Ode aan Dranouter

February 25th, 2011

Mijn vroegste herinnering aan Dranouter moet zo van een jaar of vijfentwintig geleden zijn.

Vanillemelk, uit een flesje, met een strootje. Aan een veel te hoge toog, bengelend op een barkruk. Ik kneep mijn strootje dicht met mijn lippen, zodat de zoete melk héél langzaam erdoor kwam. En af en toe een vanillesmaak . Het was een geribbeld flesje, zo een beetje oud als je eraan voelt.

Ja, zo ééntje, ja.

                      

Ik kreeg er twee grote broers bij. Seppe en Bram. Ik zat met open mond te kijken naar wat grote jongens durfden, en waar ik alleen maar van durfde dromen. Terwijl ik een boekje las. Met mijn pop in een hoek, ja, ik was een meisje meisje.

Ik kreeg ook een bonk van een tweede vader erbij, met een baard en een imposante stem. Die zelf zalm rookte, paté maakte en krieken op stroop met gehaktbrood op tafel zette. En een café. Met een Leuvense stoof, volk, een voute en een zaaltje achterin.

Allemaal in Dranouter, daar.

Oh, er volgden tonnen vol verhalen. Mijn blog is er te klein voor, en het zou u bijgod niet interesseren. ‘t Speelplein, de rioolbuis, het wandelpad. Mijn kamer, de knechtebrokken van het dorp. Echt. Er waren daar bijna geen meisjes. Op Eef en Liselotte na. Bijna alleen maar jongens, met velos en skateboarden. Met durf en lef en een grote bek. Ik werd verliefd (op de saaiste jongen van de straat, die waarschijnlijk tot op vandaag nog altijd geen lief heeft. en je moet niet lachen, voor zij die weten over wie het gaat) Ik leerde Kasper kennen, de raarste en bevreemdenste mens van Dranouter. Of was dat zijn broer?

En nu ga ik terug.

Allee, ik mag mee, zeg het zo.

En mijn buik zit vol herinneringen. Aan het schoonste dorp van het Heuvelland.

Ssst. Aan niemand zeggen. Voor het te wanted wordt.

Een jaar en een beetje

February 24th, 2011

en ze doet nog altijd mijn hart omkeren en mijn ogen flikkeren.

Ze ruikt naar slaap als ik haar opvis in de ochtend, strekt haar rechterarm de lucht in en vraagt: ‘da?’

Dan gaan we langs boeken, deuren, stoelen, tafels, poppen (kan ze), blokken, pampers (zegt ze zelf), gordijnen en stuutjes. Over tandenborstels, melk en confituur. Weg naar jassen, deuren, trams en bellen.

En elke keer is het ‘da?’, af en toe eens ‘lalala’, waarop gigantisch geschommel volgt, en een blik op de pc. Zij kent YouTube zoveel beter dan ik.

Ze wil stappen, kasten leegmaken, bijten in je wang en gigantisch grote monden opzetten om je te kussen. Om vervolgens haar hoofd op je schouder te leggen.

Ze is niet meer wennen nu, ze kent haar wereld, en wij kennen haar.

Dag baby. Dag wen-wereld. Ze komt er op volle toeren aan.

Met twaalf kilo, acht tanden en een immens gulle lach. Oh, en met een reuzenhonger om U tegen te zeggen.

Ok. Ik zou op Facebook gaan. Dan moest ik Janina niet meer lastigvallen met stomme vragen als:  ‘wat bedoel je met stoffenverkoop?’. Ocharme, zij moest lezen op facebook en dat dan aan mij mailen. Wat een ouderwets gedoe zeg.

Kom, doe niet onnozel, sprak ik mezelf tegen: jij zult daar niet in verdrinken, in FB, en jij zult daar niet ik-weet-niet-hoeveel-mensen-die-je-kent op tegenkomen, maar neen gij. Ik sprak mezelf ook een beetje tegen, dat is soms eens nodig: ‘je zult je niet mengen in politieke debatten, Marie, want er komt hobbes van, en van zoiets gezelligs als ‘laten we een beetje stoefen tegen mekaar van hoe cool ons leven is’ maak je geen de Zevende Dag, Marie.

Het is nodig hoor, dat ik mezelf tegenspreek, want ik ken mijn eigen al een beetje nu. Gelukkig heb ik een persoonlijke moraalridder op Facebook, die me berichten stuurt met de boodschap ‘Ik dacht dat jij daarboven stond?’ Je ziet: het is nodig dat ik gecontroleerd word, en af en toe eens streng naar mezelf kijk in de spiegel.

Maar ik vind het allemaal best gezellig, op het één en het ander na. Ik zag daar mijn lieve vriendin terug, met wie ik een dagboek deelde in het middelbaar, en die nu ondertussen al 2 schone kinnekes heeft. Ik kom er mijn echte vrienden tegen, die op Facebook even grappig zijn als in het echt. Ik kom er de vriend van vroeger tegen, die er virtueel nog altijd een beetje hetzelfde uitziet. Ik was blij met hem als vriend, en nu is het minder echt, maar wel leuk. Omdat ik herinneringen heb aan fantastische middagen waarop we samen naar Steve Harley luisterden en sigaretten rookten terwijl we niet mochten. Al dat goeds, dat zit in mijn hoofd.

Oh, en ik kwam Joke tegen, ons pad kruiste dikwijls vroeger, en nu is zij de producer van mijn koffiemaat zeg. En die 2 gingen blijkbaar naar Dranouter, bij Kobe , die ik kende toen hij nog geen ster was, maar een kwajongen. Een ster in kattekwaad, ja. 

Ja, de wereld is klein. Maar soms toch ook onwijs zot.

Het went nooit.

February 18th, 2011

Mijn lief en ik, dat is koekenbak. Keihard, en eigenlijk altijd.

Zonder één woord van zijnen kant en met véél woorden van uw madame vertellementen, lukt het altijd.

En met goei eten, dat ik voor mijn wederhelft klaarmaak, als hij weer eens met zijn kop in de verbouwingen zit. Of met zijn immere menerengedrag voor mij, als ik weer kakel en niet nadenk voor ik babbel. Hij lacht altijd een keer naar mij, zonder iets te zeggen, en dan weet ik het weer.

Maar.

Er zijn kapers op de kust. Drie. Drie jonge dames. Die echt alles, alles, alles zouden doen om hem te bekoren.

Zoals prins en prinses spelen. Of op zijn schoot gaan zitten en zeggen dat ‘mama eigenlijk wel blij mag zijn dat ze zo’n vent gevonden heeft’. Of dansen met hem en dan loerend naar mij hun hoofd op zijn schouder leggen. Want er is maar één prins en er zijn maar drie prinsessen, ah ja, alsof ik dat nog niet wist. Het is ook altijd beter, en rustiger en gezelliger als hij erbij is, blijkbaar.

Oh. Later komen er lieven en schoonzonen (schoondochters, misschien, dat maakt me weinig uit), zeg ik zuchtend. En die gaan mij een coole vinden. Die gaan denken ‘wat een oude vent en wat een jonge mama’.

Ik kreeg bitter weinig repliek op mijn gestoef.

Want schoonzonen, die zullen altijd bij Jan willen zijn, vervolgden ze vriendelijk, om samen naar het voetbal te gaan.

Ach ja, het leven van een moeder met drie dochters. Het is dat ge dat moet weten hé, als ge geen zonen hebt.

Gelukkig dat ik naar de Ijverige Wijven mag.

Ik ben mijn idealisme in het onderwijs weeral kwijt. Al lang hoor, maar ik wist niet of ik het u eigenlijk al eens gezegd had.

Gelukkig hebben de mensen met grote talenten die ik ken, en oh ik ken er een hoop, hun talent niet op school geleerd. Noch werd hun passie er gevoed, of werden ze in de juiste richting geduwd. Ah neen, want dat zou pas verrijkend zijn: onderwijs dat weet waar het mee bezig is. Of dat andere dingen dan dat onnozel cijferen godganser dagen onder hun neus duwt. Muziek bijvoorbeeld, om het gemakkelijk te houden. Cd in de speler en op play drukken. Onderwijs dat wat meer op maat is, baanbrekend zou het zijn. Dat zijn personeel wat coacht en wat human resources aan het management toevoegt. Dat zich vragen stelt over de hoge ziektegraad op sommige scholen, of het gemak waarmee leerkrachten efkes out niet echt als efkes beschouwen. Dat eens stopt met onderwijzers directeur te maken, want die mensen hebben dat niet geleerd, hoe ze groepen met begeleiden, en hoe ze om moeten gaan met vastbenoemd personeel. Tja, zij komen immers ook uit dat onderwijs. Geen wonder dat tijdelijke leerkrachten afhaken, ge moet eens naar de bank gaan en een huis willen kopen met uw interimjob van 3 maanden. Tijd dat ook niet-geëngageerde mensen kritisch bekeken kunnen worden, ze zijn met kinderen bezig dacht ik toch. En dat uw vaste benoeming gewoon wil zeggen dat ge uw loopbaan kunt uitdoen. Het is jammer voor diegenen die wel geboren zijn om les te geven, want ze worden over dezelfde kam geschoren. En ze verdienen toch maar lekker evenveel. We kunnen gewoon nog een beetje verder de discussie voeren tussen witte en zwarte scholen, elk aan een kant, en elkeen overtuigd van zijn gelijk. Zelfs Tom Naegels deed het maar zwakjes op Reyers Laat.

Maar nogmaals: de grootste talenten uit mijn omgeving hebben het niet op school geleerd. Oef.

En nu ga ik eens een middelbare school zoeken voor Anouk. Dat belooft.

Martha en Marcel

February 9th, 2011

Ik babbel zelfs tegen mijn wasmachine. Ik noem haar Martha en ze heeft daar geen bezwaar tegen. Ze doet altijd door en denkt niet teveel na. Een beetje mijn evenbeeld, maar dan in machinerie.

Ik babbel ook tegen de droogkast, uiteraard. Onze Marcel. Traag, vastberaden en rustig. Misschien het evenbeeld van mijn lief.

‘Die twee toestellen lijken een beetje op ons, keppe’, vertelde ik Jan, toen we met ons twee in het washok stonden. ‘Een naft en een diesel, compleet verschillend, maar de een kan zonder de ander niet.’

Hij repliceert niet veel, mijn lief, maar moest een keer lachen.

Hij heeft al veel langer dan jullie door dat er soms een vijs los is in mijn hoofd. Maar hij vindt het tot op vandaag niet eens erg. Hij is tenslotte wel met mij getrouwd. Voila.

De Mount Everest is tenslotte ook maar een berg hé.

(en vraag me niet wat die laatste zin daar komt doen, soms weet ik dat hoegenaamd niet. De gemiddelde tijd die ik aan een blogpost wijd is 3 minuten, veel tijd om na te denken heb je dan eigenlijk toch niet)

Lichtmis I

February 2nd, 2011

‘Op Lichtmis is geen vrouwtje zo arm, of ze maakt haar pannetje warm’.

Moest ik dichter bij mijn metje wonen, ik zou geen pannekoeken bakken. Zij bakt de beste ever, en ik zou gewoon deze namiddag bij haar aan tafel aanschuiven. Maar ik woon niet dicht bij mijn metje, dus ik bak ze zelf.

Omdat traditie cool is.

En pannekoeken zijn traditie.

Pannekoeken: het recept voor 80 pannekoeken. (wat ik verdubbeld heb deze namiddag, ahum)

1 kg zelfrijzende bloem  – 2 l melk – 10 eieren (dooiers bij het deeg/de helft van de eiwitten stijfkloppen en er achteraf onder roeren) – fijne suiker naar believen (ik doe weinig suiker in mijn deeg, maar des te meer op mijn pannekoek) – klein beetje gesmolten boter – snuifje zout

Ik moet u toch niet uitleggen hoe je een deeg maakt hé. Je moet wel een goede pan hebben, een warm vuur en een vork met een doekje errond om de olie goed open te kunnen smeren in uw pan. Zo doet mijn metje dat al eeuwen en ik ben slim genoeg om dat kopiëren.

Suiker is ook traditie. Zeker als het potsuiker is.

Ik had een veelvoud aan pannekoekenbeleg, vanmiddag, omdat ik kindjes op bezoek had, en omdat er een gulle gever langs was geweest.

chocoladesaus, fruit, bleke potsuiker, bloemsuiker met een molentje en slagroom.

De kleinste ging resoluut voor slagroom. Ze krijgt dat nooit en als je de kat bij de room zet, dan weet ze het wel.

De 3 pubers gingen voor het molentje. ‘Dat is gelijk in een restaurant, mama!’ ‘En je kan daar niet mee morsen.’ Ik wist niet eens dat zoiets bestond, maar ik ben blij dat ik het in mijn kast heb, want ik gebruik veel poedersuiker op mijn taarten. En ik foeter elke keer als ik dat kleine doosje in mijn handen heb. Omdat dat een vieze boel is, en klontert als het net niet mag.

Chocoladesaus en fruit werden compleet genegeerd. Vreemd.

De potsuiker had ik bijna voor mijn eigen gehouden. Want ik vind pannekoeken met potsuiker één van de dingen waardoor het leven de moeite waard is. Net als ovenkoeken uit Poperinge met potsuiker. Of rijstpap van de vent van de collega met potsuiker. Oh my.

Ik maak alleen maar reclam voor goede dingen, dat weet u ondertussen wel. Bij deze: Tiense Suiker, ge moogt nog een keer langskomen. Zeker met molentjes en suiker met de mooiste verpakking van het kindje dat altijd lacht en altijd suiker eet. Verandert niet van verpakking, want ze is ook traditie en ik wil ze ooit aan mijn kleinkinders kunnen tonen.

En nu eens kijken wat de Ijverige Wijven daarvan vinden vanavond sie. Want naast naaien kunnen wij ook goed snoepen hoor.