Jan heeft een voorliefde voor bonen en kolen. En voor erwtjes, maar dat is een verhaal apart.

Ik maak ze veel te weinig klaar. Ik stoofde eens slaharten in wat boter, overlaatst, en je had zijn gezicht moeten zien.

Net zoals die keer met de rode bieten en sinaasappel, het was iets van Ottolenghi, maar mijn boek is op vakantie, dus ik weet niet meer wat het was. Veel werk, ja, maar zalig werk, zo alleen in mijn keuken. ‘Buiten categorie’, mompelde Jan met zijn mond nog vol rode biet. Toen nam hij gepaneerde prei, met paprikarelish en at op zijn gemak voort.

‘Waarom maak je geen leefkeuken?’, vroeg de architecte me toen ze voor de eerste keer kwam kijken. Zo lekker gezellig, allemaal samen terwijl jij aan het koken bent?

‘Neen.’

Ze schrok misschien een beetje van de vastberadenheid, maar dat was dan maar goed ook, want ik meende het.

Ik legde haar uit van ons huis dat te klein is en plots alleen maar keuken zou worden. Van rommel in mijn keuken ook, die ik graag laat liggen. De zeldzame rust die ik vind als ik alleen ben, en voor het fornuis sta. Zo wat roeren in mijn potten en kijken naar bonen die gaar worden. Ondertussen denken aan dingen die nog moeten gebeuren, maar op een rustige manier.

Ik hou dus alleen van open keukens op een ander. Mijn keuken wordt klein, kijkt op de straat en zal ooit vol schone dingen staan. Oude kastjes, en een megacoole broodsnijkast van de jaren vijftig die ik afpingelde van i.

‘Dat treft’, zei de überwijze buurvrouw die recht tegenover ons woont en van wie de keuken zich ook aan de straatkant bevindt.

Dat treft zeer zeker, want nu kunnen wij gelijk echte huisvrouwen eens zwaaien naar elkaar.

En keukengeheimen delen, of naaigeluk.

Want mijn übercoole buurvrouw kan goed koken, en naaien eigenlijk ook.

We schoven aan in de rij , aan de kassa van de Quick in Oostakker.

Voor ons stonden drie serieuze beren van jonge gasten, wij leken een beetje belachelijk in contrast met al dat mannelijks.

Drie paar grauwe blote voeten, ook. En gelach, gestommel en een beetje wankeligheid.

‘Ze komen van een festival’, fluisterde ik Anouk toe.

‘Hoe zie je dat?’, vroeg ze en ze keek plots vol ontzag naar de benen en de ruggen voor ons.

‘Aan de bandjes aan hun arm, schatje, later zul jij dat ook doen. Naar een festival gaan, en dan je bandje keilang willen aanhouden. Omdat het je zal herinneren aan fijne tijden met je vrienden, of je lief.’

Bij lief krulde haar neus, en draaide ze vies haar gezicht weg.

‘Ik zal echt geen lief hebben, ik zal wachten op de echte ware, mama.’

Over dat ze lang, heel lang bij mij wou blijven wonen, om te sparen, en omdat je nooit weet als je de misse keuze maakt. Ze zou wachten, zo lang mogelijk, en het liefst een eigen huis bouwen. Ze vroeg zich ook af hoe het kwam dat niet ieder koppel kust in het openbaar. Niet van dat vies kussen hoor, maar van dat zoenen omdat je mekaar graag ziet. Wij doen dat veel, Jan en ik, zegt ze, elke dag wel een paar keer. Voorts keppen we ook, en dansen we soms en doen we van Verbinding en geven we vijflingzoenen aan elkaar. Ik doe dat blijkbaar ook veel met haar, haar kussen. Op haar hoofd, benadrukt ze. Ze vindt het best fijn, maar ze weet niet alsof ze het voor altijd fijn zal vinden. Raar, zei ze, dat niet iedereen dat doet. Het zou beter zijn voor de wereld moest iedereen mekaar graag kussen. ‘Met verliefdheid erbij’, voegde ze er ernstig aan toe.

Terwijl ze ratelde, haalde ze haar nieuwe MP4-speler uit mijn handtas, die ze net gekregen had, samen met de cd van Adèle. Ze streelde erover als over goud, zeg, en pakte mij nog eens vast. ‘Bedankt, mama, ik weet dat 50 euro heel veel geld is, maar ik zal er zoo goed voor zorgen, echt, voor altijd.’

‘Mag ik mijn schoenen uitdoen en vlug eens van de glijbaan gaan?’ vroeg ze plots en voor ik het wist was ze weg. In de Quick op de glijbaan, for all places.

Het is toch af en toe dus nog een klein meisje, tussen al die gedachten en dat opgroeien, zuchtte ik opgelucht.

En van goud, ja. Ik moet het telkens opnieuw opschrijven om het te beseffen.

We kregen er, zomaar en voor niets, een meisje bij, dit weekend. Net twee geworden en dus perfect in de categorie ‘wil het liefst op mijn bil zitten’. We hebben nog zo’n exemplaar, de kleinste. Mijn billen zijn geld waard voor die twee ladies.

Haar mama zit in Nepal, en wij gingen zorgen voor haar in Gentbrugge. De meest exotische bestemming van de zomer voor mij.

Plots werd ik wakker en keek ik buiten over velden, zag schapen grazen en wolken passeren. Ik kon daar wel een uur blijven zitten, zo met wat koffie en een eeuwige blik op groen. Wat anders dan de grijze daken waar ik normaal gezien mee wakker word. Maar net dat contrast maakt het verrukkelijk.

Het gaat goed dus, met het extra kindje. Geen zorgen en alleen maar plezier. Ik kreeg nog nooit zoveel kussen en knuffels en daar doen de eigen dochters ook gretig aan mee, gezichtsverlies zou een schande zijn, denken ze wellicht.

Terwijl zij door de bergen in Nepal trekt, droom ik van een huis op de buiten. Maar ik droom veel te veel, dus ik hou het bij twee weekends met vier dochters.

Het lijkt alsof wij hier nog nooit weg zijn geweest, eigenlijk. Vier dochters in de plaats van drie, ça marche très bien. Ik hoor van alle kanten ‘mama’ en als ze zichzelf betrapt dat dat woord ook uit haar mondje komt, dan neemt ze vlug de verfrommelde foto van haar mama bij zich, en lacht eens lief. Ze mompelt nog iets dat op broerke moet lijken en zet haar vrolijke weg naar de trampoline verder.

Want ach, wij hebben plots een schommel en een trampoline en een tuin met gras en al. ‘We zijn helemaal op reis, mama!’, gilt Clarisse terwijl ze in de lucht aan het springen is!’

Trek maar rond, lieve vriendin en broerke, in Nepal, uw dochter en wij zien het komende weekend helemaal zitten.

Met de verfrommelde foto in de hand, dat spreekt.

Mijn mailbox ontploft van mails met rode vlagjes. Mijn sjakosj zit vol briefjes, verkreukeld en vol met telefoonnummers, uitroeptekens en Belangrijke Afspraken. Ik moet bellen naar hier en afspreken daar. Er moeten nog leveranciers gezocht worden en ik ben nog bezig aan de uitnodigingen. De zaal moet bezocht, de dj moet zijn playlist hebben en kleren, begod, kleren. Jan wil een kleed aan, en ik vind dat niet eens erg. Dan draag ik wel een jeansbroek.

Het is nog 2 maanden voor ik feesttrouw. En ik heb nog bergen werk. Best wel plezant, eigenlijk. Uitgenodigden inviteren. Grappen maken en zeggen dat je, als je mocht kiezen, je schoonvader naast die lieve Sylvie zou zetten. En tante Jacqueline mag dansen. Wij hebben de heerlijkste tante Jacqueline van de wereld. De beste dj ook, ja dat is waar.

Ik maak een lijstje, dus. Het Lijstje van de Liedjes. Ik zie hem al zuchten, die lieve Erik. Daar hou ik me dus heel dagen mee bezig. YouTube, Stijnalsneverendingsource, mijn vrienden die Facebook opleuken met liedekens, onze eigen collectie, de minidiscen van Jan, mijn geheugen. Ge kent dat wel hé, ik de kweelers en hij de rock. Zo ongeveer.

Maar nu heb ik wel een keer een taak voor u, sie. U, die hier zomaar mijn leven gratis en voor niks krijgt, u mag mij een keer komen vertellen welk liedje u zou kiezen. Dan kan ik dat allemaal een keer beluisteren tegen september. Kruipt voor één keer in mijn commentaren alstublieftdankuwel. Beschouw het dan maar als een trouwcadeau voor mij en mijn heldhaftige vent.

Mijn dj zal u misschien niet zo dankbaar zijn, dat spreekt. Maar ik wel. En u komt toch naar hier voor mij, niet? Ik dacht het.

Allee, ik geef u mijn momentele voorkeur al mee, dan ben je op weg.

Arcade fire – We used to wait – unstaged. Het liefst met de zanger in het echt erbij. Dat mag u uiteraard ook altijd proberen te regelen als u dat kunt.

 

Terwijl ik al een beetje in vakantiestemming ben, zonder verlof, is Meneer Vertellementen altijd drukdruk bezig. Met stilstaan in de file en lange dagen maken, met moeilijk hout op de zolder terwijl de zwaluwen langs zijn hoofd vliegen, en met dochters die alleen maar samen met papa gewassen willen worden. ‘Omdat papa mijn beste vliend van de hele wereld is, mama.’

Hij doet al zijn taken zo zorgvuldig en accuraat, ik ben er soms niet goed van. Meneertje Standvastigheid, noem ik hem soms lachend. En dan denkt hij eerst een paar minuten voor hij ook lacht.

Gisterenavond was ik moe, doodmoe. Compleet mijn eigen schuld, en mijn kinderen zaten er voor niks tussen. Het was wel met een big smile, mijn moeheid. Dat scheelt.

Ik wil muziek horen vanavond, had ik hem overdag gemaild.

Dan zal muziek je ding zijn, antwoordde hij, en hij legde keiveel goeie muziek op van toen ik thuiskwam tot ik ging slapen. Af en toe stak hij er een Marc Ribot of John Zorn tussen, maar kom, daar doe ik niet moeilijk over als ik te moe ben.

‘Ik wil bij je zijn,’ piepte ik tussen de muziek door, en hij zei dat ik bij hem was. ‘Nog dichter,’ piepte ik weer.

‘Hoe komt het toch dat gevoel bij mij altijd tot op het bot gaat de laatste jaren?’. Ik stelde de vraag aan hem, maar ik weet dat hij op dat soort vragen moeilijk een antwoord vindt. Hij vertelde rustig over hoe weinig dingen hem van streek kunnen maken, en hoe leuk hij bepaalde zaken ook vindt, het gaat niet zo gemakkelijk tot op het bot.

Dat van dat tot op het bot gaan, en gevoel en wankelen en mekaar graag zien, wij kunnen daar eindeloos over doen. Ik één brok emotie, hij een beetje mijn tegenkant. Dat werkt, die aanvulling op elkaar, dat werkt zo ontzettend goed bij ons. Stel je voor dat hij even emotioneel zou reageren op de dingen. Ik moest giechelen bij die gedachte, want het zou hier proper zijn, vrees ik.

‘Het was druk in mijn hart deze week, keppe,’ zei ik zonder dat het nodig was. Hij weet dat, wanneer er file staat in het binnenste van mijn binnenkant. Ik vertelde hem over het verdriet voor dat zoontje dat zo ver weg zit en plots boem kadetsj tevoorschijn komt. Zoals die zolderdeur die je bijna niet opent. Over gemis en over extreme vreugde over dingen die mij zo blij maakten deze week. Ook over zorg voor anderen, en hoe ik het soms nodig vind dat ik niet rationeel ben en cynisch doe en een afwachtende houding aanneem. Mensen graag zien zonder voorwaarden. Dat diversiteit zo verrijkend is, en dat ik een ongelooflijk goeie avond had op een terras deze week, met fantastische mensen bij mij. Daar moest ik allemaal achter komen, deze week. Mo dag Madam Vertellementen, zei ik een beetje verwonderd toen ik mezelf tegenkwam.

En hij, hij snapt dat altijd allemaal. Van echt snappen hé, niet doen alsof.

‘Onze wereld ziet er goed uit’, besloten we op The look you gave van Eels.

Want Eels, dat is een beetje het schoonste van de wereld als je bakkevol gevoel zit.

Prins

July 6th, 2011

U weet wel, ik heb 2 spookjes op mijn werk. Kasper en Romy. En dat zijn ook mijn kinderen. Maar dan veel kleiner en veel ondeugender dan de echte.

Elke avond hangt ze aan mijn lippen. Zelfs tijdens het eten wil ze verhaaltjes horen. ‘Mama, asjeblief, je bent de beste mama en je hebt de mooiste verhalen. Ik zal al mijn boontjes opeten als je nog een verhaal vertelt.’

En zo kwam dat ik gisterenavond vertelde over mijn twee spookjes. Over hoe ze dolgraag naar die Prince op het plein wilden kijken. Om nadien tot bij hem te vliegen en een handtekening te vragen. Ik legde hen uit dat ze te klein zijn, en dat ze waarschijnlijk gewoon vertrappeld zouden worden door al die blije mensen. Maar ze zijn stoutmoedig, die spoken van mij, en ze leggen zich niet zomaar neer bij moeders raad.

‘Als we nu eens in de dakgoot van jouw werk gingen zitten?’, besloten ze plots. En al leek het een vraag, het was een vaststelling. De popcorn, chips, komkommer en tomaten verzon Clarisse er zelf bij. Ze was eigenlijk zelf ook graag geweest, antwoordde ze, maar ja, dat kon niet, ook al vind ze prinsen mooi en lief. Ik zei dat de spookjes het gevraagd hadden, maar dat ik heel streng had gekeken en toen had uitgelegd dat dakgoten voor kleine meisjes veel te gevaarlijk zijn. Dat snapten ze wel, Kasper en Romy, de chips en popcorn maakten dan ook veel goed.

‘Ik kon ook niet vliegen, mama, dat is jammer maar waar.’ Ze had door waar ik nog niet aan had gedacht.

Ik kan wel vliegen, dacht ik bij mezelf. Vanavond.

Verleden

July 6th, 2011

Hij is grijs en hij is geeneens vijfendertig. En hij blijft de schoonste grijze mens van vijfendertig en omstreken, zonder twijfel.

Hij torent boven me uit en als ik hem een zoen wil geven moet ik op de toppen van mijn tenen staan. Net zoals je een veel te hoge boom wil kussen.

We waren elkaar kwijtgespeeld. Er ging veel pijnlijks aan vooraf, voor allebei. Op een of andere manier. Maar omdat al dat pijnlijks nooit echt tussen ons was komen staan, was ik zo blij dat ik hem terugzag.

Voor een keer was uw madam Vertellementen niet aan het ratelen geslaan. Maar keek en luisterde ze met open mond naar hem. In het verleden was het altijd anders geweest, dan had ik getetterd en had hij een beetje gelachen en gezegd dat alles ok was. Ook als het niet ok was.

Nu was het goed. Ik voelde het van de eerste keer, en net daarom zat ik eigenlijk de hele avond te lachen. Van blijdschap en ontroering en geluk.

Voorzichtig toetsten we onze levens aan elkaar af. Of we spijt hadden van iets, en ons schuldig voelden. Wat ons blij maakt. Of het met mijn dochter ook soms zo moeilijk voelde. Wij hebben namelijk allebei een dochter, bijna even oud. De zijne turnkampioen, de mijne een accordeonster.

Het leek alsof ik vijftien was, mensen. Zo van dat goed vijftien, waarin de wereld nog moet opengaan en alles aan je voeten ligt. Alles wat je wil.

Een gedeeld verleden, waarin ik een klein meisje was en hij me eens zei – hij zal het niet meer weten, begod neen – dat hij wel voor mij zou zorgen. Hij was niet eens mijn lief, maar echt mijn moat. En dat zorgen, dat was toen nodig. Echt heel erg nodig, bij momenten.

Ik voelde het, gisteren, dat de littekens van de jaren en de pijn minder donker leken. Niet alleen de zijne, maar evengoed de mijne. Al zijn die van hem moeilijker te dragen, denk ik.

Het afscheid was niet eens raar, alleen een beetje pijnlijk. Omdat je een leven niet samenvat in tweeëneenhalf uur op een terras.

Ik pakte hem vast, die boom van een man, toen we vertrokken, en trilde een beetje om de levenslust die ik zag, en om de blinkeling in zijn ogen.

Go go go, moat. Ik sta aan de zijlijn, maar ik ben zo vereerd om daar te staan. Echt echt echt.

Ik schrijf het hier, omdat je het nooit zou vergeten, keirel, en ook omdat iedereen mag weten hoe goed het met je gaat.

Met een hoek af

July 2nd, 2011

Ik las zijn oproep: dringend zaalmedewerker gevraagd. ps er mag een hoek af zijn.

Ik moest een beetje lachen, want ik ken geen mensen die personeel zoeken met een hoek af.

Maar ik vind ze wel heerlijk, die mensen die zo een beetje een stukje kwijt zijn.

Het was zoals de punker die naast me zat op de tram, in de ochtendspits. We reden naar het Zuid. De kraaknette mevrouw net voor mij hield haar handtas stevig vast, symmetrisch op haar schoot. Ze ademde wel, denk ik, want anders was ze omgevallen, maar voor de rest kon je niet zien dat ze leefde. Haar haar was stevig vast, alsof  het anders van de stijve vrouw weg zou springen. Dus zat het maar gevangen in speldjes en dotjes en heel veel haarlak.

De man aan de andere kant voor mij las de krant. En zoals elke ochtend worstelde hij met het sportkatern. Hij las namelijk het belangrijk nieuws, over politiek en onderwijs en spoorwegen.

Plots stak de punker een sigaret op. Zomaar, in een eeuw waarin al jaren niet meer gerookt wordt op het openbaar vervoer. Ochtendstond.

Er ging een walm van afkeer door de tram. Ik zag een krant wapperen, hoorde iemand hoesten en keek naar blikken die boos waren, verontwaardigd en een beetje machteloos. Niemand zei een woord, het werd zelfs stiller dan ervoor, maar het leek wel of de tram elk moment een sprongetje kon maken.

De nette dame verschoof haar handtas van de ene bil op de andere, en bracht zo de hele symmetrie in de war. Waardoor ze nog zenuwachtiger werd, en haar gladgestreken rok plots plooien vertoonde. Ocharme kraaknette dame. De man met de krant las op slag het sportkatern, iets wat hij nooit doet, maar nu was hij een beetje verwonderd en verward en dat kan veel aanrichten bij een mens. Zelfs als je schone schoenen hebt.

Een minuut later stopte de tram aan het Zuid, gingen de deuren op en stapte de punker af. Net als de rest van de kudde op de tram. Vlug en gehaast, alsof ze net de hel gezien hadden. Een iemand schudde zelfs het stof van zijn jasje, alsof het om een besmettelijke ziekte ging.

De punker, die had nooit de intentie gehad te choqueren, neen, hij was zich precies niet eens bewust dat hij hier lijnen overschreden had. Hij zat daar maar een beetje, te denken en te roken en vooral gewoon een punker te zijn.

Ik glimlachte nog toen ik op het werk kwam.

Zelfs toen ik koffie dronk en mijn pc van start liet gaan.

Omdat je voeten vegen aan een systeem toch soms heerlijk magistraal kan zijn.