Er is een compleet evenwicht in mijn huis.

Drie dochters. Evenveel jongens die niet van mij zijn. Een moeder, ik. Een vader, Jan.

Een peuter die constant naar eten zoekt, weent als iemand anders tegen mij spreekt, en vooral veel babbelt, de hele dag door.

Drie kleuters die de grappigste opmerkingen maken, twee van hen zetten grote ogen op als ik onnozel doe, het zijn dan ook mijn eigen kinders niet, die twee.

Zegt de ene tegen de andere (en de ene kent mij beter, dat is waar): ‘Marietje is zo. Soms doet ze heel gek. Net als mijn papa.’

Zegt de andere: ‘Oh, mijn papa is altijd gek.’

Ik lach een beetje, omdat ze me allebei aan hun respectievelijke vaders doen denken.

10 jaar geleden konden wij ons niet voorstellen dat ze samen groot zouden worden, want wij waren zelf nog halve kinders.

Ik heb daarnaast ook 2 pubers, van 12, wijs wijs wijs. Ze profiteren enorm van het tijdsgebrek dat ik heb, om te vluchten achter de tv, maar zelfs dat kan me niet deren. Ze gaan naar de cinema, trekken zich samen terug en babbelen over dingen die ik liever niet wil weten, denk ik.

Oh, kinders, het is mijn lang leven, zeg.

Maar ik zal geen zonen meer maken, neen. Voor het geval u de honderdduizendste bent die het misschien wil suggeren.

Neen, kroost compleet. Huis vol.

Alleen vriendjes en vriendinnetjes nemen we er nog bij.

Al twijfel ik aan één van mijn logés.

Zijn mama zou blijkbaar beloofd hebben dat hij voor ALTIJD bij ons mag blijven wonen.

Mijn lief is gevallen op de markt van Poperinge.

Terwijl hij de openingsdans aan het oefenen was. De duts.

En ik ben mijn jeansjas van American Outfitters kwijt, ook daar op de markt.

Al een geluk dat het wijs was, daar. Met oude bekenden en coole mensen, schone muziek en slechte braadworsten.

En al goed dat we nieuwe dingen in huis hebben. Oude nieuwe versterkers.

Altijd altijd leuk als mijn lief speelgoed gaat kopen. En altijd altijd leuk als ik zes kinders onder mijn dak heb. Tot woensdag.

Ridderkasteel, here we come.

De héhé.

August 17th, 2011

Ik dacht dat tijdens deze maanden een gevoel van héhé me zou overkomen. Zo van zitten en genieten en weten dat alles dat moest gebeuren ook echt gebeurd is.

Ik heb het niet. Langs geen kanten. Njet.

Ik heb geweldige momenten, er zijn hoogtepunten, het is fijn en het doet deugd om de dochters te zien groeien, maar ik heb geen héhé dit jaar.

Ik heb die namelijk heel erg nodig, die héhé. Eén keer per jaar, zo ergens in het midden van de zomer.

Vorig jaar kwam ze laat, maar ze kwam. Half augustus, ergens aan een tafel in Poperinge. De poetsploeg tante-mama waren net geweest en mijn hele huis was – eindelijk – op orde. We vertrokken voor enkele dagen mee, en ik wist dat voor één keer we thuis zouden komen en mijn huis er nog even netjes bij zou liggen.

Dat gebeurt dus één keer per jaar, ja.

Maar dit jaar komt ze niet. Ze heeft verlof gepakt.

En dat maakt mij een beetje onrustig. Want ik overleef geen lange winters zonder die adempauze in de zomer. Ik sterf als ik een heel jaar moet crossen en mezelf constant voorbij zie hollen.

Moest u ze tegenkomen, stuur ze gerust mijn richting uit, ik heb ze namelijk keihard nodig.

De Kaft, dat is voor de herfst.

Ik ga daar nooit naartoe in een ander seizoen. En aangezien we toch allemaal het gevoel hebben dat het bijna Kerstmis is, past de Kaft dus vanaf nu ook in de zomer.

Ik kom daar anders eigenlijk alleen maar op momenten dat de donkere winter in aantocht is, en ik vlug vlug nog wat leesvoer wil voor ik aan mijn winterslaap begin.

Waar ik in de Slegte altijd een goedkoop supermarktgevoel krijg, is deze winkel een ouderwetse rommelmarkt, waar je nog schatten kunt vinden.

Het laatste boek dat ontbrak in mijn BartMoeyaertcollectie, vond ik hier. Het beste kookboek ooit, dat kwijt is, en vegetarisch, vond ik ook hier, net als de tweedehandsversies van Pluk van de Petteflet en Otje.

Oh, en terwijl u dan toch een hoop boeken hebt gekocht, klim eventjes, de Jozef Plateaustraat omhoog, en spring eens binnen in de Vooruit (wachten tot september wel, de Vooruit is dicht tijdens de vakantie). Er is niets dat meer herfstiger is dan boeken, mufheid, muntthee en het decor van één van de schoonste cafés van Gent.

En ik wéét dat de Vooruit niet Gent is zoals u het nooit zag, maar het gedicht op de zijkant van de muur is dat wel.

Op naar Gent zoals u het nog nooit zag – de zijgevel van de Vooruit, nummer 8.

 

 

 

De Kaft - Kortrijksepoortstraat 44, 9000 Gent – onlineshop en echte winkel. Vlakbij halte tram 1, richting het station.

 

Drama drama

August 11th, 2011

We zijn Stinkie kwijt.

Officieel. Voorgoed.

Clarisse rouwt. ‘Mama, ik mis mijn vuile stinkie.’

Ik zei haar dat ik hem ook mis, en ik meen het, en ik zei haar ook dat dat gehuil dat ‘zomaar uit haar keel komt’, verdriet is.

Rauw rauw verdriet.

Dat iedereen soms eens heel verdrietig is, en dat ik hoop dat het hare overgaat. Maar dat je moet wenen, als je iemand keihard mist, omdat je wil dat hij eigenlijk bij je is.

Soms gaat ze eens tot bij de voordeur, en fluistert ze ‘stinkie, toch, waarom laat je me in de steek’. Ze vraagt het niet, ze zegt het gewoon en daarna gaat ze keihard zitten zuchten in haar zeteltje. ‘Ik zucht’, mama, met mijn keel’, voegt ze eraan toe, alsof de woorden haar verdriet willen onderstrepen, of benadrukken.

Ik voel haar onrust, want ze wil erop zuigen, en aan zijn kapotte pootjes wriemelen, ze wil zijn slechte geur reuken, lijk alsof vrienden spelen met hem, ze wil hem zelfs gewoon ‘nog één keer zien, mama’.

Ik dobber mee op haar verdriet, en sta versteld dat zo’n stinkend hompje stof zoveel gevoel kan brengen.

‘Zullen we hem begraven?’, vraagt ze plots, net als de kat in haar boek.

Waarop ze weer in huilen uitbarst.

Want begraven, dat kan alleen als je er nog een heel klein beetje bent.

Ocharme, denk ik, en tegelijkertijd want een geluk dat je 4 jaar bent, en dat dit jouw grootste verdriet mag zijn.

 

Fijn gezelschap, petekindjes, een beetje drank en eten.

Goeie weekendavonden maken mijn weken draaglijk.

Die gast op de linkerkant, dat is onze Benny. De enige man die mij aan Mister E doet denken, fabuleuze t-shirts draagt en weg komt met een baard. Naast Mister E himself, uiteraard. Tegenover hem zit zijn lief, dat is ons Joke. Ze draagt keicoole kleedjes met doodskoppen op en is het liefste lief dat ge u kunt inbeelden.

Ze zijn eigenlijk allebei het liefste lief dat ge u kunt inbeelden, want ze passen verdomd goed bij elkaar.

Ik zie ze weinig, maar heel heel heel graag. Joke en ik delen Kriek Boon, Brugse Zot en lacherig doen met de Flair, Jan en Benny delen dezelfde intelligentie en zijn even spaarzaam met hun woorden.  Samen delen we verhalen-over-hoe-we-elkaar-leerden-kennen, het feit dat-we-eigenlijk-als-bij-toeval-aangetrouwde-familie-zijn en het gevoel-dat-elkaar-meer-moeten-zien-maar-dat-het-er-nooit-van-komt.

Van alles ben ik zeker, alleen dat laatste, tja, dat hoop ik gewoon keihard.

Oh, en de koffie, daar moet u zich niks van aantrekken. Sommige vrienden, beste vrienden, die er ook waren, drinken koffie bij hun kip.

Vlakbij het Muinkpark heb je een klein kruidenierswinkeltje.

Je kunt het herkennen aan de luifel. Die heeft namelijk de kleuren van Elmer de olifant.

Sandra is er de baas. Je kunt er brood en koeken en taarten en beleg en yoghurt en snoep kopen. En fruit voor de studenten die zich schuldig voelen.

Het winkeltje is er al lang, en ik heb zo het gevoel dat het er altijd open is. Behalve op zaterdag.

Het staat er bakkensvol, heeft een gezellige rommeligheid over zich en het lijkt alsof de voordeur zijn armen opendoet elke keer als ik er passeer.

Ik verlies daar steevast teveel tijd, want ondertussen kennen Sandra en ik mekaar en babbelen we over kinders en vakanties en ouders en zwangerschappen.

Het is een taaie tante, Sandra, en ze heeft het voor u of ze heeft het niet voor u. Maar ik vind haar zalig en ze heeft het voor mij, dus wij zijn kruideniersmaatjes.

Gooi daar mijn voorliefde voor kleinere winkels en hardwerkende zelfstandigen bovenop, en u weet beslist waarom u hier eens moet langsgaan.

Voor een brillenkoek en een quiche, bijvoorbeeld.

Zomaar, plots

August 6th, 2011

Zomaar, op een avond, stelde ik mijn leven in vraag.

‘Keppe, ik weet het niet. Er gebeuren rare dingen in mijn hoofd.’

Op ons koertje mag dat, ons koertje is zware gesprekken gewend, en ze is altijd een beetje als een laken voor als je koud hebt in je bed, ons koertje.

‘Ik droom ‘s nachts van dingen die ik zou willen doen, en het lukt ook altijd een beetje. Maar het probleem is dat ik dat in de werkelijkheid niet kan. Al zou ik het willen. Filmen bijvoorbeeld, of een café opendoen met veel boeken en oude lampen. Een diploma grafische vormgeving op zak hebben, of tenminste mijn ideeën kunnen vertolken naar iets echts.’

‘Goed bezig’, repliceert mijn lief zeer serieus,’ ik hou van mensen met ambitie, en je kunt nooit genoeg nadenken over wat je eigenlijk wil zijn.’

Ik dwaalde af en dacht wat als ik nu geen Latijnse had gedaan, maar een richting met meer praktijk, of wat als ik nu vanmijnleven niet beslist had om in het onderwijs te willen gaan, wat als ik naar een technische school was geweest, en minder ganse dagen boeken had gelezen toen ik klein was, wat als ik mijn huidige job, die ik via via vond, niet had, zou ik dan ook geen drie dochters hebben gehad.

Ik dacht ook aan alternatieven, om die onrust in mijn hoofd een plaats te geven. Wat als ik nu eens gewoon een cursus volg, van iets dat ik eigenlijk echt zou willen doen, zo om te zien of dat lukt, en om te voelen of mijn hart dan rustiger wordt.

Ik lachte mezelf uit. Ja, stel je voor dat ik een cursus film volg, en dan hele dagen iedereen loop te filmen. En dat ze dan stiekem denken, oh neen, ze is daar weer met al haar film. Familiefilm en altijd overal mijn apparaat mee naar toe. Stelduvoorzeg.

Ik zal maar eens zoeken naar iemand die wil filmen op ons feest.

Dat is een begin.

Onze jongste, dat is mijn lang leven: ze slaapt een gat in de dag, eet mijn portemonnee leeg en babbelt veel, maar niet genoeg om te moeten zeggen dat ze een keer moet zwijgen.

Vorige week ontdekte ze, tot haar eigen verbazing, een nieuwe bezigheid.

Pipikakapotje.

Ik lachte een beetje groen, want ik ben een luie moeder en luie moeders wachten lang genoeg voor potjestraining. Ik ken dat, ‘oh de mijne was al proper als hij nog maar anderhalf was’.

Bon, we hebben dus een compromis, wij. Zij mag haar stuutjes opeten op de pot, maar wel met een pamper aan.

Terwijl ik een beetje zielig stond te koken: 1. omdat mijn verlof welbepaald anderhalve week duurde 2. omdat ik de winter voelde, zo kokend met kinders en buiten regen 3. omdat mijn eten op niks trok, riep Clarisse zo zachtjes : ‘mama, kijhijk’.

En daar ging ze. Simontje toch. Vanop haar potje, rechtstaan, en dan richting keuken. Ze weet verdomd goed waar ze moet zijn. ‘Nie andjes’, besloot ze tevreden toen ze aan mijn broek hing, en ze zuchtte een beetje na.

‘Daar gaat ze’, zong ik een beetje melo, want ik was wel extreem trots, maar ook nog altijd een heel klein beetje zielig.