Elke keer als ik hem zie, denk ik: ‘oh ik moet eens iets over hem schrijven’.

Gelukkig doe ik dat niet elke keer, want ik zie hem veel, en u zou rologen bij al mijn gezever.

Hij is de man – ondanks dat hij mij uitlachte toen ik zei dat ik ging trouwen – van mijn nichtje, en ze woonden tot voor kort heel erg dichtbij.

Jaren geleden, toen hij nog studeerde en ik ook, toen woonden we ook dicht bij elkaar in Gent. En wisten we allebei nog niet dat hij ooit de Italiaanse schoonfamilie zou worden. Wat hij wel wist, was dat hij toen in de zetel moest slapen, en ik in bed bij zijn lief. Hij crosste naar de Aldi om boomstammetjes en we aten dat op in zijn kotkeukentje, met spirelli. Je moet me verbeteren, El Magico, als het niet zo is.

Hij schreef mee aan de geboortekaartjes voor Anouk, zat samen op de trein met ons, en buisde maar één keer. Weeral, verbeteren als het niet juist is hé.

Plots kenden hij en Jan elkaar en brak er een nieuwe episode aan, waarin hij al een beetje de Italiaanse familie werd.

Later hadden hij en ik op dinsdag geen werk, en gingen we samen naar het containerpark, en daarna plakten we aan de toog van de Fabula Rasa.

Nog later sprong hij te pas en te onpas binnen bij ons, voor een tas koffie of een pintje. Of twee.

Toen kwamen er kindjes bij, bij hem de eerste, bij ons lading twee, en zaten we, op de avond dat zijn zoon geboren was, samen aan de toog in Ledeberg, om geboortes te vieren.

Nu heeft hij er twee, en ik drie, en we zien elkaar nog vaak, altijd met kinderen op fietsen of in autostoelen (of koffers, ssssttt, dat was éénmalig) en af en toe zcuhten we eens en vragen we ons af waar onze vrije tijd naartoe is. We willen afspreken met ons vier, zonder kinderen, maar er zijn geen gaatjes.

Hij weet veel van cijfers en als de gruwel voor vrouwen die met hem meegaan met bestofte broeken of lelijke ballerina’s. Maar zijn vrouw en ik lachen daar eigenlijk een beetje mee. Hij is de leidraad als we samen naar pretparken gaan, wij tjaffelen daar maar wat achter. Tot hij serieus zegt dat alles al geregeld is, met Fristi en al. Wij knikken en zijn blij dat wij gewoon kunnen babbelen. Hij is voor vlug vlug en Jan voor traag en rustig, maar toch komen ze overeen.

Wij lachen samen met beige TommyHillfigerschoenen met witte sportkousen, en goedkope deurbellen van de Aldi.

Ik moet een beetje slikken als ik dit hier allemaal herlees, want wij kennen elkaar al lang, heel lang, altijd anders maar altijd opnieuw.

En als ik hier met mijn haar ongekamd in mijn pyama ronddool op zaterdagvoormiddag, en de bel gaat, dan weet ik dat hij het is.

Ook al heeft hij een gruwel aan ongekamd haar en vrouwen die in pyama’s lopen. Denk ik.

Babbelen

July 28th, 2011

De kleinste stapt nog altijd niet.

Maar ze babbelt ons onder tafel. Ze zegt bijna alle woorden na, zelfs van die rare zoals peterselie. ‘peterlelie’.

Als je vraagt hoe het met haar gaat, dan antwoordt ze ‘hoet’, het blijft een halve Westvlaming toch.

Wanneer ze haar eten krijgt, dat ze helemaal zelf kan opeten, netjes met een lepeltje, roept ze : ‘Mama? Ekkerr.’ Tien keer, tot mijn hart helemaal gesmolten is. Ze zegt dan ook vaak ‘keppe mama’ en ‘keppe papa’ en kijkt met die smekende ogen en haar armen in de lucht.

Ze roept lalisse en nanoek en oma en peter en meme en draait dan telkens haar hoofd weg, zo gespeeld beschaamd willen doen.

 

 

Ze geeft ook zoenen, van die echte, als een echt ritueel en wil eigenlijk het liefst van al slapen.

In het bed van haar zussen, en alleen de trap op, het leven zou een stuk saaier zijn als je altijd content bent met je eigen bed. Dus af en toe staat ze aan de trap te bleiten. ‘Pelen en lapen’, zegt ze dan zielig, en ze wijst naar het paradijs.

Paradijs, nou ja, voor mij een containerpark, voor de dames het paradijs. Kent u de Floddertjes, uit Pluk van de Petteflet? Wel ja, zo ongeveer, maar zonder frieten.

Het leven is één en al perceptie, weet u wel.

 

Dit is geen hup hup hup verhaal. Dit is om traag te lezen, met uw ogen toe.

Ik at in de Vitrine.

Ik at eerder in de Wulf.

Ik zag Niels terug.

Ik zag Fam en ik zal u dat allemaal op een andere keer vertellen, van Fam en haar gigantisch goede smaak en wonderlijke hulp bij de inrichting van mijn huis.

Ik leerde Phil kennen, u wellicht beter bekend van het café dat bijna een droevig einde kent.

 

De Vitrine ligt op een plek in Gent waar ik ooit mijn hart verloren heb. Vooral figuurlijk, maar ook een klein beetje letterlijk.

Ik was dus blij dat ik er was. Het regende en het was te koud, dus het deed goed om de open deur binnen te stappen en ons aan de toog te zetten.

Mijn voorliefde voor de toog maakte een sprongetje.

‘Kom binnen en zet u’.

Dat was het gevoel dat wij hadden, ja. Na één minuut al. Allemaal doordat het er zo schoon was, en ook wel een beetje veel door de aanwezigheid van Phil.

Goede, perfect gekoelde witte wijn, per glas: heerlijk. Aperitieven met saucisson, salami, gedroogde worst en rilettes. Huisgemaakte pickles, gepekelde rode biet.

Ik wil het hierbij houden, schoot even door mijn hoofd. Dit is nu al het beste van het beste.

Maar gelukkig luister ik niet altijd naar mijn hoofd. Er is ‘s avonds één menu. 45 euro. Eventueel te verlengen met één extra voorgerecht, dan betaalt u 55 euro. Voor kaas op het einde betaalt u een supplement van 4 euro.

De chefs komen uw eten zelf aan tafel brengen. Met uitleg. Niet vlug vlug, maar een beetje als een gedichtje op Nieuwjaar. Over het uitsterven van rood rund, opgelegde look, en bosaardbeien.

In de Wulf werd ik helemaal week bij het eten van geroosterde prei, hier blaasde de geroosterde warmoes met belegen Bastiaensen me helemaal van de sokken.

Ik at ook lamsbuik. Verrukkellijke lieve lamsbuik, met erwten en tuinbonen met munt en bearnaise. Vlees en groenten in eenvoud maar pure klasse.

Ik dronk weer bier, Saison Dupont deze keer. Een bier dat netjes aanleunt bij alle godenspijzen die ik kreeg, maar ze toch niet overklast. Oef.

De Vitrine is machtig, zo machtig. Zeker als je, zoals ik, aan de toog kan eten en de gezellige bedrijvigheid van de mensen die er werken kan zien.

Het is alleen maar met de kracht van een meesterchef, de skills van gedreven personeel en de schoonheid (u moet gaan kijken naar het ontroerend mooi pand) van alles rondom u, dat het mogelijk is om zoiets perfects af te leveren.

Een parel, dus. In een schitterende buurt in Gent.

You rock again, Kobe. En waar ik in de Vitrine de Wulf verliefd was op de vaardigheden van Carl Couvreur, viel ik hier als een blok voor de drive van Phil, die u zo het gevoel geeft dat u in uw eigen living zit.

De Vitrine, Brabantdam 134, 9000 Gent. Open van dinsdag tot zaterdag. 093362808. Reserveren hé, anders heb je wellicht pech.

(Let niet op de fouten. Ik heb ze verbeterd. g en h: dat blijft moeilijk als ik moe ben.)

 

 

Die keer met de mayonaise.

July 25th, 2011

Die keer met de mayonaise, dat was op de Vlasmarkt.

Ik was er niet bij, ik was nog braaf en mijn lief is tien jaar ouder. Dus ja.

15 liter mayonaise. Tussen het volk, op de plaats van de Decadentie zelf.

Het ware niks, als die netjes in haar emmer was gebleven.

Maar dat was niet het geval, want iemand vond het leuk om ze over de kasseien te kieperen.

En velen vonden het nog leuker om er door te slieren, zo in een baan. Om ter verst. Mayonaise en een glijbaan. Een hoofd vol bier en een zon die opkomt.

Elk jaar als ik op de kasseien sta, denk ik eraan, glimlachend.

Zotte zatte mensen en mayonaise.

Ik zou er anders een beetje vies naar kijken en met mijn ogen rollen.

Eén keer per jaar kan ik ertegen, glimlachend zelf.

 

 

 

Ik deed het weer.

Ik trotseerde de kasseien – op hielen – en zette mijn verstand op nul.

Alleen met mijn hart ga ik naar de Vlasmarkt. Open en al.

It’s part of the game, bakkevol liefde naar het verderfelijke oord van mijn stad.

Lijk een spons ben ik, echt. Ik zie al die schone mensen en die opgetutte madammekes, de mannen die lonken naar alles wat hielen en lang haar heeft. Of kort haar. De wanhopige liefdesverzoeken, de blikken die mekaar kruisen. Het duwen en trekken en het half-beleefd zeggen dat blauwe plekken pijn doen.

‘Het zijn de krochten van jezelf, die je daar tegen komt: vermoeidheid, verlof en drank. Ik doe het niet meer,’ zuchtte een kenner mij toe.

Geen krochten voor mij, maar keldergewelven, van die oude en schone.

Mijn lief was genezen, ging mee, en stond een beetje te veel te genieten, met zijn oude maten. Hij gaat al veel langer en veel heftiger naar de Feesten dan ik. Maar altijd zo op zijn gemak, zo rustig alles overschouwend. Maar ook met zijn hart open en al.

Oh ik moet u vertellen over de vroegere Feesten, jaren geleden. Toen mijn lief nog niet mijn lief was, maar wel naar de Kinky Star ging. Over de 15 l mayonaise op de grond, en de fles vodka. U zult ongetwijfeld meewarig lachen, maar ik vind dat schoon. Dus u krijgt het vanavond nog op uw boterham, ja.

Als ik mijn kinders weer onder mijn vleugels heb, en mijn hoofd wat minder zwaar aanvoelt.

Ondertussen ga ik zweven, mijn lief vastpakken en nog eens zeggen dat ik wel duizend keer met hem zou willen trouwen.

Pure liefde dus ook, tussen mij en mijn lief.

Ik krijg vaak mail van u. Moeilijk om mijn mail te kennen, ik moet daar dringend eens werk van maken. Maar dat gaat dan via via, of via een comment, waar ik dan privé op antwoord en dan mailen we zo een eind weg. Niet altijd, en niet omdat ik geen zin heb, maar omdat ik geen tijd heb. Mails beantwoorden, soms doe ik het goed, vaak ben ik een luie doos. Vergeef me dus, het is pure luiheid.

Eén van de mails kwam van een lezeres die me een glimlach bezorgde: ‘Waar haal je toch de verhalen, mevrouw (let erop, mevrouw) Vertellementen?’

Ik haal ze niet, ze komen. Vanzelf, uit hun eigen, zomaar, hup van mijn ogen in mijn hoofd hup hup hup. Waar ze wachten op tijd en emotie en rijpen en plots doen ze teken dat ze gereed zijn. En dan moet ik enkel nog wat typen. Zo werkt dat dus, lezers, zo van hup hup hup.

Gelijk die ongelooflijke slungel die eergisteren op de Vlasmarkt stond. Te wachten op zijn liefje, dat, net als ik, aan het aanschuiven was in de rij om pipi te doen.

Hij zag er zo slungelig uit, dat je hem had willen vastpakken en een zoen op zijn voorhoofd geven. Door al dat slungels zag hij er ook ongelooflijk aimabel uit, en je zou hem bijna vijf frank gegeven hebben. Hij was minstens éénmetervijfennegentig en had een lege fles Cola in zijn handen. Zij gibberde naar hem, ik zag haar gezicht niet, maar haar schouders zegden genoeg. Plots zong Prince, en het volk wiegde een beetje mee. Hij nam zijn fles, deed van micro en fluisterzong een heel liefdesliedje mee voor zijn lief.

Zij was bijna aan de beurt, maar draaide haar om en gaf hem een lach van jewelste. Hij smolt, en ik smolt keihard mee.

Toen ze terugkwamen, mijn god ze was klein, nam hij haar vast, echt vast en drukte haar tegen zich aan. Zo keihard en toch zacht. Haar hoofd verdween ergens in zijn tshirt.

Ze leek zo veilig daar, bij haar slungellief met zijn grote handen en grote oren en stelten van benen. Veilig, en verliefd. Razend verliefd.

Verliefde kalvers, jong.

Zomaar in mijn hoofd. Hup hup hup.

Cassoulet

July 21st, 2011

We praatten over cassoulet. Over echte, en of daar zo’n megarecept voor zou bestaan. Het nichtje had het uitgeprobeerd, en zelf noemde ze het een veredelde tomatensaus, which it is, maar ja, we waren er dus nog niet uit.

Ik zag mezelf terug, maar dan in mijn hoofd, en een maand eerder.

Ik werd wakker op zaterdag en nog voor ik op was, viel er zo’n zware last op mijn hoofd. Zo één die wist dat het weekend pokkevol zat en er zeker van was dat de berg strijk alleen maar zou groeien. Ik wou liever niet opstaan, in de hoop dat de last wel zou overwaaien.

Verweesd zat ik aan tafel. Hongerig, en nog moe en een beetje boos op de hele wereld, terwijl ik eigenlijk alleen maar boos moest zijn op mezelf.

Dan wil ik witte bonen eten, op zo’n moment. In zo’n stroperige tomatensaus die alleen in blik bestaat. Of bij uitbreiding, cassoulet uit blik. Mijn lief brengt dat mee van de Colruyt als hij gaat, en ik zet dat liefdevol in de kelder. Voor op zo’n moment met zware lasten.

Ik eet dat blik helemaal alleen op, alleen Jan mag een stukje vlees (nou ja) pikken, maar enkel omdat hij het is en omdat hij het lief vraagt.

Ik kieper dat in oud, diep bord en warm dat op in de microgolf, terwijl ik er smekend naast sta te wachten. Ik stuur de kinderen naar boven, Jan op boodschappen (naar de Colruyt, uiteraard) en zet mij op mijn vaste plek aan tafel, samen met mijn warm warm bord.

Ik leg drie sneetjes geroosterd brood naast mijn bord, maal heel veel peper en breek mijn brood in twee. Het lijkt op de communie, maar het is veel veel beter, en er komt geeneens een pastoor opdraven.

Dan valt die last van mijn schouders, werk ik -alvast in mijn hoofd- de strijk weg, punt ik lijstjes af en lach ik al een beetje. Ik eet het neurotisch op, dat zout blik, met vlees dat doorendoor geweekt heeft in die halve ketchupsmaak. Ik verdeel het eerlijk: eerst bonen, dan vlees, dan bonen en dan weer vlees. Vandaar dat ik niet deel met anderen.

Als mijn bord bijna leeg is, word ik weer een beetje verdrietig. Omdat het voorbij is en omdat het zo lekker smaakt en omdat cassoulet uit blik me een gezellige ranzigheid bezorgt zoals alleen cassoulet uit blik dat kan. Met koffie hé, ik drink daar koffie met melk bij.

Daar dacht ik aan toen we op de Vlasmarkt stonden, op zoek naar het échte recept.

Toen zei zij, een beetje stil, ‘dat ze eigenlijk alleen de smaak van cassoulet uit blik kent’.

En voor we het wisten, waren we cassouletsoulmates. Zij, met zoete zoute herinneringen aan opgewarmde blikken op weg naar Spanje, ik met heimwee naar mijn tafel en mijn oud warm bord. Over de schroom om dit met anderen te delen, omdat we echt dachten dat we bijna de enigen waren op de wereld.

Fiew. Wat een opluchting.

Wat een compleet begrip voor een blik bonen en geweekt vlees.

Vanaf nu denk ik ook aan haar, als ik aan mijn tafel zit, en mijn brood breek. En aan Vic, die blijkbaar ook een soulmate is.

We zijn al met drie.

Wij zullen William Saurin eeuwig dankbaar zijn.

We hadden wilde plannen deze week.

Eventjes werken, heel wat verbouwen en ongelooflijk veel naar de Gentse Feesten gaan. De kinderen bij oma.

Het leek wel een wittebroodsweek.

Ik keek er maanden naar uit, we fantaseerden over hoe we moe en zalig zouden wakker worden om hop terug naar ‘t stad te tjoolen, een beetje stram van te lang weg te gaan, maar blij dat we alleen en samen waren. We deden dit eerder, vorig jaar deze tijd, en geloof me, ik teer er nog altijd een beetje op. In de koude winter, als ik moe was, als er teveel stof op alle meubels ligt of als ik mijn lief tegenkom in de gang, wanneer we mekaar kruisen wegens drukte alom. Een goedkoop honeymoonreisje was het, de Gentse Feesten vorig jaar, maar extreem goed en voor herhaling vatbaar.

En nu ligt mijn lief ziek in bed. Hij kijkt wat naar de koers, valt steeds opnieuw in slaap en mormelt een beetje terwijl hij droomt. Hij voelt aan als een gloeilamp, dampt en hoest en snottert en zit met zijn hoofd bij genezen verdorie.

De plannen in het water, dus. Letterlijk in het water, dat scheelt. Stel u voor dat de zon zou schijnen en ik zielig en alleen op mijn koertje zou genieten van de heerlijke stilte die een leeg huis met zich meebrengt.

We zouden in de namiddag naar het huis van Alijn gaan, en naar Derek en Guido Belcanto luisteren. Beslisseloos, dolend, afspreken met familie en vrienden en samen naar huis gaan. We gingen samen naar de Vitrine uit eten vanavond, om voor te proeven voor alle mensen die ik erheen wil sleuren.

We zouden zoveel.

Maar nu kijkt hij koers, en rommelen we samen een beetje. Ik mis hem bij momenten keihard als ik alleen met de vrienden op de Vlasmarkt sta, en ik kan er pakken minder van genieten dat hij niet plots vrolijk naast me opduikt in de mensenmassa.

Gelukkig heb ik de ideale vervangster voor Jan, die ik vanavond meeneem naar het restaurant, en heb ik plots een zee van tijd om te lezen en te dwalen door mijn huis.

Dat helpt, net als mensen die mijn voorliefde voor cassoulet uit blik delen. Zomaar ontdekt, vannacht, terwijl we naast elkaar stonden.

Ik moet er dringend over schrijven, ik heb er nu toch de tijd voor.

Dat scheelt.

Varken

July 18th, 2011

Ik heb varkensvlees in huis. En superbe confituur.

Van een goed varkentje, dat liefde meekreeg met al zijn vet.

Het zijn net grote pralines, die stukken vlees die ik zorgvuldig in de diepvries stop. Oh ik koester ze een beetje.

Dit is het allerallerallerbeste vlees dat ik ooit gegeten heb. Wanneer ik worst eet van dit vlees, dan loop ik de rest van het jaar verdrietig rond, omwille van de slechte kwaliteit van andere worst. Veel zout en teveel vet in de supermarktworst, mijn worst wint gegarandeerd de prijs in de wedstrijd.

En bloeling, en buikspek. Ik verlang al om het spek te braiseren en mijn kinderen hun gezicht te zien als ik het op tafel zet.

We waren gisteren aan het verdelen, Jan en ik, zo in ons hoofd. Jij krijgt ook een stuk buikspek, en ik neem de bloedworst voor mijn part. We maken hutsepot. Waarna hij nauwkeurig uit de doeken doet hoe hij voor mij hutsepot zal maken.

Want er is namelijk één iets dat ik niet lust. En dat is hutsepot. Verdorie, ik vind het zelf jammer, maar het is zoveel sterker dan mezelf. En mijn lief denkt dat hij weet hoe ik dit moet overwinnen. Ik ben benieuwd.

Ik kreeg ook confituur. Met rabarber en met aardbeien. Zo met weinig suiker in en hele hompen fruit. Als je ze op een boterham smeert, dan loopt ze zo traag in de gaatjes in het brood, en het is hemels. Zeker in de ochtend, zeker als mijn hoofd nog slaapt en mijn benen nog maar net wakker zijn. Hemelse confituur, dus, en een potje voor mijn vriendin, die het vorige potje niet durfde opendoen toen zij al wakker was en ik nog sliep. Het was nochtans voor haar.

En pruimen kreeg ik ook. Voor pruimentaart.

Mijn hart is blij van zoveels goeds.

Mijn buik ook, vermoed ik.

Alleen die hutsepot moet nog lukken.

Ik duim voor mijn lief.

Parel

July 16th, 2011

Oh.

de Parsons.

Beste trouwfotografie die ik ooit heb gezien.

en bijgevolg een halve namiddag weg van mijn kostbare tijd.

‘ t Was godzijdank door te kijken naar schone dingen.