…

facebookpagina aangemaakt!

 

Ik moet er nog van bekomen zeg, een pagina en al.

 

Dotje in de vierde graad

December 15th, 2012

Dat kleinste dochtertje, dat is er eentje om op te vreten.

Echt, je zou haar zo in een druiveblad rollen, samen met wat kruiden en een kneepje citroen, en hup, weg zou ze zijn.

Nu haar woordenschat bijna zo uitgebreid is als de mijne, en ze nog drie moet worden, moeten wij ons minstens één keer per dag omdraaien van het lachen.

Och.

Echt, zelfs mijn serieus lief, dat niet zomaar lacht, kan zich niet meer houden.

‘Op is op’, zegt ze geregeld, en wijst dan naar het immer lege bord dat voor haar staat aan tafel.

Net als ‘je moet je niet moeien, het is je eigen schuld, ik ben alles beu, amai ik hou zoveel van jou, echt, mama, jij bent zo schattig, mama’.

Ik weet niet meer waar ze het haalt, hoe zij die vocabulaire uitbreidt op een manier die bijna ongelooflijk is.

‘ de peper zit in een molen, het zout in een vat ‘, zoiets, elken dag. Vol verwondering dat ze met taal zoveel kan bereiken.

Ze is verpletterend in haar enthousiasme, en omarmt de hele wereld als een grote gekleurde lekstok van op de kermis.

Zo schaart ze een hoop mensen achter zich, die meegesleept worden door haar enthousiasme, liefde en verrukkelijke gezichtje (ze schrikt als ze in de spiegel kijkt en zegt ‘wat ben ik toch zo mooi).

Zo’n complexeloosheid zeg, zo vol zijn van jezelf dat je elke dag groeit alsof het niks is. Zelfs als ze de prinsessendans doet, een beetje lompig, in de verte niks elegants, met één knie in de lucht, en het andere been wat slungelachtig bengelend. Och, zelfs als ik stiekem denk ‘dag klein mooi boerinnetje’, zelfs dan glundert ze door het leven.

Ik kijk naar haar zus, amper een paar centimeter groter, die zoveel spaarzamer, doordachter en serieuzer door het leven wandelt, en zie hoe ze samen spelen: de ene doet het grove werk, de andere werkt netjes alles af.

Ik ben nog altijd verwonderd dat er zoveel verscheidenheid groeide in mijn buik.

Verschillend zijn ze wel, heel erg veel, maar van de allerschoonste soort.

 

****

 

 

 

Kerstboomdepressie

December 13th, 2012

Ach, denk ik al enkele jaren, volgend jaar zijn de verbouwingen achter de rug en dan zetten we een echte kerstboom.

Vol met kitscherige slingers, blinkerballen en – nu de dochters soms eens meekruipen achter mijn naaimachine – prullen uit de hoop stof die ik recupureer.

Maar nu nog niet. Of toch niet echt. Passeerden al de revue: een houten kerstboom met lichtjes, een grote kerstboom op de koer, vlak aan ons venster, een kleien (lelijk) ding, dat de kindertjes in elkaar hebben gestoken, en dit jaar: niks.

En toen gingen we compleet overstag. Niet voor een kerstboom (ik heb echtig bijna geen plaats meer), maar oh, u zult het niet geloven: voor een lichtjesrestaurantje, kijk maar :

In het huisje woont een dametje, Mevrouwtje Suikerpot, die de heerlijkste pannekoeken bakt, die op een dag verdwijnen en een maand lang voor open mondjes en gibberende kindertjes zorgen. Het huisje staat in een dorp, waar 15 mensen en een hoop ondeugende maar grootmoedige kinderen wonen.

‘Ik vind het huisje leuker dan een kerstboom’, zei de dochter deze avond, toen ze haar resem knuffels in bed had goedgelegd, ‘allee, toch bijna. Zeker als jij elke avond een verhaaltje uit je hoofd erbij haalt.’

‘Ik niet’, zei ik, ‘maar als we nu nog een kerstboom in ons huisje moeten proppen, dan moet iemand op de koer gaan wonen. Maar ik beloof je: volgend jaar, oh volgend jaar, dan hebben wij de allermooiste kerstboom van Gent, zèlfs mooier dan die van Stien.’

En kijk: dit is waar wij wonen nu. Met vijf.

Met vijf. We hebben nog een badkamertje, een keukentje en net genoeg plaats voor alle bedden (én voor één logé, als die heel smal is)

We hebben ook nog echte kerstmiskitsch, die laat ik u na het weekend ook eens zien.

 

**

Geen kerstboom dus dit jaar, al nam ik met veel graagte voor de eerste keer een stokje aan. Ik werp het dan ook door, naar Bregje (die de wonderschoonste dingen maakt) en naar Vink (die al even schone dingen maakt) – tijd om de Flickrdames te stalken, dus.

Boeschepe – mon amour

December 5th, 2012

We kwamen wakker in een kamer met witgeverfde OSB-muren.

De inrichting was kitscherig en ontroerend tegelijk. Het noorden van Vrankrijk, de mensen hebben daar een uitgesproken edoch opperbeste smaak.

‘Keppe’, fluisterde ik tegen mijn wakkerwordend lief, ‘ik wil hier wonen. Voor altijd en voor eeuwig.’

Mijn lief kuste mijn hoofd, pakte mij vast en zei dat ik tijd had om wakker te worden.

Hôtel, stond boven de deur. Zeven kamers, een restaurant en daar, op de buiten van de wereld, een sauna. Een sauna zoals sauna’s moeten zijn: kabouterig – gewoon en wars van alle chichi.

We ontbeten er, alleen met ons twee, en speciaal voor ons maakten ze de open haard aan. De stugge jovialiteit van het noorden, ik hou er zo erg van.

Koekebrood, stokbrood en een pot zelfgemaakte confituur. Koffie in een stenen kan, en melk op verzoek. En oh! Frans fruitsap. Ik was het vergeten, hoe Frans fruitsap altijd ook wat bitter smaakt, zoals de schil van een appelsien. Verrukkelijk was het, verrukkelijk.

Het was het moment waarop de eigenaar, met aarde aan zijn schoenen en met handen die al een heel leven hebben gewerkt, de melk binnenbracht voor bij mijn koffie. Het was toen dat ik die schone mens een zoen op zijn voorhoofd wou geven, om erna een dansje te placeren met hem.

Dat het hier het echte leven was, wou ik hem nog zeggen, en dat er weinig zulke fijne momenten in mijn leven waren als dit eigenste moment.

Maar dat was niet nodig, dat getater van mij, een ‘merci beaucoup’ volstond.

We trokken huiswaarts, nadien, met een hoofd vol plannen en de belofte dat we terugkeerden, zeker en zeker en zeker.

In mijn rugzak zat een briefje, van de lieve Louise, mijn nieuwe vriendin uit Sint-Jans-Cappel, die studeert in de Jura en bij wie ik na Nieuwjaar op bezoek mag komen, om mee te schuiven aan de tafel van haar ouders.

♥ ♥ ♥ ♥ ♥

 

 

 

(Le Vert Mont, Auberge de campagne, 1318 rue du Mont Noir, 59299 – BOESCHEPE, Tel: 03.28.49.41.26)