Kinderboeken

March 30th, 2011

Ik ben mijn weg kwijt in de wereld van de kinderboeken.

Ooit was ik er compleet thuis in, dat had met mijn opgroeiende kleuter te maken, met mijn voorliefde voor kinderboeken en met mijn thesis ook wel een beetje.

Ik groeide mee met haar, stuurde haar bij, en zij mij, en ik wist wat goed was, wat er zou komen en wie ik in de gaten moest houden.

Niet meer, nu. Ik heb ondertussen een erfenis aan boeken voor de achterkomers, en vind het zonde om er te kopen , zomaar voor het kopen. De mooiste liggen op hun kamer en glijden rond zeven uur ‘s avonds door mijn handen, als ik een verhaal zoek voor Clarisse. Die vindt ‘mijn andere stemmetjes niet mooi’, en houdt meer van ‘verhalen die uit je hoofd langs je mond komen, mama’. Dus de meeste boeken staan statig te wezen, op wacht naar een nieuw verhalenmonster dat er hopelijk ooit écht van houdt.

Enkele exemplaren blijven op de voorgrond, en terecht.

De boeken van Kikker, magisch van stijl én zeer knap van inhoud. De Mini-boekjes van Kitty Crowther, die ooit stonden te verkommeren in de Slegte, voor geen geld. Een schande. Zelfs op de boekenbeurs op school keek iedereen er over heen. Gelukkig trekt mevrouw Crowther zich daar niks van aan, en ligt er een nieuw exemplaar in de winkel , over Mini die wil voetballen. Op haar eigen manier tekent en vertelt ze, nét op het niveau van mijn kleuter. En op dat van mij.

‘Oh, wat mooi is Panama’, nog zo’n parel, al gaat het nu nog eventjes aan haar voorbij. Maurice Sendak (Max en de maximonsters) heeft een gelijkaardig boek, ‘Een kusje van Kleine Beer’, over een kusje dat zijn eigen weg gaat.

Boeken die een beetje verder gaan, en toch dat kinderkopje kunnen boeien. Gerda Dendooven spreekt mij aan, maar mijn kinderen niet. Op geen enkel moment, met geen enkel boek. Alleen de live voorstelling die ze ooit gaf in de kelders van het NTG, kon Anouk echt boeien. Een grote mevrouw op illustratief vlak, maar de verhalen voelen kil aan, vind ik, en de tekeningen spreken voor zich. Dan toch maar Klaas Verplancke, die enkele jaren geleden mijn hart warm maakte met ‘Reus’, beklijvende verhalen en wondermooie beelden. Bart Moeyaert voor als ze iets ouder zijn. Dertig of zo. Ik ben blij dat hij weer in de stilte leeft, want het jubileumjaar was er teveel aan.

Oh! Als Paul Verrept iets doet, dan ga ik altijd kijken, want Paul Verrept is zo’n kunstenaar die veel te weinig aandacht krijgt. Maar misschien is dat maar best ook. ‘God’ is zo’n verhaal dat je in je kast moét hebben. 

Anouk was dan weer in de wolken met Het geheime dagboek van Klein Duimpje, een boek dat ik stiekem uitgelezen had voor ze het kreeg. Het concept is goed, de taal passend en de illustraties wat overweldigend, maar dat mag bij een dagboek. Zeker als je Klein Duimpje bent.

Maar voor de rest gaat al het nieuwe een beetje aan mij voorbij. Véél boeken, dat wel, maar heel veel boeken waar illustraties de bovenhand halen, en de verhalen zijn niet altijd beklijvend genoeg om te blijven hangen. Mooie titels zeggen niet alles.

Dus als u nog parels kent, geef ze mij door. Voor de zwijnen dan wel, althans, toch voor één klein zwijntje van 3, dat niet zomaar alles slikt.

U bespaart mijn hoofd een pijnlijke zoektocht, elke avond opnieuw.

v

Ruimte

March 24th, 2011

Héhé.

Was me dat een weekend zeg.

Zomaar, op een zaterdagnamiddag, terwijl mijn hoofd op strijk-kook-was-modus stond, kon ik niet anders dan uitgaan. Op een ontieglijk vroeg uur, waar ik zelf om zou rologen. Vijf uur in de namiddag. Ik liet mijn hele hebben en houden thuis en ging op stap met mijn nichtje en Stijn. Stijn als in altijd-wel-ergens-in-‘t-stad-te vinden.

Naar de Afsnis, of all places. Aan de toog, met een bende Westvlamingen die niet gewoon zijn om ons, moeders, mee te zien zitten uitgaan op café.

Ik stuurde nog een berichtje dat ik om halfacht zeker thuis zou zijn.

Maar toen verloor ik het uur uit het oog. Helemaal. Niet eten, skip avondmaaltijd, daar hadden wij allemaal geen tijd voor. Babbelen, ja, en screenen wie wat deed, en wie wie was en wie er nu ook al weer met wie was. En hoelang. Giechelen gelijk kleine meisjes en blij met een stoere bonk die zomaar een hele avond met ons mee wou.

the White Cat, zeg, nadien. Skip honger en moe en bedtijd.

Frieten op Sint-Jacobs en Stijn die het hele frietkot deed lachen.

We waren, en dat was pure angst dat het op zou houden, bijna nog carnaval gaan vieren in Ledeberg gaan vieren. Maar dat zou erover zijn.

Dus dan hebben we nog maar een beetje gelachen op onze koer, zo op het uur dat ik normaal al in mijn derde slaap lig.

En nu loop ik al vijf dagen met een gigantische glimlach rond. Eén op mijn gezicht, en één in mijn hart.

Want het leven loslaten, ik zal het blijven zeggen, dat is het beste wat er is.

* Lisa, we zullen niet meer zolang wachten hé, deze keer*

Voor mij op de tram zaten twee oude meneren. Netjes naast elkaar, zo met de schouders die zin hadden om tegen elkaar te leunen.

De ene had een kostuum aan: véél te groot vest, broek met plooi (dat zag ik later, maar het helpt als u het nu al weet) en weinig haar dat netjes achterover gekamd rond zijn hoofd lag. Dure bril, idem schoenen en een lederen aktentas. Hij woonde in het Miljoenenkwartier, ah ja, vandaar. Dat weet ik allemaal omdat het één van mijn boeiendste en meest luie hobby’s is, luisteren naar de gesprekken op de tram.

De ander was een Nederlander, uit Amsterdam. Met een marcelleke aan, maten te groot, en lang lang grijs hippie-haar. Met een baard, sandalen (het was koud, het regende, het was plots niet meer van lente gisteren) en een oude rugzak waar een heel leven aan kleefde. Reizen ook, vermoed ik, want in één minuut had de man zowat al zijn reizen van de voorbije jaren opgesomd. Het was een sjofele man, dat moet u ook weten op voorhand, want anders zul je het niet snappen.

Ze spraken over de pracht van historische gebouwen, de een als schrijver van architecturale boeken, de andere vanuit de beleving in zijn buik. Over hoe mooi iets kan zijn, hoe moeilijk ook. Over de ontoegankelijkheid van het leven, als je ouder wordt. Over het analfabetisme dat plots de kop opduikt. Gelukkig was er de kleinzoon, voor de deftige meneer, want die leerde zijn grootvader googlen op afbeeldingen. ‘Ik heb niemand, en eigenlijk ook wel iedereen’, repliceerde de Nederlander. Het werd wat stil, en ze mijmerden verder. Het was geen ongemakkelijke stilte, ze was niet geladen, ze was oud. En oude stiltes kunnen ontroerend zijn. Ze was als een wolk, hun stilte, vol goede dingen, en omringd door een beetje heimwee. Voor de ene naar het rijkelijke leven in zijn burgerhuis achter het station, voor de andere naar de slaaphoeken ergens in Indonesië.

Ze zaten naast elkaar, met hun schouders broederlijk dicht, en ook al kenden ze elkaar nog maar net, ze leken zielsverwanten. Vanbinnen. Want vanbuiten waren ze grappig naast elkaar. Omdat tegenovergestelden mekaar versterken, soms.

Zo zou het altijd moeten zijn.

Op bezoek

March 16th, 2011

Ik zou wel een bij Christian Wijnants op bezoek willen gaan, deze lente.

Ik heb nog een aantal feesten in het verschiet. En ook nog wat kilo’s te veel, maar kom kom, daar valt best wel mee te leven. Oh ja, en ook kinders die plekken maken op mijn kleren op de meest ongeschikte momenten, maar die zullen we dat dan maar leren, dat dat niet mag.

Nummer zes, twaalf, zesentwintig en negenentwintig eventueel als het even kan. Het mag allemaal, dat het liefst, maar met één nummer zou ik al in de wolken zijn.

* zal maar zelf weer kleedjes maken, zeker *

De brief

March 16th, 2011

Ik kreeg een brief deze week.

‘Speelstraat – aan mevrouw’

Een handgeschreven brief met volgend verzoek:

‘ 1. spelletjes 2. zwemmen 3. voetbal 4. wedstrijden 5. koken 6. stoepkrijt 7. BBQ 8. receptie 9. van alles 10. springkasteel 11. fietsen 12. als iemand wint bij de wedstrijd krijgt die een beloning ‘

Mefrow. Die kleine buurjongen die me elke keer aanspreekt als ik mijn hoofd buitensteek. Die zo eventjes met zijn fiets naast me komt rijden. ‘Zijn er al plannen voor de speelstraat, mefrow? Vergeet je niet dat ik geen varkensvlees eet, mefrow?’

Hij weet al wat hij wil doen, deze zomer. En hij dacht waarschijnlijk: ‘Als ik dat allemaal op een brief schrijf, dan zal ze er niet onderuit kunnen.’

Speelstraat is keiwijs, eigenlijk. Zeker nu wij met 3 koppels zijn die dat verdelen. Elk één jaar de organisatie op zich nemen, en dan elk een weekend voor het entertainment zorgen. Het bevordert meer dan een beetje de vriendschap onder de buren, en leert kinderen, zonder dat ze het zelf doorhebben, kennismaken met andere mensen. In mijn geval: met andere culturen.

En we hebben maar één lastpak in gans onze straat. Die kan alleen maar plooien, dus.

1 vierkante meter

March 12th, 2011

Er was zon op onze koer, gisteren. Onze koer is zo klein dat het woord kleinkoertje er beter bij past, maar ik zeg koer.

De zon was hoog genoeg aan de hemel om net één vierkante meter te veranderen in een echte zonnebank. Zo op het hoekje, aan het venster.

Mijn kinders sliepen weer simultaan (ze zien mij graag, daarom) en ik zat op de plastieken koerstoel die wij overgeërfd hebben van de vorige eigenaars. Als ik mijn benen optrok, kon ik net helemaal in de zon zitten. Voor meer dan een kwartier. Met mijn ogen dicht kwam ik zelfs verder. Het kon evengoed een grote tuin zijn, zoals wij vroeger bij mijn vader hadden, met bomen en kilometers pad. Met een vijver, een eiland met een geit erop en schapen. Met een boer als buur, en een gietijzeren poort om boeven buiten te houden. Met knotwilgen en een huis met een echte naam. Waterkant, of all names. En het klopt, want bij hevige regen stond alles blank en konden we moeilijk binnen en buiten.

Koerkinders, dus, die van mij. Niks dromen over schone landschappen en beken en wegels. Stoepkinders, ook. Met op wandelafstand wel een park, maar allee kom, je moet wel je ogen dicht doen als je je daar ‘natuur’ bij wil voorstellen.

Zou het anders zijn, hun beleving? Zouden ze minder gelukkig worden? Is het zo dat ze anders zullen ontwikkelen omdat ze niet weten wat den buiten is? Zou het kwaad kunnen, denken jullie? Over die oude stoel op mijn koer, en het dicht-op-mekaar-wonen-voor-de-komende-2-jaar, daar zit ik niet mee. Ik kan schoonheid appreciëren, maar au fond maakt de kleur van mijn muur niet uit. Net als de grootte van mijn koer. Voor mij is het vlug ok, mijn geluk valt of staat er niet mee. Maar over dat écht gevoel, die weidsheid, het ontroerende van alles dat leeft zonder dat wij ons persé moeten bemoeien. Zullen zij later echt vechten voor onze planeet, die stadsmussen? Zullen zij de noodzaak van een groener beleid snappen? Neen, of net meer?

Fiew. En dat voor een zaterdagochtend terwijl mijn kroost weer simultaan aan het uitslapen is, zeg.

Ge dacht toch niet dat ik naar De Wulf zou gaan eten en dat ik daar niet over zou schrijven?

Kijk, sterrenrestaurants en ik: het wordt nooit wat. Te chique, te duur en een lief dat niet mee wil. Ik vind het ook maar allemaal een beetje bla bla bla. Echt.

Maar voor Kobe zou ik een uitzondering maken. Omdat hij ooit skateboarde, met een veel te wijde broek, en truken uithaalde met spaghettiborden die ik keigraag zelf had gedurfd. Omdat zijn dorp ooit een beetje het mijne was en onze ouders allebei café hadden op een kilometer van elkaar. Omdat zijn zus veel eleganter was dan mij als ik naast haar stond op de bus op weg naar school. Allee, ge weet wel. Ook omdat ik een beetje volg wat hij doet, en mezelf erop betrap dat ik ‘oh’ en ‘slim’ en ‘knap’ zeg.

Het was een beetje terug naar mijn roots dus, zaterdag. Een heel klein beetje veel.

Het waren de vele poepchique auto’s. Op den buiten zeg, allee, die passen daar niet. Neen en neen en neen.

Het was ook een beetje de arm van het lief van mijn nichtje vastpakken en zeggen: ‘Dit is eigenlijk niets voor mij, zich. Ik wil niet als eerste naar binnen gaan en oh help, ik doe dit niet graag.’ Ik had mijn lief niet bij hé, dat zou je onthouden moeten hebben. Mijn lief koopt liever whisky voor zijn collectie, zegt hij.

Maar ik had hakken aan, en een kleedje (‘Let maar op, straks komt mama niet meer terug’) en hakken en een kleedje maken u altijd veel blijer en zekerder als ge op den buiten tjoolt. i. die weet dat goed. Die zou dat daar waarschijnlijk een bos hebben gevonden.

Enfin, er was de entrée, met jassen weghangen en al, op zich al een feest voor mij.

Skip binnenkomen, gaan zitten en dan héhé denken. Zitten en kunnen koekeloeren.

En dan héél véél mensen zien, die bijna geruisloos door de zaal lopen, altijd aan het werk. Aan het werk, aan het werk. Het lijkt niet zo, het lijkt een beetje toneel, met verrassende stemmen en karakterkoppen. Met veel plaats tussen de tafels (wat een heerlijkheid) en een duister dat deugd doet.

Ik ben het een beetje vergeten, wat het allemaal ook al weer was. Geroosterde ajuin, oliebol, iets verrukkelijks met rode biet en yoghurt, pieterman, zeekat, coquilles, kruiden, peer, lam, nog nog nog.

En toen.

Het kan eerst, in het midden of op het einde van de lange rij verrukkelijkheden geweest zijn. Het was geroosterde prei. En ik heb in mijn leven, op de ovenpatatten en lukken van mijn grootmoeders na, nog nooit, nee echt nog nooit zo iets lekkers gegeten. Het was die prei waarvan ik ‘s nachts wakker lag en dacht: ‘oh my, you rock.’ Geroosterde prei, dat is echt wat er op tafel mag als ik moet sterven. Het liefst in Dranouter, maar Ledeberg is ook al lang goed.

Maar nu heb ik je nog niets verteld over de chef die aan tafel kwam, net als de andere mensen uit de keuken. Zomaar, alsof het allemaal vanzelf gaat. ‘Een hel voor de keuken’, fluisterde het nichtje. ‘Zware organisatie ook’, beaamde Kobe later op de avond. Maar wel pretty cool voor de gasten. Even leuk als de extra gang ‘omdat jullie zo stil zijn vanavond’.

Er was nog een grote meneer in de zaal, de sommelier. Die over wijn vertelde net als over baby’s. Alsof ze het beste van de wereld zijn. Mr. Couvreur: merci. Maar dat heb ik al persoonlijk gezegd, want ik dronk bier en hij vond dat gelijk een beetje grappig. Geuze Boon zeg. En Pannepot ook. Njam.

Ik heb je gezegd dat het waarschijnlijk de enige keer in mijn leven is dat ik bij u aan tafel schuif. Maar neen hoor, dat is niet waar. Ik trouw in september en ik ga mijn hele entourage zo ver krijgen dat ik terug kom (bij deze, lieve familie). Met mijn vent. Of ik kom een keer naar Gent, naar uw Vitrine, dat zal misschien meer een ding voor mijn portemonnee zijn. Een beetje rock ‘n roll zo op zijn tijd, daar hou ik wel van, en mijn lief nog meer.

You rock, Kobe. Net als Carl Couvreur. En de rest van heel uw bende.

Het is zolder in mijn hoofd. Keihard zolder.

Zo’n zolder waar je graag eens naartoe gaat, maar waarvan je het altijd net een dagje uitstelt omdat het teveel is. Honderenééndingendiegoedzijnenfantastisch. Net als mijn Murakami, die ik opspaar omdat ik weet dat ik bij elke bladzijde dichter bij het einde kom. Of de chocotof, die in mijn sjakosj zit tot ik te lang moet wachten op mijn tram.

Zolder, dus. En een lijf dat de trappen bijna niet op kan wegens te moe. Moe moe moe, met zware ogen en benen met lood in.

Gelukkig mag ik zaterdag en zondag weg. In mijn ééntje, om te beginnen. Eerst treinen en lezen en elke minuut denken ‘goh wat is het hier stil en goh wat is het hier rustig’. Dan gaan eten. En dan beseffen dat ik het beste van 2 werelden heb: de Westhoek aan mijn rechterkant en Gent aan mijn linkerkant.

Wat een gelukzak toch, ik.