De Vollemaankapper

May 27th, 2012

Al jaren begin ik te zagen over een kapper uit Brussel als ik teveel gedronken heb.

Ooit, het zal ergens in het jaar 2000 geweest zijn, liep ik met mijn dierbare vriend Mousa (van wie ik de gebakken garnalen zo erg mis dat het steekt in mijn hart) te tjooln door Brussel.

Ik had teveel wijn op, toen, en hij niet, want hij is een moslim die het echt meent met zijn geloof. Zelfs met seks voor het huwelijk, enzo. Wij, de Vlaamse vrienden, roloogden toen, want hij had een beauty van een Brusselse aan de haak geslagen, dn we konden ons niet voorstellen dat hij geen seks met haar wou. ‘Allee jong, gij zotteke’, zei ik telkens opnieuw toen we avondenlang discussieerden na zijn heerlijke maaltijden in de Brusselse kelder van de Afrikaanse kennis Magatte, en haar beeldschoon kind Mourfal. Dat moet allemaal in één zin, één omdat ik verontwaardigd ben over een geloof dat seks zo moeilijk maakt, en twee omdat de vieze vuile huisjesmelker mijn vrienden uitbuitte. Omdat ze geen paspoort hadden, en met moeite een verblijfsvergunning konden krijgen, en omdat ze toch stukken van mensen dienden te betalen om in een kelder, tussen de elektriciteitsmeters van de anderen, te moeten leven.

We aten op de grond, en de kinders zaten achter ons, in de tweede kring, en terwijl wij de politiek analyseerden dat het geen naam had, duwde de mama van het huis, met haar grote borsten en haar brede heupen, de kinders balletjes maniok in de mond. De peuters schoven netjes door, en zaten trouw te wachten op een balletje, om daarna weer door te schuiven om plaats te maken voor de volgende. Als ze het beu werden om te lang te moeten wachten kropen ze verder en speelden samen, en als ik terloops naar mijn witte dochter keek, en naar haar bijna zwarte vriendje van 1 jaar, dan wist ik dat het goed was.

Al mijn overtuigingen komen van daar, van daar in die ondermaatse kelder. Babbelen dat wij daar deden, jong, en nadenken ook. En foeteren op de Afrikaanse mannen die altijd te laat zijn en lachen als hun vrouwen boos zijn.

Op een keer wandelden de vriend en ik dus rond. Ik aan zijn arm, want hij was me dierbaar en Afrikanen houden van fysiek contact. Ik ook, dus dat klopt allemaal.

Toen passeerden we voorbij een kapsalon, en het was nacht, én volle maan, en er was een kapper aan het werken. Er zaten twee chique dames, stijf te wachten op een nieuwe coupe, en het leek allemaal zo surreëel.

Jaren heb ik mij afgevraagd of ik dat nu wel echt gezien had, en of het kon kloppen wat ik toen dacht.

Toen ik daarnet mijn Standaard Magazine las op pagina 34, moest ik even glimlachen. Omdat de waarheid over de nachtelijke kapper een beetje dichter bij kwam, en omdat ik de fundamenten van mijn overtuiging terugvond.

In een ondermaatse kelder, dat wel, maar met zinderende smaak en harten van goud. En van maniok.

 

redenen

May 25th, 2012

Er zijn zoveel redenen waarom ik graag leef.

Sigur Ros, Ekki Mukk (mét accent, maar ik typ in het donker met een glas wijn naast me, vandaar) is ongetwijfeld een van de allerbeste redenen om te leven.

Hun muziek smaakt altijd zout en bitter en zoet en zuur en voor mij ook heel veel naar de machtige verhalen van Joke en haar Ijslandse Vili.

Ijsland zit altijd diep vanbinnen in mijn hoofd.

Ook al ben ik er nog niet geweest.

 

 

It took me nine years.

May 21st, 2012

Al zolang we in Ledeberg wonen, zo lang kom ik verschillende keren per dag oude Turkse madammen tegen. Grootmoeders die gesluierd zijn en die meestal kampen met zwaarlijvigheid.

Het is een pijnlijke constante, die zwaarlijvigheid, en zoek maar eens één oude Turkse dame in mijn dorp die niet teveel weegt.

U zult er geen vinden.

Ik besteed doorgaans, al al die jaren, weinig aandacht aan hun bestaan. We leven naast elkaar, en ik weet niet of ik ooit al met één van de grootmoeders heb gesproken.

Tot een week of drie geleden dan.

U moet weten dat er vlak om mijn hoekje een oud Turks winkeltje ligt. De heren van het huis kopen tweedehands groenten en fruit op, en verkopen die aan veel te dure prijzen. Ik juich het principe toe, al stel ik me soms vragen bij de prijzen die ze hanteren. Ach. Ik red dus menig paprika (geblakerd rimpelt dat toch ook), appels met plekken (ik maak appelmoes), bruine bananen (milkshake en bananenbrood) en verrimpelde citroenen (voor een vlugge dressing), flets uitziende prei (bouillon) en groezelige munt (thee en couscous en komkommeryoghurt) van de dood. Ik heb het voor die tweederangs-afdankertjes. Ze lijken me zoveel oprechter dan hun perfecte collega’s van de Delhaize, en als ik die oudjes niet koop en opeet, dan belanden ze gegarandeerd in een container. Maar daar maak ik mij vandaag niet zo druk in. De zon schijnt en een mens kan niet altijd piekeren, nietwaar?

Maar de oude Turkse dames, dus, daar wou ik naar toe.

Het winkeltje behoort tot een familie. Vader, moeder en twee zonen. Ze handelen verder in auto’s, zitten ontzettend vaak op straat en wisselen elkaar af aan de kassa.

Toen ik er niet zo lang geleden nog vlug binnenliep voor wat noten en wat munt, stonden ze er, de oude Turkse madammen uit de straat. Door de jaren heen heb ik hun gezichten leren kennen, en ook al is het met een doek vaak moeilijker om ze thuis te wijzen, ik weet nu ongeveer wie wie is.

Ze waren druk aan het praten toen ik binnenkwam, en ik hoorde de toon veranderen toen ik me achteraan de winkel bevond. Op zoek naar het mooiste miezerigste bussltje munt.

‘Wat ga jij koken?’, vroeg de dapperste, toen ik mijn kleingeld aan het tellen was, en ik legde uit dat ik een slaatje aan het maken was, en dat munt daarbij zou passen. ‘Yoghurt hebben?’, vroeg de tweede, en de derde kon zich niet meer bedwingen.

‘Waarom jij altijd lachen? En mager blijven? Jij koopt kindjes en kindjes en jij wordt nooit dik.’

Het waren complimenten, complimenten van mijn oude buurvrouwen, die ik tot op die dag eigenlijk compleet niet had verwacht.

Ik vertelde hen van de kilo’s die er bij gekomen waren, en die niet meer weg wilden, over de barbecue in het park later die dag, en over de meisjes op school.

Ze voelden zich op slag thuis. Nog eventjes en we zaten samen aan de thee.

Sindsdien is het koekenbak. Ik knipoog naar hen als ik voorbij hun gevels fiets. Ze zwaaien als ze me in de verte zien passeren. Ze rologen als ik een rok aanheb, en na 8 uur nog vertrek zonder vent. Ze staan aan mijn deur, brengen versgebakken dürüm en verrukkelijke couscousgebakjes met teveel pikant erin.

We doen een beetje samenzweerderig, wij, de dames van de hoek, en als ik een oog knip, dat voelt het als een echt verbond.

Ik had nooit gedacht dat het ooit zou komen, die verbinding, ik had er zelfs niet eens bij stilgestaan.

Maar nu het verbond er is, voel ik mij nog een pak meer thuis in dit gekke deel van Gent.

 

 

Groen

May 19th, 2012

We vroegen het ons af, toen we aan de zee waren en ik besefte dat kijken naar de zee één van de grootste verrukkingen is in mijn leven.

Hoe komt het toch dat er zo weinig aandacht is voor die schone brok waarop wij leven? Hoe komt het toch dat mijn kinders enkel van ons een klein beetje zicht krijgen op de vervuiling van de planeet? Wat is er toch aan de hand dat alles wat naar ecologie ruikt, zo vlug van tafel wordt gegooid?

Het is gelijk altijd zo, en het maakt me zo droef.

Het maakt me droef als ik peis over de vele alarmkreten die we krijgen, over de voorrang voor auto’s, die vaak zo dominant aanwezig is. Over hoe elke partij een duidelijk, verantwoord, uitgebreid groen hoofdstuk zou moeten hebben, en over hoe scholen échte educatie zouden moeten geven over onze planeet.

De mentaliteitswijziging, die zo erg broodnodig is, komt maar niet, besef ik vaak, en we kunnen op de ouderraad wel palaveren over klimrekken en wie-de-afwas-zal-doen-op-het-schoolfeest, maar ondertussen organiseren we een ontbijt met allemaal individueel verpakte voeding. Ik heb de term ‘ecologisch’ voorzichtig drie keer laten vallen, en ofwel heeft niemand het gehoord, ofwel werd die bemerking met de kruimels van tafel geveegd.

Ik ben geen die-hard. Al zou ik het wensen, diep in mijn binnenste.

Maar ik vind het bedroevend dat een thema dat zo erg fundamenteel is (sensibilisering, please), zo vaak aan de kant wordt geschoven. Ik probeer zo veel mogelijk in eigen boezem te kijken, en heb deze week beseft dat ik nooit meer wil vliegen (tenzij mijn kinders aan de andere kant van de wereld zitten en ze hebben mij broodnodig), omwille van de gigantische afdruk die een vliegreis heeft. En ik hoor het al komen: ‘ja maar zeg, voor een keer dat ik de kans krijg’.

Tja. Het doet me weinig, dat argument.

We zijn in al onze luxe vergeten hoeveel we moeten koesteren wat we hebben, en hoe content we moeten zijn met minder.

Ik vind minder, in al mijn luxe die ik heb, zo erg de moeite waard.

Ik hoop van mijn kinders hetzelfde.

 

 

Dierbaarste – 2.

May 16th, 2012

Ik heb hem het liefst als hij een beetje serieus is en zijn trainingsbroek aan heeft. Dat eerste gebeurt vaak, in combinatie met een trainingsbroek veel minder.

Dan zit hij aan tafel, leest de krant een zeldene keer, en zegt weinig. Het gebeurt vaak dat hij weinig zegt.

Als ik iets vraag, dan denkt hij eerst. Altijd. Dat is al jaren zo, en ik ben het nog altijd niet helemaal gewend. Als ik hem vraag hoe het ook al weer zit met dat lelijke viaduct dat Gent binnenstroomt, dan legt hij me dat uit. Serieus, zonder oordeel over de visie van om het even welke partij. Hij luistert naar politici op een manier waar ik jaloers op ben. Met evenveel openheid luistert hij naar Groen als naar NVA. Ook daar ben ik jaloers op. Ik denk dat hij geschikt zou zijn om het beste uit elke partij te halen, echt. Hij draagt nooit haat, vervloekt alleen als hij te veel gedronken heeft (en dan nog), is pakken realistischer dan ik ben, en heeft zo weinig vooroordelen dat het bangelijk is. Hij kan mensen loskoppelen van algemeenheden, en heeft nog nooit gemeend iemand pijn gedaan. Hij werkt traag, in alles, maar oh zo nauwkeurig. Dat kunnen de minder nauwkeurige vrienden die helpen met de verbouwingen bevestigen. De even perfectionistische ook.

Of neen, ik heb hem het liefst als hij met zijn ogen toe op het juiste plekje in onze kleine living zit, met zijn ogen toe, terwijl hij aan het luisteren is naar één of andere rare jazzmeneer.

Neen, neen, ik heb hem het liefst als ik hem voel in bed, hij is altijd warmer dan mij, en ik kan koortsachtig zoeken in de vroege ochtend, want hij staat altijd vroeger op en vertrekt altijd vroeger dan ons.

‘t Is mijn papa,’ fluistert de jongste giftig als ik hem vastpak. ‘Mama komen’, ook. Ze neemt daarmee de fakkel over van de middelste, die twee jaar enorm bezitterig deed over haar vader.

Maar hij is lekker het allermeest van mij. Nèh.

Dierbaarste bezit – 1.

May 5th, 2012

Als je mij zou vragen wat ik zou redden uit een brand, dan zou ik lang moeten nadenken.

Omdat ik brand vreselijk vind, en omdat ik naast mijn lief en mijn kinders niet echt iets zou missen.

Als ik écht moest kiezen, dan koos ik zeker voor dit beeld. Het zal fototechnisch wel niks waard zijn, maar het vat alles wat dat kleine mensje uit mijn huis is. Haar rimpelneusje, haar grappige grote hoofd, haar haar dat niet weet of het moet krullen al dan niet, haar gele kleedje waar ze zou erg van houdt, haar grote oren en haar tandjes waar ik altijd vrolijk van word. Bovendien schijnt de zon zo op haar smoeltje dat ik er altijd opnieuw blij van word. Dat is lachen mensen, geforceerd lachen dat ze doet, van zo gauw ze een camera ziet verschijnen.

Dit beeld dus, ja. Dat zou ik redden. Samen met een foto van jan die ik voor onze trouw kreeg. Een oude handtas waar ik verliefd op ben en een pen die ik al jaren koester.

Als ik echt moest kiezen dus.

Vreemde weken

May 4th, 2012

Het zijn rare tijden hier, precies.

Mijn lief wacht al weken op de zon, de oudste dochter is geopereerd (niets ergs, niets blijvends), de middelste is zo ontzettend voorbeeldig dat ik soms eens aan haar voorhoofd voel en de kleinste is een beetje ziek. De kleinste is dan ook de perfectie van zichzelf gaan uithangen bij de tante, waar ze het best geneest van allemaal. U kent dat wel, zieke kinders en weinig verlof.

‘Allemaal van mij!’, roept ze ‘s morgens luid, als ze net haar ogen open heeft. Dan spreidt ze haar armpjes en loopt als een paus door ons huis. Wadend, zodat het zeer erg serieus wordt. ‘Tante Evita is ook allemaal alleen van mij’, voegt ze er overduidelijk aan toe, mijn broer compleet aan de kant duwen. Evita, dat is haar echte tante, en ze claimt ze al heel de week. Luidkeels en dreigend, maar dat zijn we van haar gewoon. Ze heeft veel tantes, denkt ze, en ik ben te laks om uit te leggen dat mijn tantes haar tantes niet echt zijn. Ach, we hebben zelfs een opa die niet echt onze opa is, maar ik vind dat allemaal gezellig en ben zo weinig principeel in het correct benoemen van mensen. Ik ben al lang content dat we mekaar graag zien, en och, er zijn belangrijkere dingen dan correcte familiebanden benoemen in het leven.

Mijn broer en mijn schoonzus zorgen vaak voor onze dochters. Ze wonen vlakbij en als we hen zien is er altijd wel ééntje dat mee wil. Soms twee, dat ook, en voor ik het weet zijn we kinderloos. Want de derde dochter wordt dan meegevoerd door het nichtje, dat ook vlakbij woont, en zo is iedereen gelukkig. Ik ben blij daarom, en mijn kindekes nog veel blijer. Ze hebben zo’n geluk met al die slaappartijtjes en al die familie zo dicht bij ons.

Maar rare tijden dus. Met storm in mijn hoofd, zomaar, zonder echte reden. Storm is goed, dat zorgt voor alertheid en besef, maar soms is het ook een beetje tijd dat de storm gaat liggen, niet? De weken zijn als één lange dag, aaneengeregen door kinders, werken, feest (oh wat een leuk feest zeg), verbouwingen en een lief. Vooral dat lief zie ik te weinig, echt, ik zou een gouden munt geven voor een weekend Brussel met mijn lief.

Maar wat ik nu eigenlijk echt wou zeggen, is dat je dringend eens moet lezen bij Stien. Over haar autoloze bestaan. En hoe zij dat zien en hoe het verloopt.

Ik ben keijaloers, ik.

Ik zou het zo doen, onze auto wegdoen. Ik rij toch niet, en Jan staat er alleen maar mee in de file. We moeten toch allemaal een beetje bewuster gaan leven hoor. Elkeen een auto voor de deur, zelfs twee, dat zal niet blijven duren. Het is niet nodig, en het is bovendien een verkrampte waarheid dat het je leven gemakkelijker maakt. Mijn broer en schoonzus hebben er geen, het nichtje ook niet, en wij nog maar 4 jaar. Daarvoor deden wij alles met de trein, en we tjoolden, en we hadden het grootste plezier. Je kent mij al een beetje, ik hou het meest van tjooln, dus voor mij zou het er niet erg anders uitzien. Zelfs met de rolstoel en de hele goede vriendin lukt het allemaal te voet nu. Al roloogden ze wel in de kliniek: ‘U hebt geen auto en uw kind moet in een rolstoel?’

Er is nog veel veel werk aan de winkel.

Maar Stien is al altijd mijn held. Niet alleen voor de fiets, maar ook voor al de schone kleren zeg.