Toen mijn zoon stierf, en we de weken na zijn dood vaak bij elkaar waren, zag ik aan de andere kant van de living mijn grootvader staan.

Het was zijn rug, want hij keek weg van mij, en ik zag dat zijn schouders schokten.

Hij probeerde me meermaals te sussen, aan de lijn, zo net na ons verlies, en wekelijks schreef hij brieven.

Van Poperinge naar Gent.

Iedere week een brief, speciaal voor mij. Zonder grote verhalen, maar met kleine druppels van hun leven in de Westhoek.

Over mijn grootmoeder die soep had gemaakt, over de lezing die hij ging geven, over de doctoraatsstudenten die langskwamen om zijn gigantische kennis te bevragen. Over de wandeling met de bejaardenbond, over sneeuw, regen en voorzichtige zon. Hij vertelde kleine zaken, en die deden me deugd, omdat mijn hoofd bij groot verlies zat. Het neutraliseerde een beetje, en maandenlang stuurde hij trouw een brief.

Later stuurde hij mails. Mails met foto’s van zijn ochtendzicht, van de sneeuw op de Catsberg, en van zijn geraniums in de veranda.

Het mailen verminderde, en de inhoud werd kariger, maar ze bleven komen. Met tussenpozen en kliniekopnames, maar toch, hé, daar waren ze weer.

‘ik krijg er ook’, zei Anouk niet zo lang geleden, ‘elke week één. Grappen en zo, die hij forwardt naar mij.’

We lazen alles opnieuw, wij twee, en zuchtten een beetje geluk. En ook van verdriet.

Zo’n schone mens in een familie, men komt dat niet alle dagen tegen.

 

Ik wou dat ik hem kon antwoorden nu, ik wou dat ik wekelijks tijd had om bij zijn bed te gaan zitten en hem te voederen met de ingetogenheid die hij bezat. Ik wou dat ik een antwoord kon krijgen, een brief in zijn sierlijk geschrift.

Ik wou dat hij kon zeggen welke soep mijn metje had gemaakt.

Ik wou dat allemaal echt heel erg, deze ochtend.

Heel heel erg.

 

My buddy

June 22nd, 2012

Het was in de Colruyt zaterdagmiddag. We stonden met ons vijf aan de kassa – soms lijkt naar de colruyt gaan leuker dan verbouwen, en dat is het soms ook echt – toen Jan de watermeloen uit de kar nam om aan de kassamadam te geven.

‘Neem maar een andere’, zei ze, en ze wees naar zijn poepje, waar een rotte plek op zat.

Ik ging instinctief op mijn stappen terug, met de watermeloen in mijn armen, op zoek naar een beter exemplaar.

Toen ik halfweg de winkel was, keerde ik om. Ik keek naar het stuk fruit in mijn handen en het leek alsof het mij iets wou zeggen. Iets van sowieso in de container, afval en consumptie.

‘Ik neem je mee’, fluisterde ik samenzweerderig tegen mijn ronde kameraad.

De kassamadam wist niet goed waar ze het had toen ze hetzelfde exemplaar zag opduiken, feitelijk.

‘Ik pak hem toch’, zei ik een beetje stilletjes. ‘Anders vliegt hij in de container, en feitelijk, hij en ik hadden ondertussen een akkoord.’

Ze was zo ontzettend lief, die dame aan de kassa, ik vrees dat ze vooral te doen had met mijn lief, en met mijn kinders.

We legden de meloen voorzichtig in de auto.

Thuis sneden we hem in schijfjes en gisteren aten we het laatste schijfje op.

De rotte plek bleek een heel klein plekje, niet noemenswaardig en toch de reden dat de meloen zonder mij in een container zou zijn beland.

Sindsdien ben ik een held. Een watermeloenheld, die ‘s avonds in bed verhalen vertelt over een reddingscape, waarmee ik elke watermeloen van de containerdood red.

Ze hebben geschud van het lachen, de dochters, gegierd en gegibberd en gekruld van het lachen ook.

‘Later word ik net als jij, mama’, fluisterde Clarisse toen haar ogen al bijna dicht waren en ik de dekens nog even goed schikte.

‘Een echte watermeloenenheld.’

Mijn grootvader ligt in de kliniek. Het is iets ergs en het ziet er niet goed uit en heeft met zijn hersenen te maken en ik weet dat hij oud is, maar dat maakt het gelijk nog erger.

Nochtans, ik dacht dat ik er mee om kon, ik lag bijna niet wakker, kon tegen de mensen in mijn omgeving zeggen dat het allemaal wel ging en dat het leven zo in elkaar zit en dat het fijn is dat zijn leven zo schoon was en blablabla.

Tot gisterenavond.

Ik opende mijn mailbox en zag voor mijn neus een mail van hem, met een rood vlaggetje eraan. Dat rode vlaggetje stond daar omdat ik hem nog moest antwoorden, hij had me namelijk een fijn filmpje doorgestuurd over de hoppepluk en kort daarna gebeld om te vragen of ik het gezien had, maar het ontbrak me aan tijd en ik had beloofd dat ik hem terug zou mailen en toen keek ik ‘s avonds wel en vergat ik om hem terug te bellen, het was middag toen ik er opnieuw aan dacht, en dan rust hij een beetje en toen was het ‘s avonds laat en dan leest hij op zijn computer en ik dacht ‘ach ik bel morgen wel’.

En toen moest ik gisteren ongelooflijk veel naar adem happen omdat ik ineens besefte dat ik waarschijnlijk nooit meer zo maar een keer naar hem zal kunnen bellen, op woensdagvoormiddag, het enige moment dat we beiden tijd hadden. Ik zal waarschijnlijk nooit meer mail krijgen van hem, en fuck ik ga dat missen, want hij trekt altijd foto’s van zijn schoon zicht, in alle seizoenen en dan stuurt hij die beelden door. Hij stuurt ook fijne weetjes over een overovergrootoom die per ongeluk iemand verongelukt had en over de tentoonstelling in Poperinge waar zijn foto zal hangen.

Djeezes.

Ik wist niet dat het allemaal helemaal opnieuw begon.

‘Weet je, mama,’ zegt ze tien keer per dag, en moest ze een brilletje dragen, dan schoof ze het op dat moment iets hoger op haar neusje.

Na het ‘weet-je’ komt de Uitleg.

Over de droge zwarte boon in de aarde, die ondertussen een echte bonestaak is geworden. Over het getal dat ze plots kan lezen. Over de brief die ze schrijft voor mij en voor Jan. VOOR MAMA EN PAPA. Vooral op het woordje EN is ze apetrots. Over een verkeersbord dat ze interpreteert. Over geluk.

Ja, over geluk. Daar wil ze wel eens over uitwijden, deesdaags.

‘Mama, wat staat daar op de kast, wat is dat klein poesje eigenlijk?’

‘Een geluksbrenger, die ik van je zus kreeg, toen ze op reis ging met haar vriendin.’

Een kwartier later. ‘Mama, wat is geluk eigenlijk?’

‘Geluk is zoals drie fantastische dochters hebben, niet erg ziek zijn , de beste man van de wereld, een goei werk, een fijne familie, een huis waar we allemaal in passen, genoeg geld om geen honger en kou te hebben, zoiets, eigenlijk. En dat je dat allemaal beseft, dat het zo fijn, dat is geluk.’

Nog een kwartier later.

‘Dan heb jij geen geluksbrenger nodig, want geluk, dat is toevallig jouw leven.’

‘héhé’, voegde ze er nog aan toe, zoals in ‘en-dat-ik-daar-nu-op-ben-gekomen-zeg’.

En moest ze een brilletje op hebben, ze had het nog een keer netjes omhoog geschoven op haar neus.