Oh man.

Wat ga ik die juf van Clarisse missen.

Wij hadden dit jaar namelijk de allerbeste kleuterjuf van de hele wereld. Zo goed, dat ik half september al verdriet had om het afscheid van juni.

Ik keek vorige week nog eens naar haar, want op woensdag kom ik in de klas en kan ik al eens een goeiemorgen zeggen. Met de andere woensdagmama’s.

En toen ik zo naar haar keek, wou ik haar eigenlijk eens goed vastpakken.

Ik heb daar maar mee gewacht tot vandaag, want het is er altijd zo vol leven in haar klasje, en haar aandacht is gericht op elk kind dat daar binnenkomt. Op elke ouder, en ook op elk kind dat daar niet moet zijn, maar toch een keer probeert. Je weet maar nooit. Als ik een kleuter was geweest, dan had ik mijn lijm meegepakt en had ik mezelf aan de bank vastgekleefd. Om nooit meer weg te moeten en altijd bij haar te mogen blijven.

Ik wou haar eigenlijk nog eens vragen of ze nooit omvalt, uitgeput, van die constante zorg en die organisatie en al die bakken liefde die ze over de kinders strooit. Hoe ze kinderen leert hoe het leven in mekaar zit, en dat er soms wat verdriet aan te pas komt. Hoe ze haar eigen leven betrekt in de klas, en hoe wij hier dus plots ‘twee bedden moesten klaarmaken want juf Annick en papa Wim komen allebei logeren in de vakantie, mama’.

Ze verdient een keigroot gouden standbeeld op het midden van de speelplaats, die juf. En duizend bloemen en een glas champagne.

En een dikke dikke kus.

 

De Melkweg

June 28th, 2011

Ik heb weer honger naar lezen. Echt.

Het was lang geleden, mijn hoofd bevindt zich voornamelijk tussen Maximonsters, Jeroentje en Mini die voetbalt. Waar het zich voortreffelijk voelt, mijn hoofd, bedankt.

Het grolt mee met de liefste monsters van de hele wereld, doet stemkorreltjes na zoals de kikkerpapa die te moe is en lacht met kleine Mini’s die voetballen.

Mijn hoofd toch.

Om de zoveel maanden moet ik voor het werk eens naar Antwerpen. En hoe lief het ook is dat mijn collega’s me meenemen met de auto, ik was blij dat het niet paste deze keer.

Murakami, trein, koffie, croissant en ik: we zijn goede maatjes, wij. Ik heb een gigantisch zwak voor de verhalen van Murakami, en zijn beschrijvingen maken mij week. Zelfs als hij over misosoep en ander Japans lekkers schrijft. Na Murakami kwam deze week Zadie Smith (Over schoonheid), herlas ik Aravind Adiga (de Witte Tijger) en kocht ik als kroon op mijn leesvaart een nieuw boek, en wacht nu op Kalme Chaos.

Maar een vers boek dus, het nieuwe van Bart Moeyaert. Het lag delicaat te lonken tijdens de weekend, maar ik heb mezelf gekweld, zoals ik dat doe met een stuutje met smout. Eéntje om de drie dagen, Marie. De Melkweg was voorbehouden voor een tasje koffie zaterdagnamiddag, met een boule de berlin. Mezelf beloofd én gekocht. Allebei, de koek en het boek. Verjaardagsfeestjes en ongelooflijk coole baby’s zorgden voor uitstel. Voor het boek, welteverstaan, want de koek, die leefde niet lang.

Zondag, barbecue. Maandag architecte over de vloer. Architecten die hun Swedish Hasbeens uitzwieren en door het zaagsel en het stof lopen alsof het niks is: like like like. Zeker als ze goede plannen hebben en een hoop rompslomp van mij overnemen.

Vandaag dus. Het boek zat in mijn handtas. Een beetje gekreukt en een beetje nat van mijn el-len-di-ge ochtend (ge wilt het niet weten, ik was bijna een thuismoeder geworden. zonder overleg met mijn lief. 3 kinderen, tram, accordeon, stortregen, Brusselsesteenweg, nog?), maar toch, trouw lag het daar te blinken tijdens mijn middagpauze.

Ik las negen pagina’s. Toen was mijn pauze om, twijfelde ik even of ik een halve dag verlof zou nemen om verder te lezen in het Salon, en ik stopte het wijselijk weer weg.

Bart Moeyaert, dat is gelijk een koekjesdoos jong. Ik kan daar ongelooflijk naar verlangen, probeer dat te doseren, misluk daar in, en ben altijd zon content als hij er is met zijn verhalen. Met die sfeer van niets die hij zo goed weet te pakken, en dat zout dat je voelt op de armen van de mensen uit zijn boeken. Net als de stenen op hun hart en de kerven in hun hoofd.

Een koekjesdoos, begod. Tijd om die ellendige ochtend te gaan verteren, vrees ik.

Het ZondagPlan

June 25th, 2011

Er zijn drie dingen waar Simonne goed in is.

Eten, kussen en slapen.

Behoorlijk in orde, denk ik zo, als ik zie dat ze weer meer eet dan haar oudere zussen. Ze voert een ware strijd voor het laatste stukje stokbrood en doet bijna een moord voor gegrilde aubergines. En dan heb je haar nog niet bezig gezien met artisjokken. Daar zou ze echt voor door het vuur gaan.

Over die artisjokken wou ik het eigenlijk hebben. Omdat wij zondag keigezellig deden van tapas.

Zondags wil ik niets doen, of toch zo min mogelijk. Hooguit van mijn keuken naar de tafel, of van op de grond terug op een stoel. Dat lukt meestal niet, om niet te zeggen nooit, maar dat is mijn eeuwig ZondagPlan.

Ik geef niet op, elke week, op de dag des Heres, loop ik met dat plan rond. Als een mantra ‘niksdoenniksdoen’.

Als het niet lukt, probeer ik dat te camoufleren met goei eten.

Mijn kinders zijn zot van potjes en kommetjes op tafel. Waaruit je zelf kunt kiezen en nemen en proeven en vooral: laten liggen wat je echt niet lekker vindt. Je hebt ook geen weg-en-weer-geloop met lepels en warme dingen en glazen, neen, ik maak dat allemaal op voorhand (of ik koop dat) en zet me gewoon gezellig bij aan tafel. Mijn ZondagPlan, uiteraard.

Artisjokken scoren hoog: wat opkuisen, kwartier koken in gezouten water en hup: het gevecht voor de lekkere blaadjes kan beginnen. Met wat yoghurtdressing en voor mij citroen erbij. Olijven. Gebakken brood (zo van die broodjes die je moet voorbakken, maar dan in sneetjes laten bakken, dat is veel beter, met wat look). Kerstomaten die ik uren op 50 graden in de oven zet, en dan zo in één twee drie kan ontvellen. Die hebben een machtige zoete smaak en het sap gebruik ik voor een dressing. Dressing van tomaten, dus, met rucola, bijvoorbeeld. Wat geitenkaas met noten van de biogeitenboer op de markt.

Wat overblijft verwerk ik in een slaatje voor op maandag. Mannen hebben graag kost van de vrouw mee naar hun werk. De mijne kan daar extreem lyrisch over doen zelfs.

Oh, ik heb hopen inspiratie als het over zondagstapas gaat, echt hopen.

Koude patatjes, met wat kruiden en wat yoghurt. Tonijn en tomaat. Oude kaas. Bonen in tomatensaus (ssst, dat past niet, maar ik eet dat zo graag). Rijstballetjes met een restje rijst of risotto. Wat gerookte vis. Stokbrood. Omelet met de rest van het eten van zaterdag. Soep. Tabouleh (scoren met het slaatje op maandag!). Smout. Op een stuutje met zout en peper.

Potjes en kommetjes op zondag: dat werkt. Zo tegen een uur of vijf: nog net geen avond en allemaal gezellig bij elkaar.

Het ZondagPlan krijgt toch al een beetje vorm, sie.

Ik zat gisterenavond aan tafel. Alleen. De helft van het menage was op stap. De andere helft sliep.

Met een glas wijn erbij was het perfect geweest. En the National, die ook. Maar ik had geen wijn koud staan, het was dus een sober begin van het weekend.

Alhoewel, sober. De week was heftig genoeg geweest. Er verdween iemand die ik vroeger goed kende. Gelukkig is hij terug. Ik beleefde het vanop de zijlijn, maar toch, ik ben doodblij dat hij terug is. Er was het nichtje dat wegging uit Ledeberg enkele weken geleden, maar er was deze week het andere nichtje dat prompt in dezelfde straat komt wonen. Vlak om de hoek dus. Familie dichtbij is zo wijs toch.

En er was de Commotie. De Commotie omwille van mijn kwaadheid op het onderwijs.

Ik ben u dat verschuldigd, lezer, want u komt massaal, en u komt hier al lang en u kent mij goed. En u vroeg zich een beetje bang af

Ik heb mijn kwaadheid hier weggehaald. Niet omdat ik niet meer kwaad ben, oh neen. Maar omdat het de verkeerde mensen indirect treft, wat ik niet wil. Integendeel.

Maar nu voel ik mij laf. Ook al was mijn kwaadheid ongenuanceerd, en spelen er ook andere dingen. Ik blijf kwaad.

Eventjes dacht ik: ik blog vanaf nu met paswoord. Zo lekker intiem. Maar dat past niet bij mij, weet ge, en ik screen altijd voor ik publiceer. Mag mijn familie dit lezen? Mogen mijn collega’s dit weten? Zou ik morgen weer hetzelfde zeggen? Schaad ik mijn kinderen of de mensen die ik graag zie? En als ik hierop de juiste antwoorden vind bij mezelf, dan is het ok. Al de rest hoort ge wel als ge mij tegenkomt op café. Of op een barbecue of een trouwfeest.

Mijn antwoorden zijn nog altijd ja, ja,ja, neen en neen. En toch doe ik het niet.

Algemene waarheden en gewenste verhalen dus. Lekker braaf en tussen de lijntjes kleuren. Misschien kan ik eens bloggen over de kinderen die in bad gaan, of stoefen met Simonne die al praat maar nog niet stapt. ‘Lou’ is water, dus. Dat komt van de l’eau, denken wij dan, onszelf op de borst kloppend omwille van het kweken van een geniale peuter.

Ik kan er net zo goed mee stoppen, peis ik dan. Zo aan mijn keukentafel, zonder glas wijn en mét the National.

Maar mijn hoofd denkt van ‘eat this onderwijs’. Nog een jaar of 20, ongeveer. En dat moet ik met u niks meer te maken hebben. Als mijn jongste dochter, die overigens nu toch al briljant is, en op anderhalf al ‘bootram’ zegt, tenminste niet voor specialist gaat studeren.

Dus ik doe gewoon voort, denk ik. Ik voel me nu al laf genoeg. Laat staan dat ik het helemaal opgeef.

 

Rust

June 21st, 2011

De dochter is ziek en heeft zowat voor het eerst in haar leven koorts. Elk uur meet ze nauwgezet hoeveel koorts precies, en dan roept ze van boven naar beneden dat ‘ ze  nul komma één’ meer koorts heeft dan een uur geleden.

Soms kan een gedwongen dag verlof deugd doen. Als ik melk in de diepvries steek en zeg tegen Jan dat zijn zoon hem roept, als ik kaas in het boekenrek leg en mijn boek terugvind ik de keuken.

Ik weet dan keihard dat het genoeg is. Op is op, dat is zo, en ik moet elke keer tegen dezelfde steen lopen om het te beseffen.

Rust dus. In een rommelrommelhuis, met bergen strijk en een lijstje todo om U tegen te zeggen.

Ik leer niet snel, maar ik kan mij -gelukkig- als de beste tussen de rommel placeren, de KnackWeekend openslaan en koffie drinken ondertussen.

Dat helpt, ja. Dat helpt om te vergeten dat we niet samen in verlof gaan dit jaar, en het jaar daarop ook niet. Dat we ons verlof opsplisten voor de kindjes, de verbouwingen en om de lange zomer te overbruggen.

‘Volgend jaar gaan we in het najaar wél weg, schatje,’, fluisterde mijn lief gisteren toen hij zag dat het nodig was. ‘Al was het maar een paar dagen, jij en ik alleen.’

Dat helpt dus ook, een lief die mij kent en weet wanneer het nodig is.

‘Naar Lissabon’, piepte ik.

Hij lachte. Gelukkig maar.

-’Is dat leuk, een afterparty, zal het de moeite zijn, denk je?’, vroegen de tot voor kort onbekenden naast mij aan tafel op Bloot.

Het leek een beetje alsof mijn mening ertoe deed, zeg.

Ik piepte ‘ik denk het wel’, en toen besloten ze om nog niet sebiet naar hun hotelkamer te versassen, maar om nog even het nachtleven in te duiken.

Misschien vonden zij het minder leuk dan mij, dat kan. Omdat dat vaak zo is als je met twee ergens naartoe gaat, en tussen een hoop onbekenden belandt.

En ook omdat de meeste mensen het altijd minder leuk vinden dan mij, ik ben dan ook een keislechte barometer in dat soort zaken.

En de afterparty missen, in dat geval, dat is gelijk de helft van het dessert overslaan en een halve tas koffie achterover kiepen terwijl je vlug vlug vlug je jas aantrekt. Maar nogmaals, ik ben geen goeie barometer, dus vergeet u vooral wat ik nu zeg.

Alleen heb ik mezelf achteraf ferm aangesproken. Mezelf en ik aan tafel, met een tasje koffie en veel te weinig slaap. Soms moet madame Vertellementen zichzelf een aantal dingen beloven. Vooral in de zin van: ‘dat zul je vanaf nu niet meer doen’. Gelukkig zijn er dan als compensatie altijd ook een aantal dingen waarvan ik denk ’dat moet ik meer doen, sie.’

Niels geen schatje meer noemen. Hij is natuurlijk een ongelofelijk schatje, maar ik zal het voortaan alleen nog maar denken. En heel heel af en toe nog eens zeggen, misschien.

Mijn moedergevoelens thuislaten, voortaan een verplichting. Want ik zaag dan te veel aan het hoofd van Kobe. Dat hij moet rusten. Dat is zo als ge moeder zijt, jong, dan wil je iedereen in bed stoppen, een kruisje geven en de boze dromen wegwuiven. Hopend dat ze morgen uitgerust zijn. Ik zal het niet meer doen, meneer Desramaults, ik zal ook dat voortaan gewoon nog denken. Ik haal mijn moedergedacht alleen nog boven als het is om met andere moeders te babbelen, over dat het niet altijd rozengeur en maneschijn is. Of over hoe schoon mijn dochters wel niet zijn, dat spreekt.

Schrijven over Willi, meer doen. Zoals Nimsa zegt: zijn broek was niet te doen cool. Het lijkt wel of ik zo een boek over hem zou kunnen schrijven. Soms kom ik mensen tegen van wie ik denk dat ik niet eens zou moeten nadenken terwijl ik schrijf. Willi is zo iemand, en u, lezer, u zou dat compleet snappen. Wordt vervolgd.

Twijfelen of het verhaal van Mac en Ronny waar is. Sebiet mee stoppen, Marie, want soms ben ik zo naïef, het heeft geen naam. Maak er maar het uwe van, van de combinatie van die 2 namen #macaroni.

Fam en Jason: u krijgt de diepste buiging die ik kan maken. Omwille van al uw werk, uw organisatie, uw tijd en uw creativiteit. Echt. Staand applaus. Uit het diepst van mijn hart. Gilles en ik waren er uit: J.E.F. wordt het beste van heel Gent.

En.

Ik kreeg gigantische complimenten zondagnacht. Zomaar, tussen 2 pintjes door. Waarop ik altijd een beetje lach, meewarig doe en vanbinnen een hart heb dat overloopt van contentement. Dat Carl Couvreur zo blij was met het stukje waarin hij voorkwam. Dat ik zo schoon kan schrijven dat Frederik het altijd leest. En u moet weten, Frederik, die zegt dat niet zomaar, oh neen. Mensen kwamen vragen of ik ook eens iets over hen wou schrijven, ja. Iemand zei me dat ze stiekem op de middag op haar werk mijn blog leest, en dat dat haar pauze meer dan goed maakt. Ik kreeg zelfs de vraag waarom ik hier mijn werk niet van maak. Kom, kom, kom.

Ik was daar weeral niet goed van, jong, ik zit hier in mijn vrije tijd wat onnozelteiten bij mekaar te schrijven, en u, u houdt daar zo erg van. Van ik, die de helft van mijn leven hier te lezen gooi.

Maar dat van dansen als je opstaat, het weids landschap van het Heuvelland, schone madammen en übercoole beloftes, het gefluister tussen mijn lief en ik toen we thuiskwamen, het zetelgesprek met Joke van vroeger, dat hou ik allemaal voor mezelf.

Vertellementen ging Bloot.

June 14th, 2011

We moesten ergens op een parking zijn, zondagavond. En parkeerwachters zouden ons op weg helpen.

Hakken en een kleed, dacht ik weeral. Dat helpt tegen mijn gigantische drempelvrees. Ik ben niet rap bang om ergens naartoe te gaan, maar zo voor van die culinaire dingen met bekend volk: ik heb de arm van mijn lief nodig. Maar toen stonden Fam en Jason aan de ingang, en zei iemand ‘dag puppe’ en die knikkende knieën en die kriebel in mijn keel verdwenen. Ik ben gemakkelijk te paaien hoor.

En uw madam Vertellementen kent veel volk, dat helpt ook een beetje tegen drempels en zenuwen. Of een cocktail met Augustijn en whisky. En wat hapjes, rondgebracht door Dominique Persoone zelf. Vraag me geen opsomming van wat ik allemaal gegeten heb, want ik ben het ene met het andere vergeten. Dat het allemaal van njummie was, dat kan ik u wel meegeven. De andere aperitief, dat was iets met roze en met schuim. ‘Is dat voor de vrouwen?’ vroeg ik serieus, maar toen maakte de échte foodie die toevallig naast mij stond duidelijk dat je dranken niet kunt indelen volgens geslacht, maar volgens smaak.

Uw madame wist sebiet waar haar plaats was.

Zo nippend aan een drankje op een binnenkoer, een mens krijgt dan al eens de kans om voorzichtig rond te kijken. Naar al die schoon madammen en die koks die zich uit de naad werken. Want als ik nu één misvorming heb opgelopen aan mijn horeca-leven, dan is het dat wel. Ik zit nooit meer met mijn 2 benen gewoon onder tafel, maar altijd met een half hoofd in de keuken. Of in het hoofd van de mensen in de zaal, die als mieren zo precieus en constant klawieren. Zo altijd alert en gefocust, zaalpersoneel rules keihard.

Maar dat half hoofd in de keuken, dat verdween een beetje. Hoe meer wijn en brood ik dronk en at, hoe meer mijn voeten onder tafel bleven. We zaten aan lange tafels, op banken en het cliché, dat werkt dan: zo dicht bij elkaar met een witte mannenonderbroek als serviette, je zou er nog liefdevoller van worden. ‘Waarom ben jij hier?’, vroeg ik aan de mensen die ik niet kende. En dat werkt, zoiets. Je krijgt  verhalen van foodies die hoorden dat het wel de moeite zou zijn, en dat ze niet veel uit eten gaan, maar dit niet wilden missen. Of je wandelt plots naast de mensen van het Brasvarvarken. Aan lange banken zitten, dat is gelijk bij vrienden, net als brood uit een kom en bloemkool uit een schaal. Met flessen water die je door moet geven als je buur het vraagt.

Mijn lief kijkt op zulke momenten af en toe vreselijk serieus. Echt. Dan weet ik dat er iets is dat niet klopt.

‘Het zijn de oesters, schatje, waar ik over denk.’

Aha. Mijn lief kan er niet bij dat oesters in een bolletje worden opgediend. Ik vermoed dat hij alle mogelijke pistes in zijn hoofd al overlopen heeft, maar niet tot een oplossing komt. Net als maniok in een schaal met houtskool: dat is zware materie voor meneer Vertellementen. Dat het evidenties overboord gooit en met smaak en zintuigen speelt, dan kon hij snappen. Maar aan zijn gefronste voorhoofd te zien, een uur later, snapte hij dat van die oesters niet.

Ik heb goeie dingen gegeten. Ik ben geen culinair recensent en ik ben daar verdomd blij om. Toch kan ik een beetje kwelen als ik zo’n hutsepot krijg met varkensstaart en spek. Ik vond dat, en de eendenworst (saucisse de canard), het ultieme vakmanschap van de avond. Ik zou mij zo graag eens ergens zetten, aan een tafel met een schoon wit tafelkleed, en nog eens herbeginnen. Ik alleen, wat muziek en de hutsepot en de eendenworst. En een glas wijn. Sommelier van de natuurlijke wijnen: Wouter De Backer. Er werd mij door de tafelgenoten gevraagd dit zeker te vermelden. Want de wijnen waren top, en de linkertafelgenoten konden dat weten, leden van de Wijnorde ahum. Ik vond de wijn aangenaam zalig, maar u weet net zo goed als ik dat ik geen wijnkenner ben. Een wijndrinker, ja.

Ik wil u zoveel vertellen. Over de pracht van het gebouw en de indrukwekkende trappen, de serieuze zware gedrevenheid van de koks en hun poulains, de marsepeinhumor op de huwelijkstaart van Dominique Persoone, de lieve tafelgenoten, de levende garnalen, de afspraak met Lilith dat we i. volgend jaar meenemen, zonder twijfel. Als de Flemish Foodies weer zo zot te krijgen zijn natuurlijk.

U hebt nog foto’s te goed, maar een filmpje kun je al krijgen.

De afterparty krijgt u als de slaap uit mijn lijf is, ik terug gewend ben aan boterhammen en kaas, en ik de nodige censuur heb toegepast.

U weet hoe dat gaat hé, met al die Westvlamingen.

Oh, wel nog één iets, ik leerde Willy kennen. De Ijslandse beer. Ik moet dringend schrijven over Ijslandse beren. Ik heb hem dan maar uitgenodigd op ons feest, om de traditie (één persoon per weekend) in ere te houden. En de traditie een beetje gebroken door van de eerste keer ook Marre uit te nodigen.

Wie weet mag ik dan eens pitta mee-eten.

 

Spannend spannend spannend

June 12th, 2011

Het gonst een beetje.

Er staat ons een iets spannends te wachten vanavond.

Onze goeie goeie vrienden die we veel te weinig zien komen naar Gent en we hebben allemaal geen kinderen in huis en we gaan ergens naartoe waarvan we zo goed als niks weten en onze goeie goeie vrienden blijven hier slapen, en ik voel me net een beetje 16, zo met mijn eerste keer naar een fuif.

Dat is het beste moment voor mij: dat tijdstip waarop je nog niet weet wat er zal gebeuren en alles nog moet komen.

Go, Flemish Foodies, go go go.

Volta

June 11th, 2011

Vertellementen doet, geheel toevallig en onverwachts, van foodie dit weekend. Gisteren naar Volta, vandaag de voeten onder tafel bij mama, en morgen ergens naartoe waarvan ik nog de helft niet ken.

Ik at gisteren bij Volta.

We lunchten en tetterden ondertussen bij.

Wat ben ik blij dat dat pand een nieuwe bestemming heeft.  De Groene Vallei deed voor de eerste keer zijn naam eer aan. Echt, als je aan het pad staat net naast het restauarant, lijk je niet aan dat grijze grauwe knooppunt van de Coupure en het Rabot. Nu nog dat afschuwelijk plein met de Carrefour verbeteren, stad Gent, en we zijn weer content.

Het fijne aan ‘s middags eten vind ik de sfeer die omslaat: om 12 uur zat ik nog aan mijn bureau, om 13 uur was het al weekend en proefde ik nieuwe patatjes en boontjes en spek. De plek leent hem ertoe, de inrichting doet een duw en de vriendelijke bediening de rest. En de kok, natuurlijk, die je vanuit de open keuken kunt gadeslaan. We hadden het erover: kijken naar de keuken werkt verslavend, maar het gesprek aan tafel kan de kluts kwijt zijn. Nu ja, wij deden van alletwee en omdat we morgenavond beiden met onze mama’s bij de grootmoeder gaan, gaf dat allemaal niet.

Het is een kunst: je klant in één twee drie in een andere sfeer brengen. Zeker bij de lunch, want die heeft dat nodig. Even eruit, wat eten en wat genieten en hup: back to reality. Wij namen verlof in de namiddag, dat wel, want wij zijn slecht in zulke dingen als hup-back to reality.

We namen het lunchmenu. Dat kostte 24 eur, en bestond uit 4 snacks en een hoofdgerecht. We kregen een attente ober, die vroeg of we onze cava samen met de hapjes wilden, of ervoor. Net als bij de koffie en het dessert. Dat is belangrijk, verdorie, en heeft niks met snobisme te maken. Als je koffie en dessert samen neemt, dan is je koffie koud tegen de tijd dat je, zoals in ons geval, uw rabarber en yoghurt en havervlokken hebt opgegeten. Nog nooit een keer gaan eten, aperitief bestelt, en drie slokken later uw soep al gekregen? Dat.mag.niet. Je doet dat thuis toch ook niet? Cava en soep samen drinken?

En daar stopt dan ook de foodie in mevrouw Vertellemeneten, want andere culinaire zaken kunnen me niet irriteren, enkel ontgoochelen.

Ik had geen irritatie dus, en werd evenmin ontgoocheld, gisteren, want na de cava en de snacks was ik nog altijd blij en ook al had ik niet echt meer honger, ik verlangde naar de pladijs. Pladijs, dat is mijn lievelingsvis ever. Ik krijg altijd een beetje een weemoedig gevoel als ik pladijs bestel en koop en bak.

De pladijs was met courgettes en walnoten en met een kruid. Dat kruid ben ik precies een beetje vergeten. Maar de combinatie pladijs en walnoten en courgettes en patatjes (heel heel dun) was goed. Een beetje hemels, zelfs. Ik ken niks van smaakpaletten, en toets geen borden aan hun verschillende componenten, maar ik zei ‘mmmmm’, en mijn nichtje ook.

We hadden eigenlijk al patatjes gehad, krieltjes, met boontjes en gebraiseerd spek. En patatten kunnen mij eigenlijk altijd blij maken. Ik hoop zo erg dat ik er krijg uit de tuin van mijn grootvader, want dat zijn de allerbeste patatten van de wereld. En die van gisteren ook wel een beetje. Njam patatten.

We wilden natuurlijk nog dessert nadien, en koffie ook. De koffie dronken we boven, in de bar, waar het een beetje donker was en we aan de toog nog wat verder tetterden.

En toen kwam Olli uit zijn keuken, om zijn koffie samen met ons te drinken. En een beetje te vertellen van de kersen die rijp waren, en die hij na de mis-en-place zou gaan plukken in de fruitgaard van de eigenaar. Waarom er komkommer en courgette op de kaart stonden, en de pladijs, en hoe spannend het is met zeer plaats-en seizoensgebonden producten te werken. We hadden het over werken werken werken en over hoe de lunchresto ‘s avonds een echt restaurant wordt. Hoe de tafels wat verder uit elkaar worden geschoven, en de sfeer wat intiemer is.

Ik hou van bevlogenheid. Ik hou van mensen die tussen de shiften door kersen gaan plukken. En van alle culinaire trends sta ik het meest achter de koks die lokaal werken. Dat is geen hype, dat is niks moleculairs, dat zijn verdorie pioniers. Die bevlogenheid, die delen ze met de mensen die de producten aanleveren. Zij die weten wat een koe is, hoe aardbeien groeien en waarom het vlees uit de nek van een dier zo sappig is. Met al dat light-gedoe en zo mager mogelijk, een mens zou vergeten dat een stuk vlees vet bevat.

Dus ik vind Volta geen posh, zoals ik hoorde. En ik vind dat ook niet teveel geld om te gaan lunchen. Ik snap dat u dat wel vindt, ten volste, maar als je tien euro geeft in het frietkot, kun je toch niet verwachten dat je hier voor 12 euro buitenwandelt? Er is de kantine van de universiteit, en er zijn restaurants genoeg waar ze pronken met goedkope dagschotels. Dan moet je daar gaan, als je van goedkoop wil. En wanneer er een nieuwe keuken/ nieuw restaurant is, moet je altijd een beetje tijd geven aan de mensen om i n te werken. Dat zijn van die waarheden die altijd gelden.

Bij Olli moet je niet komen voor goedkoop, je moet komen omdat je weet dat die mens achter zijn producten staat en elke minuut van zijn leven met zijn keuken bezig is. Omdat je weet wat je eet als je daar luncht en omdat het verdomd lekker is.

Ziezo, up to the next. Mijn foodie-weekend is goed begonnen.

De zoektocht naar het mooiste park van Gent verliep stroef. Hels. Net zoals mijn dag vandaag. Tot een uur of vijf in de namiddag ongeveer. Toen klaarde het op in mijn hoofd, en het kwam nog allemaal heel erg goed.

Maar het mooiste park dus. Ik heb de parken die ik ken overlopen. Ik ben er zelfs doorgewandeld, door een paar van mijn favorieten, deze week. Haalden de shortlist: het Muinkpark, omdat ik er mijn oudste dochter zag opgroeien, omdat het klein is en omwille van het dierentuin-verhaal. Het Keizerspark, doordat het een deel van mijn leven is, op wandelafstand en een hoop verschillende mensen verzamelt op zo’n kleine plek in het midden van de drukte van een stad.

Maar het allermooiste park werd me vanavond zomaar in mijn schoot geworpen. En ik had het niet eens door.

Het FransTochpark. Met het bouwvallige kasteel van de stedelijke muziekschool als monument.

Ik moest er wachten op Anouk, die er wekelijks accordeon speelt. En ik had net aan de deur staan luistervinken toen ze haar examenliedjes voor de juf speelde. ‘Goed zo, Anouk!’, hoorde ik nog, toen ik de trappen naar beneden liep.

Het is er vergane glorie, met het vervallen orkestplatform in het water, de oude bruggen en de immense vogelkooi. Een vogelkooi in een park, ik snap het nog altijd niet heel goed. Maar het is er zo schoon, daar. Er is water, en er zijn grasvelden, het is er erg onoverzichtelijk en kronkeldewonkel. Het park herbergt de Gentbrugse Hengelaars en er shotten daar jonge gasten, zo rond een uur of 8. Je hebt er ook een speelplein, waar we het klein grut mee kunnen sussen, net als met de hordes eenden die er koning zijn. En pakken pluimen van veel te veel duiven.

Daar, in dat park, werd mijn dochter verliefd op haar accordeon, leerde ze dat notenleer ook fijn kan zijn, en kregen er de fantastische meester Kristof zomaar bij.

Het blijft altijd een beetje ons park daar, van de liefste dochter van de hele wereld en van mij.