Minder

October 28th, 2012

Ooit, heel eventjes, droomde ik van een groot huis.

Een huis met veel kamers, mooie ruimtes, een tuin, een garage, oh man in mijn droom had ik plaats voor alles.

Toen kwam immoweb, telden we de centen, bezochten we krotten en paleizen, en mijn droom – het was toch al een kleine – verdween stilletjes, in de hoop dat ik hem niet zou zien weggaan.

We vonden ons huis niet via immoweb, maar via de buren, en eigenlijk is het naar de normen van de modale burger waarschijnlijk te klein. Volgens mijn metje is er teveel werk aan, ik zie dat, ik zie dat als ze zo een heel klein beetje zielig naar me kijkt. Volgens mij is er ook teveel werk aan, en als ik wil daten met mijn lief, dan is het op de zolder, tussen het stof. De kinderen hebben een lexicon opgebouwd, dat bestaat uit woorden als ‘verbouwen’, ‘stof’, ‘gyproc’ en ‘hout’. ‘Mijn papa is een verbouwer,’ zegt de kleinste trots, en dan klemt ze zich vast aan zijn rechterbeen, en het lijkt voor eeuwig en altijd. Het vastklemmen hé, niet de verbouwing. Bewaar me gods.

Ik klaag wel een keer, maar niet veel. Ik zie de vriendin van de trap komen, en ik hoor iets van ‘ohmy’ en van ‘moest het bij mij zijn’ en ik ben dan altijd content dat het hier is en niet bij haar. Dat is beter voor alle partijen. Dat is vooral beter voor de echtelijke vrede hier, want ondanks het stof dat mijn lief meebrengt als hij naar beneden komt: de liefde was nog nooit zo groot. Als ik zijn accuraatheid bekijk, en de rustige ernst waarmee hij verderwerkt, dan weet ik dat het goedkomt.

Maar na drie jaar is dit stugge, hoge, smalle huis mijn paleis geworden.

Het is de bunker waarin ik veel te lang op bed kranten lees en koffie drink. Het is de plaats waar ik de kleinste voederde tot ze me helemaal had leeggezogen. Het is de plek waar veel mensen komen, en waar we feestjes geven, en etentjes, en waar mijn vrienden altijd welkom zijn. Het is het huis waarin mijn boeken schandalig lang in dozen zitten, en waarin ik – door de krapte – de helft van mijn gerief niet meer terugvind. Maar het is ook de kleine living waarin we ons trouwfeest voorbereidden, en waarin we met vijf dansen als het donker wordt.

Ik heb de lelijkste keuken van het land, mo echt, en ooit vliegt hij de deur uit, maar serieus: ik heb een goed vuur, een ongeveer goede oven en een gezellig venstertje met poezen van de buren op de inkijk.

Het is vooral de plek waarin mijn hoofd een dreun kreeg. De plaats waarin ik, in het begin voorzichtig, nadacht over alle weelde in het westen. Het is hier, aan deze tafel, dat ik besliste om nooit meer te vliegen, omwille van de impact op ons groen. Hier las ik het boek van Kobe, verslond ik dat van Dorien, las ik uren op het web over de manier waarop we met dieren omgaan. Ik werd kritisch als het over eten ging, nam nota’s, verzamelde artikels en legde alles uit aan mijn lief. Vooral dat laatste, want hij is mijn klankbord, en de meest kritische luisteraar, maar hij knikte, zei dat ik gelijk had en dat hij kon volgen. Het is ook hier dat ik besefte hoe giftig een supermarkt werkt, en hoe slecht commercie kan zijn.

Ik zag een vreselijke reportage, over een varkenszeug en de onwaardige manier waarop ze van haar biggen werd gescheiden. Het was om te kokhalzen, serieus, en ik liet van slapen omdat het me bezighield.

‘Maar ik wil het gewoon niet weten, hoor’.

Ik hoor het vaak, ik hoor het dagelijks, en ik zie hoe mensen hun vingers in de oren stoppen, hun ogen sluiten en hopen dat gruwel en zinloosheid dat zomaar verdwijnt.

Ik snap dat, compleet, maar ik kan dat niet.

Ik kan mijn kinders niet wijsmaken dat ‘we hier niks aan kunnen doen’. Ik kan niet opstaan en denken dat het ‘morgen allemaal wel beter wordt’. Ik hoor de vriendin, in haar eenvoudig keukentje in Wijtschate, met een appel in de hand. Ze zegt ‘de joens weten nie meer wuk dat dat is, ènèchten appel’, en ze had het niet door, maar dat gaf zo’n klik in mijn hoofd, dat ik haar eeuwig dankbaar blijf.

Die simpele appel, met zijn blutsen en zijn grillige vorm.

Ik wil daar wel over nadenken, mijn mijn handen en mijn ogen open.

Ik wil niet blijven doen alsof wij het hier, in het westen, meer dan andere mensen op de wereld, verdienen om een beter leven te hebben, alleen al omdat wij vinden dat wij daar recht op hebben, ‘want we werken veel’. Ik vind ook dat wij veel werken, zot veel, maar ik hoop soms keihard dat de cirkel wordt omgedraaid, en dat met twee gaan werken geen noodzaak meer wordt.

Ik ben blij dat hier geen economen lezen, die lezen de Tijd, en ik weet dat je met een één simpele klik, en een honende lach van een beursmakelaar of een bankdirecteur, kunt doen alsof ik een geitewollensok ben. Ik weet dat maar al te goed.

Maar ik krijg de verstoorde Westerse blik vol materiële afhankelijkheid niet meer verkocht.

Niet aan mijn eigen, niet aan mijn lief, en al zeker niet aan mijn kinders.

Vooral aan die laatste, ja, die nietsvermoedend dromen en nog minstens zeventig jaar te gaan hebben hier.

Ik krijg het niet meer verkocht.

 

Haat

October 14th, 2012

We zijn nog niet eens halfweg de uitslagen, en we zitten allemaal gekluisterd aan de radio. De kindjes krijgen ijsjes en het lief en ik zeggen ‘ssstttt’.

‘Wat nu?’, denk ik verschrikt.

Ik zit niet zo in met de uitslag in mijn stad, dat niet, die zal waarschijnlijk zijn zoals ik ze had verwacht.

‘Wat nu met al die haat?’, denk ik verschrikt.

Ik zie het overal rondom mij, haat tegenover Groenen, haat tegenover socialisme, haat tegenover NVA.

Ik ben altijd een beetje bang van haat, ook als ze komt uit de mond van zogenaamde democraten die met honende facebookgroepen hun linkse aard willen verduidelijken. Ik ben bang van haat die zegt dat  de groenen hoeren zijn, en ik ben bang van de vrienden die met leedvermaak de afgang van Siegfried Bracke bejuichen.

Ik ben blij met de overwinning van het kartel in Gent, ik heb er zelf voor gestemd, en ik duim keihard voor mijn schoonzusje, die keihard werkt voor haar groen gedachtengoed in Gent.

Maar ik zal altijd elke haat veroordelen, ook al komt ze vanuit de flank die ik in mijn hart het meest bejubel.

Ik heb een tante die opkomt voor de NVA, en een schoonzus voor Groen!, ik stem groen van zolang ik kan stemmen, maar ik zal altijd respect hebben voor iedereen die het recht heeft om een bolletje te kleuren. Ik zal vloeken op partijen die haat verspreiden, en ik zal juichen als iemand zegt dat ze de mobiliteit in mijn stad beter zal maken.

Maar ik zal nooit nooit nooit haat koesteren, nooit.

Ik heb dat geleerd toen ik heel klein was, en ik besef dat 1/5 van mijn straat stemt op een partij waarop ik liever niet zou stemmen.

Maar het zal nooit betekenen dat ik ze minder graag aan mijn tafel heb, die mensen. Die mensen met een andere visie dan mij, die alles vanuit een andere uitvalshoek bekijken, en andere gedachten hebben als ze in hun bed liggen, net voor het slapengaan.

Ik zal nooit haten, denk ik, ik zal mijn best doen alleszins.

Ik hoop van u keihard hetzelfde, eigenlijk.

 

In Memoriam

October 10th, 2012

Het kwam plots.

In mijn hoofd zou hij nog honderd jaar leven, en zou ik hem altijd kunnen bellen als ik hem nodig had. Om een naam op te zoeken, om een recept van mijn metje door te mailen, om hem te bedanken voor de mooie foto die hij opstuurde.

Hij is gestorven ondertussen, in juli. Zachtjes, dan nog, met één van zijn kinderen bij hem. In de nacht, om niemand te ambeteren, op kousevoeten zelfs een beetje.

Hij heeft een kleine troon in mijn huis. Met zijn foto, papieren bloemen en restjes van boeketjes die ik red van de vuilnisbak.

Ik kijk elke ochtend, en in mijn hoofd groet hij de dag. Ik kijk elke avond en het is soms alsof hij me een duwtje geeft, op naar de volgende dag.

Het is een gemis, die grootvader in mijn leven. Bij momenten steekt het zodanig hard dat ik eventjes moet liggen, en dat het daarna beter gaat.

Het is een constante, die plotseling wegvalt, en die zonet weer de kop opstak, toen ik een verfrommeld gekopieerd recept van het gistdeeg terugvond.

Hij had het uit Ons Kookboek voor mij gekopieerd, was op zijn sloffen achterwaarts de trap afgekomen en gaf het me. ‘mijn moeder bakte de beste pannekoeken’, fluisterde hij, en in zijn ogen sprak een weemoed die voor honderd telde. Dat ik daar weinig van weet, van zijn ouders, maar genoeg om te weten dat hij hen graag zag, en te weinig om te beseffen dat hij al al die afscheiden doorworsteld had.

Hij dacht veel aan sterven, de mens, het laatste jaar van zijn leven. Ik voelde het, hoe hij zachtjes afscheid nam van de aarde, van ons, en hoe dankbaar hij telkens opnieuw was. Hoe verrukt verwonderd over de schoonheid van een bloem, een kip of een boom.

Ik zal altijd een beetje om hem rouwen. Nu meer, later minder, en dan weer meer.

Ik mis zijn patatten en zijn suikerboontjes, ik mis zijn mails en zijn telefoongesprekken, waarbij hij belde en in één twee drie mijn metje doorgaf, die van niets wist en net stond te koken.

Ik mis hem, en ik weet dat het betert, ik weet dat afscheid bij het leven hoort, zoals de strijk en de afwas bij mijn leven.

Weten dat verdriet betert, dat is ook al iets. En met dat besef komt een mens al een heel eind weg.

Chance.

 

Ik kocht de middelste dochter om, gisteren.

Als ze met me mee mocht, dan kreeg ze waarschijnlijk een stukje taart.

‘Oh ja,’ zei ze blij, pakte haar jas en hing aan mijn arm.

‘Gaan we nu naar Brussel?’, smeekte ze hoopvol – naar Brussel gaan, dat is blijkbaar het summum van geluk (ze wil kerken bezoeken, en de Grote Markt zien ook) – maar ik zei: ‘neen, we gaan naar het ICC.’

We namen de bus, landden vlakbij het Citadelpark en ik dacht, ik vertel eens over het dierenasiel.

Ze luisterde met een accuraatheid zoals alleen zij dat kan, en vijf minuten later waren we lid van het asiel, kregen we een wandelkaart en kreeg ik een leiband in de hand geduwd.

Aan dat touw hing een kleine dikke gezelligaard.

Mushu.

Met kromme pootjes, een gevlekte kop en een rustigheid die ontroerend was.

We waren sebiet verkocht, de dochter en ik. ‘Nu zijn we een hondenbaasje’, fluisterde ze, en ze kneep keihard in mijn hand.

We wandelden door het park, en zij zocht tamme kastanjes en blafte de hondentaal. Zij kan dat namelijk, blaffen en vertellen tegelijk. Ze zei hem dat we terug zouden komen, en dat we hem fijn vonden, en grappig ook. Dat het lief was dat hij bijna niet blafte, en dat hij stoer was, met de vlek op zijn oog.

Het was een beetje pijnlijk, het afscheid van ons dikkertje, maar we komen terug, zeiden we, we komen terug.

We zagen kraaien of raven (ik zal het nooit leren) en keken met open mond naar de vrouwtjes (ahum), die zo elegant zwierden met hun staart, dat het net prinsessen leken.

Toen gingen we op zoek naar Dorien, op de veggiebeurs in het ICC. Beurzen zijn mijn ding niet, maar het boek van Dorien wel (ik kan niet linken, ik zit op de verkeerde computer). Het voelde een beetje zoals die keer dat ik een heel fijn cadeautje kreeg voor Sinterklaas, en wekenlang dat zalige gevoel aanhield.

We misten de bus en besloten te stappen. Vijfjarigen kunnen bergen verzetten als je ze uitdaagt. We speelden een wonderlijk spel, van grijze tegels, witte strepen en reuzenstappen. Man wat een plezier tussen het Citadelpark en Ledeberg, zomaar voor niets op een zaterdagnamiddag.

Ik las een beetje, thuis. Zo alsof je een vers brood bekijkt in een broodzak, en het kleine korstje opeet. Ik bleef lezen, gaf chips aan de kinderen en zette wat muziek op. Ik dronk bier en kookte nonchalant patatten. Ik las en dronk bier. Ik zuchtte, zag herkenning, was ontzettend ontroerd bij het varken, zwoor witlof in de hesp links te laten liggen, knikte, citeerde, schreef op en at. Na een gezellig aperitief met iedereen, en overweldigende knuffels van de kleinste; De kleinste, moet u weten, die raast door het leven, aan een snelheid die wij niet kennen, niet gewoon zijn. Ze brult van plezier, hangt aan mijn rug als een aapje, eet als een monster, doet samenzweerderig als een beste vriendin. Ze verwarmt mijn hart als de beste warmwaterkruik ever, en doet haar papa bulderlachen. ‘Ik wil je opeten, kleintje,’ fluister ik vaak, ‘met olijfolie, zout en citroen.’

‘Ik ben toch mooi,’ repliceert ze, ‘en een mens? Ik ben toch geen echt patatje met mayonaise?’

Ach, we stichtten en passant ook nog eens een echte Pipiclub, met een kreet als toegangscode. En Vijf Belangrijke Leden.

We kropen allemaal samen in bed, en iedereen mocht kiezen waar hij het liefst lag. Dat klopte als een bus.

De oudste fantaseerde over de crumble uit het boek, die ze momenteel aan het maken is, altijd altijd klaar om mij een beetje te helpen.

Wat zijn wij complementair, dacht ik met moeie ogen, wat passen wij toch goed bij elkaar.