Ik ben alleen met de middelste dochter.

Dat werkt alleen als ik haar een film beloof. Op mijn bed, in de namiddag, onder ons deken.

Mijn mottigheid helpt om die belofte in te vullen. Weinig woensdag kom ik zo suffend door. Deze ochtend kreeg ik op een rare wijze wat adrenaline door mijn lijf gepompt, maar afgezien van die injectie loop ik maar wat te dolen.

‘We gaan nog eventjes tot aan de winkel, schat, en dan nog wat koken en dan kruipen we samen in ons bed, baby.’ Ik sus mezelf meer dan mijn kleine, want zij heeft duidelijk nood aan avontuur.

Op de hoek van onzen Delhaize is een vies vuil perkje. Als daar geen krolse katten janken, dan stinkt het er naar vuile pampers of zie je er een hoop versleten elektro liggen. Hoe zeer er ook moeite wordt gedaan om het netjes te houden, het marcheert langs geen kanten, en die akelig vieze struiken die er groeien, doen er geen goed aan. Ze nodigen een mens uit om te bevuilen, die draken van takken, en ik heb er niet eens medelijden mee.

Wel vraag ik me soms af wie de boel daar opkuist, en welke onnozelaars er elke keer weer katteneten droppen, om een hoop misvormde kittens aan te trekken.

Enfin.

Net op ons pad liepen er zes kinderen. De oudste acht, vermoed ik, de kleinste vier. Met de lente in hun lijfjes hadden ze net een doos Cornetto’s gekocht – ze hadden waarschijnlijk zo’n suffende moeder als mezelf – en liepen daar alle zes te likken dat het geen naam had. De laatste, die ook de molligste was, giechelde en zei stoer, net in mijn gezichtsveld: ‘ haha. ik heb mijn papiertje in de struiken gegooid.’ De andere vijf, het leken de Floddertjes wel, gniffelden mee, en toen ik tussen de struiken keek, zag ik zes Cornettoverpakkingen blinken.

‘Hoho,’ riep ik hen na, ‘ kom eens terug dames en heren.’

Betrapt en giechelend kwamen ze op hun stappen terug. Eén voor één, de mollige met een knalrode kop.

‘Vertel nu eens zelf wat er niet zo leuk is, zoetekes.’

Ik had geen krachten meer nodig, ze giechelden nog meer, raapten vol enthousiasme alle papiertjes op en zeiden zoveel keer sorry dat het niet meer geloofwaardig was.

Eén van hen, de ruigste, de stoerste en tegelijk de dapperste, kwam naar me toe.

‘Mevrouw, je hebt gelijk, we mogen dat niet doen hé. Ik zal ze allemaal meenemen naar huis, en daar in de vuilnisbak doen, mevrouw.’

Ik gaf ze één voor één een gespeelde duim – dat onderwijsverleden zit soms zo geworteld in mijn binnenste -, zei dat ze een pluim verdienden en dat ‘als iedereen zo zou doen, de wereld een nettere wereld zou zijn’. Ze beaamden dat het een lieve lust was, streelden mijn hand en ik kon niet stoppen met mijn lofzang, in de hoop iets blijvends teweeg te brengen.

Toen kneep mijn dochter in mijn hand, was het ijsje van de molligste zo goed als verdwenen in haar buik, en gingen we allemaal verder onze eigen weg.

Ik werd er op slag wat minder mottig door, door die Flodders op mijn weg.

Kroon

February 22nd, 2012

‘Mijn andere kroon is voor kleine jongens’, verkondigde hij serieus, aan de vooravond van zijn vierde verjaardag.

Dus maakte ik een nieuwe.

Poepsimpel.

Een stuk dik vilt, waarop je een strook velcro naait (de zachte harige kant). Een kroon maken van de strook, stikken en omdraaien.

Attributen: pluimen, want het werd een Indianenkroon.

Goed komt het uit heb ik uit vilt wat pluimen geknipt. Op de ommezijde een klein stuk velcro (de harde kant), goed vaststikken. Daarna op de voorkant een restje gekleurde stof, kleiner dan de pluimvilt, maar ongeveer dezelfde vorm. Rondomrondstikken en klaar.

Nu maak ik nog een hele zak pluimen, zodat hij kan kiezen welke hij de mooiste vindt.

‘Alle kleuren van de regenboog’, zei hij, ‘maar niet alle alle alle kleuren.’

The Compatible

February 22nd, 2012

Ik had het beloofd., Nele.

Een jaar of wat geleden.

We zitten op een zeldzaam gestolen moment samen aan de toog op café. Onze lievelingsbezigheid. Mensen kijken, babbelen en mensen leren kennen. Ik geef mijn pink voor een toog en een Augustijn.

Naast ons zit een man, kloek van postuur en met ogen waar ik de weemoed zomaar uit kan plukken.

‘Het is een Rus, denk ik’, fluister ik tegen mijn lief. ‘Ik weet het bijna zeker.’

Hij had zorgvuldig een accordeon op tafel achter ons gezet, en mensen met accordeons dragen altijd een verhaal met zich mee. Dat weet ik van de dochter en de vervangende Russische accordeonleraar. Evgueni, as we speak.

Ik heb een voorliefde voor alles wat Russisch is, en ooit, ooit reis ik door dat barre deel van de wereld.

Een aarzelend gesprek, eerst over muziek, dan over verblijfrecht, over de zoektocht door Europa. Een aarzelende Rus, net zoals ik ervan hou. Integer en vol heimwee naar zijn familie. Wat hij hier kwam doen, ik kon het niet laten, ik wou het weten. Hij vertelde over zijn vrienden, over rondtrekken door Duitsland en over muziek. Ook over de pijnlijke kilte in zijn geboortedorp, de vrouwen en de liederen. En altijd maar weer muziek. Hij had verschillende audities gedaan, in Gentse scholen, om nog meer met muziek bezig te zijn, maa het had niet gewerkt. ‘Too good’, was het devies. ‘You should do master na master.’ Omwille van een hoop papierwerk en geen geld was master na master geen optie en nu speelde hij muziek op straat. Met in zijn zak een oude gsm waarvan hij het nummer niet wist.

We moesten afscheid nemen, ik zei het al, het was een gestolen moment. Het liefst van al was ik aan zijn lippen blijven hangen, hadden we samen wodka gedronken en had ik af en toe tegen mijn lief gezegd : ‘ik wil zijn hele leven horen’.

We kregen een bierkaartje van hem, waar hij, met een kapotte stift uit mijn sjakosj, het volgende op schreef: THE COMPATIBLE – street musicians.

Dat waren hij en zijn vrienden. Het was niet bijzonder veel soeps, zei hij, maar wel fijn. En ze konden wat geld sprokkelen op die manier.

Ik YouTubete de naam toen ik later het bierkaartje in mijn handtas vond.

En toen moest ik gaan zitten. Heel lang zelfs, want ik vond bitter weinig, maar wat ik vond, was zo overweldigend dat ik ter plekke door mijn knieën ging.

Nu luisteren we vaak nog naar onze Russische vriend, en ik zou hem keihard terugzien, nog een keer. Ik praat erover met de kinders, en we lachen om de staartvisviool en treuren dat het stuk zo kort is. We zien de sandalen en ik dis verhalen op over mensen die naar de andere kant van de wereld verhuizen, dolend, om samen muziek te maken. We buigen voor elke, maar dan ook elke straatmuzikant die we zien, en zijn verrukt als we parels ontdekken.

‘Voor een muzikant doe ik altijd mijn pet af’, zei mijn lief ooit, en dat is van het wijste dat hij ooit zei.

 

Meneer Andrei, ik buig voor u. Ik buig voor uw Compatiblebroeders.

Een ware  eer dat we ooit dezelfde toog deelden.

 

Ongewild

February 18th, 2012

We behoren plots samen tot een groep waarvan we allebei liever geen deel zouden uitmaken.

Ik al langer, zij nog maar net.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik haar, want ik heb geleerd dat doen alsof er niks is, het ergste is.

Dat slecht het antwoord zou zijn, dat wist ik wel. En ook dat de nachten zo lastig zijn, en dolend ook een beetje. En dat gevoel van ‘al was het nog maar één keer’.

Ik weet het, ik weet het.

Ik hoef niet te zeggen dat het betert, dat komt vanzelf. Ik hoef niet eens de rauwheid ervan te onderstrepen, want toen ze plots haar hand op haar hart legde, voelde ik dat ze het nu al wist. Ik luister naar de botte dwaze reacties die ze kreeg, en dacht aan de onbeholpenheid waarmee mensen verdriet een plaats proberen te geven. Om een boogje heen lopen, meewarig schudden: been there, done that.

En het waren niet eens vreemden.

Ik ween een beetje mee. Om haar verlies, om haar ruwe snikken en haar gebogen rug, bepakt met dat loeihard verdriet.

Als ik de Kantienberg beklim, door de modder, voorbij de heerlijke werkmannen en de studenten die precies uit de grond en de muren kruipen, voel ik dat het haar zal lukken. Rauw, Onrustig en Alleen. Maar ze zal dat doen, omdat ze niet anders kan, en omdat het nu eenmaal zo is. Oh ja, het zal lukken.

Als we de dood meedragen, is het leven klote.

Maar ook klote went.

Of het doet alleszins minder pijn na een tijd.

 

Eerst stak ze haar tong uit, daarna zag ze eruit als een triestig musje.

Dit was echt lachen, ja.

Koud

February 11th, 2012

Please, please.

Geef me nog tien weken dit weer.

Het is het beste van mijn leven, die koude.

Ik weet dat u meewarig schudt, en me waarschuwt voor gesprongen buizen en bevroren kettingen. Ik weet dat het lastig is, als je het nooit warmt krijgt.

Maar dit weer kan mij zo ongelooflijk hebben. Zo ongelooflijk veel.

Oh, en ik wil een tattoo, heb ik deze maand beslist.

Nog zoiets dat mij kan hebben.

En oh ja, je moet de Standaard lezen dit weekend. En speuren naar tekenen van véél te weinig slaap. 3 uur, zoiets. Maar wel lekkere cassoulet.

Wij hadden namelijk een heerlijke zaterdag te verteren, en die duurde veel veel veel te lang, nietwaar Oon?

Maar ook lange nachten en korte dagen kunnen mij hebben.

Februari-liefde, peis ik.

Zware zware februariliefde.

Het begon allemaal met de babbel over het nieuwe bed.

Anouk is al jaren een zigeuner, slaapt in een hoekje op een vodje als het zou moeten, en verdient, nu haar kamer bijna klaar is, een eigen bed.

Een eigen dubbel bed. Voor als oma komt slapen, was argument nummer 1.

Of voor als je een lief hebt, nummer 2.

We moeten daar niet flauw over doen, ‘t kind is 12 en binnen een paar jaar is het van dat.  Het kan nog lang duren, maar evengoed is het binnen 5 jaar koekenbak. Handen vasthouden, samen muziek luisteren, zo begint dat hé.

Het is niet omdat ze een dubbel bed heeft, dat dat lief hier zal blijven slapen, je ziet het van hier, maar wacht, er overviel me plots iets deze week.

Het was toen ik in mijn eigen bed lag, en mijn lief naast mij kroop.

‘Ik kan onmogelijk een schoonmoeder zijn’, fluisterde ik verschrikt. ‘Ik kan dat niet. Nu niet, en zeker niet binnen 5 jaar.’

Mijn lief lacht om zulke verschrikkingen, want hij is altijd voor alles klaar, ja.

Ik niet dus. Ik loop hier het hele weekend met mijn haar verwaaid rond, in mijn trainingsbroek, verpruts de helft van mijn leven in mijn keuken (en achter mijn strijkplank, een mens moet daar ook niet flauw over doen) en moet mezelf af en toe een klopje geven om weer naar het echte leven af te dalen. ‘Ge zijt geen tien jaar meer’, wil dat klopje dan zeggen.

Schoonmoeder, dat is voor binnen twintig, dertig jaar, dacht ik altijd. Maar ik was compleet vergeten dat kinders niet wachten om verliefd te worden tot ze vijfenveertig zijn.

Dedju zeg.

Het is niet zozeer dat mannelijk schoons dat ik ontzie, daar kan ik best wel tegen.

 

Het zijn de ouders.

 

Héhé.

 

Ik moet dus keihard beginnen trainen, wil ik niet compleet onderuit gaan als schoonmoeder. Serieus.

Ik heb nu nog rustig de tijd om te oefenen, en mijn skills te gebruiken in andere, even penibele situaties. Als het niet lukt, wat realistisch is, dan kan ik ze, een pak gemakkelijker en gezellig voor mij, ook koppelen.

Ik ga dus voor dochter 1 alvast op zoek, en aangezien deze knappe man al bezet is voor dochter nummer twee, stel ik al mijn hoop op dochter nummer drie, die ik koppel aan dit schoon kind, dat mij nog maar één keer zag, maar nu al zo schoon mijn naam kan zeggen.

En als er één vrouw is die ik als schoonmoeder voor mijn kinders wil, dan is zij het wel.

One down, two to go.

Fiew.