maatschappelijk zeer

November 21st, 2019

‘Ik haat mannen’.

Het was een uitspraak van mijn twaalfjarige dochter, zo op een doordeweekse avond aan de eettafel.

‘Euhm’, polste ik voorzichtig, ‘wat bedoel je?’

‘Niet de mannen die ik ken he, maar de mannen in het algemeen, mama.’

Er ontstond een levendig gesprek waarin zij mondjesmaat probeerde te zeggen wat ze voelde. Na een halfuur werd haar uitspraak genuanceerd, maar zij legde kinderlijk een vinger op de wonde door tal van voorbeelden aan te halen die haar verontwaardiging hadden gevoed.
‘De meester van turnen he, ik dacht dat dat een toffen was, maar die zegt dat mannen fysiek sterker zijn dan vrouwen’
Ze haalde nog een aantal situaties is, u welbekend, die wel al eens de revue zijn gepasseerd (‘als een meisje een goal maakt krijgt ze dubbele punten, what the fuck, mama’)

We kwamen er samen uit: het ging niet over haat, maar over zware verontwaardiging waar zij geen gelijkwaardigheid voelt.
Soms terecht, soms zwart-wit, soms moeilijk te volgen voor mij (maar wie ben ik). Ik heb haar blik dan wel een beetje gedraaid, die avond, naar de vele mannen die ik ken, die worstelen met het evenwicht (waarop zij aanhaalt dat vrouwen altijd moeten zoeken naar een evenwicht). Naar mijn grootvader, die mijn grootmoeder vroeger veel bij stond in het huishouden, ook ‘s nachts, en ook allemaal met een evidentie als mijn eigen lief dat doet. Tja, denk ik nu na het gesprek soms, het was toch niet eerlijk want veel kansen kreeg mijn grootmoedertje niet: 9 kinderen opkweken en voornamelijk in uw eigen huis leven tussen luiers, doeken, kinders en de keuken: een mens zou voor minder willen gaan werken. Dàt was de evidentie, dat moederen, de hulp van mijn grootvader was goodwill (ook al zag hij dat als een evidentie).

Ik voel hoe de lessen zedenleer onder haar huid kruipen. Hoe ze leert nuanceren, voorbeelden zoekt, verbanden legt en af en toe eens kirrend thuiskomt met de melding ‘dat ze echt leren denken in zedenleer’.

Een paar dagen later ging het aan tafel over racisme. Over het zwartwit-denkbeeld van een racist.
Ze haalde een tijdje geleden zelf het voorbeeld aan van die keer dat ze met haar grootmoeder (mijn schoonmama, ze is 83) over straat liep in Ieper, en dat ze naar de andere kant van de straat trokken toen er moslims passeerden. ‘Raar volk’, had mijn schoonmama gezegd.
Ik haalde het voorbeeld aan in de discussie om haar te tonen hoe dat er in het echt uitziet: angst.
Ze veegde het weg en zei ‘maar mama, dat is moedertje, ik weet dat zij dat zo niet bedoelt’.
Natuurlijk bedoelt mijn schoonmoedertje dat niet zo, ik ken haar nu al lang genoeg om te weten wie zij is, en om te weten hoe zij denkt, maar toch.
Dat is hoe zij als 83jarige de wereld blijkbaar ziet: vol angst.
Angst die haar compleet is aangepraat (door de krant het meest, vermoed ik, en door de passanten in haar leven in het rustige Ieper, waar ze blijkbaar ontzettend bang moeten zijn), die op niets stoelt, en die geen reden heeft. Op geen enkel moment is zij, noch iemand van onze familie, in welke zin dan ook, in aanraking gekomen met een feit of een gebeurtenis die dat zouden kunnen verklaren. Geen enkele keer.

Ik snap dat niet, dacht ik. Ik snap dat echt niet.

Maar ik snap het wel, bedacht ik mij later, toen ik verder met mijn dochtertje sprak over racisme.

Zo gaat dat dus.
Zo snel kun je van een mens een angstige haas maken.
Een zwart-gele folder voor de verkiezingen, een artikel in de krant waarbij een moslim is betrokken, een onverlaat die een uitspraak doet met gebalde vuisten, en hup: bang.
angst.
onuitgesproken gekweekte emoties die je doen vluchten naar politiek die je belooft dat ze voor jou zullen zorgen.
weer angst.
weer een faits divers.

De Polen pakken ons werk af. (ocharm, als het uitkomt dealen ze drugs aan het kruispunt, en ze drinken ook veel te veel, met hun chique villa’s in hun thuisland, tsss)
De moslims onze vrijheid.
De zieken en de werklozen ons geld.
De moslims ook nog onze huizen.
De Afrikanen onze cultuur (laat me niet lachen, laat me echt niet lachen).

Angst.
Ik wil niet dat mijn kinderen angsthazen zijn, noch dat ze zich zo gedragen. De angst die we moeten voelen zit elders, deesdaags.

Ik wil dat ze leren nadenken. Dat ze empathisch leren redeneren. Dat ze invalshoeken zoeken, en tegenvoorbeelden, om te kaderen wat ze willen zeggen, en vooral: om te leren uit wat ze voelen en denken. Dat ze durven kijken naar zichzelf, ook, en toegeven dat ze het mis hadden, zonder dat ze daarvoor op hun bek gaan. Ik wil dat ze kritisch durven zijn, dat ze kunst leren kennen (die niet wordt opgelegd of in een keurslijf wordt verstrakt), dat ze humaan zijn, en kunnen opkomen voor wie het minder goed heeft (en in dialoog kunnen gaan met wie het beter heeft, dat vooral ook). Dat ze voelen terwijl ze leven, en dat ze dit alles niet als evidentie ervaren, maar altijd zoekende blijven naar beter. Ik wil dat ze ingaan tegen ridicule angst, dat ze kunnen discussiëren met hun grootmoeders, en kunnen zeggen dat ze hun groepswerk doen met een moslim en dat die moslim toevallig een moslim is maar vooral een heel goede vriendin, die de eerste maanden in het middelbaar draaglijker heeft gemaakt. Ik wil dat ze kan vertellen over hoe welkom ze was in dat huis, toen ze samen groepswerk moesten maken en dat ze zich pas na mijn vraag (‘Denk je dat Arife moslim is?’) afvroeg of dat mogelijks zo zou zijn. Ik wil dat zij later niet die belachelijke vraag stelt die ik haar heb gesteld. Ik zou eigenlijk willen dat ze helemaal niks moet duiden, dat dat gewoon een evidentie is.

We gaan dat niet fiksen als we niet gaan babbelen met onze kinders he.
We zullen daar niet voor kunnen zorgen als we niet samen aan tafel eten en van mening verschillen. We moeten niet onze maatschappelijke plicht afwentelen op het onderwijs alleen he.
We zullen ze moeten begeleiden, die kinders van ons. Het zal kraken en schuren en zeer doen, maar welke omkanteling doet er nu ook geen zeer?
Groei is ook altijd een beetje afzien he.

Maar het is boeiend, dat ook. Zien hoe je kinderen dingen in vraag stellen, ook als het over henzelf gaat.
Counteren, en sturen en tegensturen en sussen en een keer roepen af en toe.

We zullen het zelf moeten doen, he.

Dat die angst verdwijnt en dat we echt leren samenleven met elkaar.

over buren en blablabla

June 21st, 2019

Ik schreef 3 jaar geleden dit.

Als ik het nu herlees denk ik:
‘ Man toen was het blijkbaar ook al zo luid ‘
‘ Man zo onbevangen dat ik was ‘
‘ Ik wil nog altijd dat mijn kinderen open in de wereld staan ‘
‘ Mijn hart bloedt nog altijd als ik zie hoe sommige kinderen door het leven moeten ‘

Het verhaal kende geen goede afloop.
Echt helemaal geen goede afloop.

De buren zijn nog steeds onze buren, het lawaai is verveelvoudigd (met een versterkte karaoke aan onze gemeenschappelijke muur) en de spanning is ten top gedreven.

Het is geen verhaal waarin jullie nood hebben aan details, ze zijn toch niet schoon, maar het gegeven heeft een enorme impact op ons gezin, op het welzijn van mijn lief, vooral.
Hij is eigenlijk de meest minzame mens die ik ken. De mens die in al die jaren nog nooit een vooroordeel heeft uitgesproken en die diversiteit zo hoog in het vaandel draagt dat mijn armen van het strekken soms pijn doen. Hij kan zo open naar mensen en de wereld kijken, een mens zou ervan kunnen leren in zijn leven. Hij kan kijken en luisteren en dan maar een paar woorden zeggen en dat is meestal genoeg. Echt, je hebt er geen gedacht van.

Toen kwamen de buren. Toen werd hij ziek. Toen kreeg hij chemo en was hij zo ziek en maakten de buren zoveel lawaai dat ik ten einde raad vroeg of het nu echt niet wat stiller kon. Ze scheldden me uit, riepen op mijn doodzieke man en deden agressief tegen mijn kinderen. Ze = de vader, de kinderen en de schoonzonen.

Nu krijgt hij geen chemo meer, maar de rust is nooit meer teruggekeerd. Op heel veel ongepaste momenten is het zo luid dat wij bijna moeten roepen tegen elkaar, en op zich kan dat ik aan (ik ben ook veel minder thuis dan Jan), maar als wij hen zeggen dat het niet OK is, doen zij gewoon nog wat luider terug. Ze kloppen harder op de muur, ze gooien gebruikte condooms in onze dakgoot, rochelen op het mooie houten staketsel, doen teken dat ze onze keel gaan oversnijden, proberen onze fietsen te stelen terwijl we erop staan te kijken, gebruiken onze dakgoot als asbak en MAKEN VERSCHIRKKELIJK VEEL KABAAL. Mijn hersenen zijn op hun hoede, als ik thuis ben, wat een vreemde gewaarwording.

Het leidt tot conflict tussen ons, want Jan kan zo erg uit zijn doen zijn erdoor, dat ik moedeloos word van zijn gevoelens. Hij kan daar natuurlijk niets aan doen, ik weet dat wel, maar ik wil het wegnemen en ik kan niet en ja, ‘t is ook niet altijd gemakkelijk he, dat leven. Op een keer zat hij helemaal ontredderd al meer dan een uur op Ledebergplein, allee zeg, wat een gedoe.

Ik heb contact met de wijkagent (die mij telefonisch bijstaat, en mij het gevoel heeft dat hij het begrijpt, maar op papier zijn zijn woorden gewikt en gewogen, er zal ook wel ergens iets wettelijks aan hangen).

Ik zou een gans betoog kunnen afsteken.
Ik zou kunnen duiden wie wij zijn, hoe wij in het leven staan, wat onze waarden zijn (en geloof me, ze zijn ruim, er zit veel rek op en ze schuwen grenzen en vooroordelen niet), hoe wij onze kinderen laten kijken naar de maatschappij.
Ik zou kunnen duiden dat dit niks te maken heeft met een mislukte multiculturele maatschappij (want dat is: dit is geen mislukt verhaal, het scenario waar het Vlaams Belang zo graag van smult en mensen bang mee maakt. Wij wonen met veel nationaliteiten in onze straat, en dat is wél gelukt en er zijn geen verdere conflicten met andere mensen, jammergenoeg verdwijnt al dat optimisme bij sommigen door één etterende wonde. Niet bij mij, ik zie mijn andere buren nog altijd minstens even graag, zelfs liever, maar de toeschouwers maken daar één pot nat van, één mislukt verhaal).
Ik zou kunnen zuchten bij het verschijnen van het artikel waarbij een actrice aan het Zuid door kleine kinderen wordt belaagd, maar als ik de commentaren lees, dan word ik zo moedeloos: mensen hebben blijkbaar de nood om Groen hiervoor verantwoordelijk te stellen (WTF) of het Vlaams Belang naar voren te schuiven als oplossing. Of ze verwijten mekaar gewoon nog een beetje verder zoals bij het voorgaande artikel. Ik zucht dan ook nog eens als ik grondige journalistiek mis, bij het lezen van het artikel. Spek in de bek om mensen met (al dan niet terechte) frustraties gewoon wat meer gefrustreerd te maken.
Va mij mag je een Romakind een Roma noemen, ik ben er nog niet uit hoeveel stigma er aan kleeft (veel, vrees ik veel), maar als journalist ga je toch wat dieper graven? Wat verder zoeken? Je artikel onderbouwen, nuance brengen, politiek en juridisch kader schetsen? Toch geen open einde waar iedereen slecht uit komt?

Tussen al dat lezen en al dat zuchten heen kom ik maar tot één bedroevende, erg wanhopige vaststelling: er zal niks veranderen.
Er is veel gepalaver, veel ‘ah je moet het melden he aan de politie’, veel, hou u vast, advies van het onthaal van de politie ‘ga in Brugge wonen, daar komt dat niet voor, ik woon daar’ (serieus, echt serieus), veel hoofden die zich omdraaien en doen alsof alles ok is, veel blablabla. Het is niet ok. Deze situatie is niet vol te houden, niet menselijk en niet eerlijk.

Ondertussen worden er naast mijn deur kindjes mishandeld. Mishandeling als in ettelijke nachten zonder slaap, met oorverdovende muziek, geroep, getier, gebrul, gegooi en verwijten. Geen deftige voeding en geen regelmaat.
Ondertussen gaan de kindjes naast de deur niet naar school (NIET) en zit dat klein meisje op de middag zonder boterhammen te wachten op niemand die thuiskomt, met de tranen in haar ogen.
Ondertussen stelen de kinders naast de deur ongegeneerd in de Delhaize en er kan niks worden gedaan want ja. We gaan eens praten met een hulpverlener van wie ik zelf moedeloos word, die geen enkele impact heeft op de kleine brulboeien die ze ondertussen zijn geworden.
Ondertussen hebben zij geen recht om Nederlands te leren, wat hun kansen zou vergroten om zich verstaanbaar te maken, om vrienden te maken buiten hun eigen enge wereld (want ze kunnen als de beste vrienden maken, ik ben er zo zeker van).
Ondertussen hebben zij geen recht om geborgenheid te hebben, maar moeten zij leven in een wereld die hen aan hun lot overlaat, en geloof me, zo rooskleurig ziet hun lot er niet uit.
Ondertussen liegen hun ouders nonstop tegen de politie, in de hulpverlening, terwijl zij (en wij) er gewoon op staan te kijken, zonder enige vorm van schaamte.
Ondertussen werden ze allemaal weggerukt van hun ouders in 2016, met gebivakkeerde politie waarvan mijn hart nog beeft.
Ondertussen werden ze over gans Gent geplaatst, liepen weg, en wonen nu weer allemaal thuis (met af en toe een plaatsing)

Groei daar maar eens op.
Word daar maar eens een grote mens.
Leer daar maar eens wat samenleven is.
Leer daar maar hoe je je leven zin kan geven, wat goed eten is, waarom slaap belangrijk is.
Ik zou ze achter het behang kunnen plakken, die kleine vlegels, maar dat zijn mensen. Dat zijn kinderen die voor geen gram gevraagd hebben om daar geboren te worden en het toch maar moeten doen.
Zonder ouders die er voor hen zijn, in de echte betekenis van het woord. Die zelf nog veel grotere boevenstreken hebben en overal mee wegkomen.

Ondertussen discussieert gans Vlaanderen voort. Grote meningen op fora, meelopen in Klimaatmarsen (ik deed het zelf, dus je moet niet boos zijn dat ik het zeg), affiches aan de deur hangen en statements maken.
Ons allemaal vergapen aan de benoemingen in het Parlement en kijken hoe politici selfies posten.
Blablabla.

Maakt dat die kinders van hier naast maar eens duidelijk.

Dat het niet over hen gaat.
Dat wij wel elders gaan discussiëren.
Ons groot gelijk halen.
Af en toe eens een hol artikel in de krant, 80 verontwaardigde commentaren en dan weer over naar de orde van de dag.

Blablabla.

over angst

June 19th, 2019

Laatst logeerden wij in een prachtig huis in een schone streek in Frankrijk.
Wij: Jan, de ladies en een deel van mijn schoonfamilie.
Het huis was oud maar mooi: grote traphal, grote kamers, lange zware gordijnen, overal deuren en badkamers, een huis uit een sprookje met een adembenemende tuin.

Clarisse was de oudste van 4 kinderen.

De eerste avond, toen ze hun tanden poetsten voor het slapengaan piepte ze ‘ik ben bang’.
Ze kon niet echt duiden waar die angst vandaag kwam, toen ik het haar vroeg.
Toen was er ook nog een insect in de lavabo en begon ze te wenen: het kind dat met haar hoofd in de bek van een kwijlende Rottweiler zou kruipen, ja dat kind.
Mijn dochter die naast beren zou lopen, angstige klauwende poezen zou temmen, dat kind was zo bang dat ze trillend bij mij in het toilet kroop om te bekomen.
Het lukte niet echt, ze bleef angstig rond zich heen kijken.
Ik nam ze nog even op schoot beneden, en toen gingen ze met 3 slapen.

Ze was nog steeds bang. Ook in bed. Ook al waren er 2 kinderen, waaronder haar eigen zus en haar neefje, bij haar in de kamer, ook al kon ze ons horen praten door de vloer.
Ook al was er niks dat haar echt bang had gemaakt, het was een vage angst (het onbekende huis? de deur langs weerszijden in de kamer?).

Ik bleef even bij haar liggen. Het hielp niet, dacht ik. Ze bleef met ogen open liggen en toen ik na een kwartier vroeg of het beter was, zei ze ‘neen’.

Ik ging nog even naar beneden, maar kwam na 5 minuten terug en ze lag muisstil wakker bang te wezen.

We gingen zelf slapen, ik vroeg of het zou lukken, ze zei dat ze zou proberen maar stond 5 minuten later wenend aan onze deur.

Jan en ik keken naar elkaar, we dachten allebei ‘dedju daar gaan onze plannen (:-))’ maar ze kroop bij mij in bed en Jan bij onze jongste.

Twee minuten later sliep ze als een steen.

‘s Morgens kwam ze rustig wakker en zei ‘ik ben niet meer bang’.

De nacht nadien ging ze zonder morren en zonder angst slapen en was er niks aan de hand.

Ik blijf maar denken: wat een geluk dat zij bang mag zijn. Wat een geluk dat ze angst als een normale reactie kan beschouwen, die komt en gaat en die soms irreëel is en soms ook heel echt logisch te verklaren.
Wat een goede basis in haar hoofd: niemand die haar zegt dat ze niet bang mag zijn, dat dat niet normaal is, dat ze dapper moet zijn, blablabla.
Gewoon: ik ben bang en het zal wel overgaan. Ik help wel denken met haar, en Jan wrijft over haar rug, want we zoeken wel hoe het komt dat ze bang is, maar ja, een mens weet soms zelf niet waarom hij iets voelt, zij wellicht ook al eens niet.

Want eigenlijk: dapper zijn en angst hebben, dat is toch iets raars he, dat wij vinden dat mensen ‘dapper’ moeten zijn als ze bang zijn, waarmee we eigenlijk willen zeggen dat angst geen terechte emotie is en bedoelen dat iemand zijn angst aan de kant moet schuiven. Angst is voor kleine kinders en voor mensen die het niet allemaal hebben.
Alsof je in angst niet dapper bent, amai.
Zelfs al ben je bang en blijft die angst hangen, ik vind eigenlijk niks dapperder dan dat.

Ik zei het haar, dat ik dat het dapperst van al vond, dat ze uit haar bed durfde om te komen naar onze kamer om te zeggen dat ze bang was. Want ja, als je bang bent, dan is er niks dapperder dan in het donker uit je bed sluipen om te zeggen dat je bang bent.
‘Mama toch’, zei ze lachend, maar ik denk wel dat ze het begrepen heeft.

kies wel

May 24th, 2019

Er liep een ouder koppel op een fietspad in de Antwerpse binnenstad.
Een fietser belde om hen te verwittigen.
Ze foeterden en toen ik hen kruiste zeiden ze, zuchtend ‘Geef ze een bakfiets en ze denken dat ze burgemeester zijn’.
Dat is fout.
Die fietser was niet met de bakfiets en reed waar hij reglementair moest rijden.

Wij hebben veel miserie met onze buren. Onze buren komen uit een grote Romafamilie en veroorzaken ontzettend veel overlast en bovendien zijn ze agressief, zowel verbaal als fysiek als wij hen benaderen.
‘Ik weet waarom ik op het Vlaams Belang stem’, zei een buur van verderop mij na het laatste conflict.
Dat is fout.
Onze buren zijn één gezin van een gemeenschap, zoals wij behoren tot een gemeenschap. De gemeenschap waar zij uit voortkomen heeft een diepe nomadische culturele achtergrond en basis.
In mijn staart wonen Turkse mensen, Marokkanen, Polen, Belgen, Tunesiërs. Zij zijn onze dierbare buren, met wie wij de straat in wederzijds respect delen.
Ik zou niet zonder hen kunnen, hun anderszijn, hun manier van koken, hoe ze leven en hoe zij naar het leven kijken.

Mijn dochter van 11 werd vorig jaar in mei betast door een man op de route die we al heel veel jaren nemen. Op klaarlichte dag.
‘Typisch’, reageerde iemand toen ik het vertelde, ‘ het loopt daar altijd vol met Polen en drugsdealers’.
Dat is fout.
De man was vermoedelijk een Belg, ik heb daar nog nooit een junkie gezien. De Polen die ik daar wel zie worden opgehaald in een camionette en werken zich waarschijnlijk te pletter in onze bouwindustrie.
Ze knikken altijd goedendag en hebben me nog nooit ook maar één seconde een onveilig gevoel bezorgd. Ik kom er dagelijks al bijna 18 jaar. Mijn dochter is doorgaans veilig op straat, en er is geen enkele partij die méér veiligheid kan garanderen.

Mijn mama heeft een buurjongen gehad die het niet gemakkelijk heeft in zijn leven en dingen heeft gedaan die helemaal niet ok zijn.
Hij bezorgde geen enkele overlast in de straat, en toch wensten mensen hem weg, ‘dat krapuul’.

Ik zie mensen die het financieel heel erg goed hebben en die toch vinden dat ze kwaad moeten zijn op anderen, die het minder hebben, maar toch. Wij hebben veel minder dan veel mensen rondom ons, maar ik zie niet in waarom ik kwaad zou moeten zijn om een vluchteling, begod.

Ik heb schrik voor de manier waarop mensen, gewapend met leugens en fouten, zondag naar het stemhokje trekken.
Ik ben bang dat mensen met leugens en van de pot gerukte redeneringen bolletjes kleuren omdat ze hopen dat de leugens die ze geloven zullen worden opgelost door politiekers die in slogans denken en in hun handen wrijven als ze zien dat mensen tegen elkaar opzetten nog veel gemakkelijker is dan ze dachten. Quickwins. Wijs misschien naar diegene die een uitkering krijgt, dan maken ze elkaar wel af, ik zie ze het zo zeggen tegen elkaar.

Ik ben ook opgelucht. Omdat mijn dochters, mijn lief, mijn mama, ik, mijn vrienden, niet zo denken.
Ik ben blij dat mijn dochters genuanceerd leren denken, zonder al te scherpe oordelen, maar met menselijkheid en doordachtheid.
Ik weet het soms politiek ook allemaal niet meer, hoor, daar niet van.

Maar kies wel, mensen. Een beetje met uw hart, een beetje met uw verstand.

Kies wel zondag, mensen, voor onze kinderen, onze bomen, tegen armoede, voor goede huizen

wensen

December 31st, 2018

amai, ik schrok toen ik zag dat het al zo lang geleden is dat ik hier nog kwam. jullie maakten me er per mail attent op, ook :-).

het gebeurt nochtans zo vaak in mijn hoofd: dat ik ergens ben, dat ik iets hoor, iets waarneem en dan denk : ‘oh dat is voor mijn vertellementen’, maar dan passeren er nog veel dingen en zijn wij ondertussen bezig met een superleuk project (www.puppe) waarbij we zelf poppenkleren en – meubelen maken en ja, een mens zijn tijd vliegt voorbij.

nochtans, ik wens vaak. weinig voor mezelf (alles is voor mij altijd vrij goed in het leven, ik heb weinig wensen die niet vervuld zijn), maar vaak voor andere mensen.

voor mijn dochters, op wie ik soms ook eens vloek, maar die ik vooral veel rust toewens in het leven. weinig stoorzenders, geen volle agenda’s maar lanterfantertijd.
de eindeloze uren waarin ik mij als kind verveelde en namiddagen die eeuwig leken te duren: ze zijn goud waard geweest in de verdere ontwikkeling van mijn menszijn (ik denk dat creativiteit en leren redeneren daar is ontstaan: stil aan de tafel van mijn grootmoeder die rustte in de namiddag en ik vond het vreselijk dat ik dan stil moest wachten tot ze wakker werd, maar toch waren die stille uren zo waardevol)
voor mensen op de vlucht, om gelijk welke reden dan ook: voor de liefde, de economie, het klimaat of angst: dat ze een plek mogen vinden en dat ze worden opgenomen in het leven van de plek waar ze terechtkomen. dat we dat leren, wat mengen met elkaar en niet altijd bang zijn voor onbekende gewoontes. dat we wat nederiger worden in onze waarden en hoe die eigenlijk ook maar alleen zijn hoe wij kijken naar de wereld, die bol staat van andere waarden die minstens evenwaardig zijn.

voor iedereen: een goede gezondheid. maar echt. ik wenste het elk jaar uit het diepst van mijn hart voordat mijn lief ziek werd en ik meen het nog steeds even veel. je vergeet dat als je gezond bent en geen lichamelijke of geestelijke zorgen hebt: hoeveel goud dat waard is. ik niet, ik koester het. elke dag. ik koester elk uur elke dag elke week elke maand elk jaar met mijn lief want het leven toonde ons schoon de voorbije 22 maanden dat het geen evidentie is en dat er veel waarheid schuilt in het feit dat je vandaag moet leven. ik had in maart 2017 nooit durven dromen en hopen dat hij er nu nog zou zijn, en hoe. hij zorgt voor ons, op een ander ritme dan vroeger, maakt soep en bakt brood en soms denk ik dat dat het enige is dat telt. ik denk dat niet altijd maar vaak. hoe heerlijk dat is als je huis een thuis is en als de kindjes altijd kunnen stranden zonder gegoochel en geplan en urenlange opvang. ik ben daar zo dankbaar voor (terwijl het financieel helegans op zijn kop komt te staan als één van de 2 ouders ziek wordt en het gepieker in de nacht dat wat als ik ook ziek zou worden, maar ook dat besef is een besef en ik kan zulke zaken vrij makkelijk lossen, meestal). ik heb gehapt naar adem en gedacht dat ik het nooit zou kunnen, hem zien afzien en de onzekerheid en het gepieker, maar als ik kijk naar ons gezin dat vind ik dat het goed ging. soms wat minder en soms te heftig voor woorden, maar meestal echt goed. we zijn al daar.
koestert uw gezondheid, als je ze hebt, ze is haar gewicht in goud waard.

dat het rustig mag zijn, 2019, voor iedereen. ik vind ‘#workhardplayharder’ de moeizaamste hashtag die ik ooit heb gelezen. Dat aan jezelf-voorbij-hollen, het overconsumeren en het vernietigende effect op je lijf, je hoofd en de hele planeer, door alsmaar sneller en meer te willen zijn en hebben: ik pas ervoor. ik wens je een zetel, een boek, wat muziek, een beetje eten en geen koude.
ik denk dat we dan al een heel fijn eind op weg zijn.

merci lezers, om me ook persoonlijk te blijven mailen en te vragen wanneer ik opnieuw zal schrijven. ik neem het nooit als een evidentie en zal hier nog een tijdje blijven.

***
marie

over trunten en bleiten

July 17th, 2018

Vorig jaar in september haalden wij een oude hond uit het asiel.

Er waren heel wat mensen die voorzichtig zeiden dat het moeilijk zou zijn, een oude hond, omdat ze niet zo lang bij ons zou zijn, en het verdriet groot als ze zou sterven.

Ik had daar nog geen seconde bij stilgestaan. Niet bij dat sterven, niet over dat verdriet. ‘Ik ken dat, hier geen dieren, dat is alleen maar verdriet voor de kinders, is het niet vroeg dan is het laat, en dan moeten kinderen wenen, ik ken dat.’
‘Uhu,’ zei ik vaak. ‘Ja, klopt’, ook.

Wij kwamen net uit één van de emotioneel turbulentste tijden van ons leven hier, waarin we heel dicht bij de dood waren geweest, dat ik het eigenlijk niet goed snapte, wat de mensen wilden zeggen.

Ik was het niet met ze eens, maar ik had wat tijd nodig om het te kaderen.

Wanneer zijn wij zo bang geworden van verdriet?
Hoe komt het dat wij rouw uit ons woordenboek hebben geschrapt, tot op het moment dat het ons overvalt?
Waarom leren wij onze kinderen alles, maken wij heelder programmareeksen, zelfs over seks, en laten wij afscheid, verlies en rouw gewoon netjes in de bezemkast?

Mijn Afrikaanse vriend Moussa keek met open mond naar de manier waarop wij een begrafenis organiseren (toen mijn zoon stierf): het plechtige, de afstand, de kilte in de kerk. In de week van het sterven van mijn kind fluisterde hij het me toe: hoe inherent de dood aan het leven is; hoe je niet kunt leven zonder te sterven. Hoe je leven kunt vieren, net op het moment dat het er niet meer is. Oh wat heb ik zijn woorden in gedachten, als het in mijn hoofd kortsluit.

Misschien moeten we de deur op een kier zetten voor verdriet. Misschien moeten we trunten en bleiten en vloeken en leren om te leven met verdriet, met zeer en met gemis.
Als we de deur een klein beetje openen, dan komt het binnen, zo af en toe, als een soort compagnon de route.
Het zal niet steeds fijn zijn, en het doet vaak meer zeer dan gehoopt, maar ervan weglopen maakt het alleen erger, zwaarder en log.
Jezelf dapperder voordoen dan nodig is eigenlijk ook alleen maar een beetje doen alsof.

Onze hond tjaffelt ondertussen dapper door, met artrose in haar poten en een kwijlende bek als ze teveel water heeft gedronken.
Ze zal sterven, zoveel is zeker, en de kans dat het binnen 3 jaar voorvalt is veel groter dan binnen 10 jaar.
Maar ondertussen is het fantastisch, is ze de beste maat van mijn lief en mijn kinders en mezelf, en omhelzen we het samenzijn als geen ander.

Altijd met de deur op een kier.
Als ze sterft gaan we samen bleiten en vloeken en zeggen dat het teveel pijn doet voor woorden. Dat geen enkele hond zo fantastisch is als zij, en dat haar missen veel pijn doet. We weten dat, en we weten ook allemaal dat dat het leven is, hier. Geen taboes over afscheid, inherent aan het leven zoals het is. I onze rugzak nadien wat meer houvast om grilligheid op te vangen, om te beseffen dat er geen vlekkeloos pad bestaat, voor niemand en nooit.

Duizend hartjes voor de troost die ik vond in het interview dat Eva had met Helen:
Het licht dat samenhuist met het duister.

verzet

June 23rd, 2018

toen ik een tiener was groeide ik op met de hoop dat de wereld beter kon worden.
ik worstelde mij doorheen de visies van de belangrijke politieke strekkingen, las de krant, keek naar het nieuws en stak mijn middelvinger uit als het nodig was.
ik zag veel goeds (en ook veel verdrietigs, ik moet nog eens terugkomen op al dat tienerverdriet en alle pijn) en ik dacht dat het alleen maar beter kon worden. ik dacht toen dat mensen in se om elkaar geven, en dat er op wat randverschijnselen na heel veel liefde en respect was.

ik groeide, ik ging werken, ik kreeg kinders met mijn machtige lief en ik ging maar een beetje door met leven. ik moest kindertjes baren en melk geven en mijn leven draaide een hele tijd om melk en wiegen en sussen en wandelen en af en toe denken dat het allemaal veel te veel was en te lastig en dat ik het liefst op een eiland alleen zou willen wonen bij momenten.
ach. het leven van jonge ouders, het is pas als nabeschouwing dat ik besefte hoe verdorie lastig het was en hoe erg wij geluk hadden met de back-ups, voornamelijk mijn mama en mijn tante en mijn nichtjes. af en toe namen ze de zorg over, werd ik weer een onbezonnen meisje en kon ik samen met mijn lief het leven nemen zoals het ook af en toe eens moet zijn.

toen werd ik plots chronisch ziek aan mijn darm (geen erg, het is perfect te controleren en ik heb er weinig last van momenteel). de sociale zekerheid die ik had door te werken loste bijna alles op: ik kon naar de dokter, ik kon thuisblijven toen het heel erg pittig werd en ik had een baas van jewelste die me met veel begrip liet recuperen en zei dat hij blij was dat ik terug was nadien.

mijn lief werd ook ziek en ook daar kwam de sociale zekerheid en de verzekering tussenbeide: hup, factuur en hup alles raakte betaald. het is wel een duur leven, als je ziek bent: je inkomen daalt en je behoort plots tot een zeer kwetsbare groep in de samenleving.

ach, we doen het met minder maar we hebben nog steeds meer dan heel veel mensen en we hebben zelfs nog meer dan genoeg om eens te kunnen gaan eten, te delen met andere mensen en de rekeningen te kunnen betalen.

soms flitst het door mijn hoofd: wat als dit je allemaal overkomt als alleenstaande (ouder)? zowel emotioneel als financieel? hoe doe je dat dan eigenlijk?

tussen al die episodes van ons leven was er solidariteit.
mijn mama kwam tussenbeide, mijn tante ook, mijn nichtjes waakten mee over de kindjes (als ik het even niet meer zag, hoe het allemaal moest), mijn vriendinnen sms’ten me in het holst van de nacht en ik kreeg de schouder van mijn maten om op te crashen. er was altijd eten, lekker eten, dat we samen kookten en soms apart: hoe het uitkwam meestal. ik kon bellen naar mijn vrienden als ik iets nodig had en als we ruimte hadden konden wij een beetje helpen met hen. Ons kent ons en daartussen heel evidenties en stille afspraken. het ging al eens te luid, ik explodeerde een keer in de auto van een vriend van mij dat hij bang was dat de ruit ging breken, maar ‘s morgens vroeg hij me of het weer ging. hij was niet kwaad dat ik kwaad was geweest en mijn liefje, die mij het best kent, zweeg en liet me weer tot mezelf komen.

ik dacht dat de wereld zo in elkaar zat.
dat mensen mensen gewoon graag zien.
soms me strubbelingen, soms met hulp, soms dicht bij elkaar, soms ver weg maar nog altijd met respect.

toen was er, tussen al die zaken door, een schoolfeest. een banaal gezellig schoolfeest en ik zou wat helpen en er waren chocomelkjes voor alle kindjes. we stonden met twee moeders naast elkaar en we deden de brikjes alvast open zodat de kindjes niet zouden morsen. de kleintjes schoven aan en waren blij en met plakkerige handjes namen ze hun drankjes aan en liepen weg om te gaan spelen met hun vrienden. ‘oh wat is het fijn om te delen’, dacht ik content. mijn eigen gebroed liep er ook rond, alles was rustig en vredig en de vakantie zat eraan te komen: een moment waarop alles zo goed en fijn lijkt.

er was een klein ventje, een kleutertje, dat om zijn melkje kwam.
hij dronk het snel en gretig op en ik dacht ‘oh dat moet smaken’.
toen ging hij even wandelen en hij kwam terug en sloot achteraan in de rij aan.
‘heb je dat profiteurtje gezien?’, zei de andere mama fluisterend nadat het kleintje de boodschap had gekregen dat er maar voor elk kindje één drankje was.

de dag ging voorbij, de avond kroop in mijn lijf.

de zin liet me niet los. het was niet gewild, niet gepland, maar de woorden kwamen steeds terug in mijn hoofd.
‘dat profiteurtje’
dagen aan een stuk maalde het door mijn hoofd, tot het buitenproportioneel werd en ik alsmaar bozer en verdrietiger werd. het was belachelijk, maar ik kon er niks aan doen, profiteurtje, profiteurtje, profiteurtje. het was helegans niet zo bedoeld, dat weet ik zo zeker, maar het was gezegd en ik kon er geen weg mee, langs geen kanten.

ik dacht aan de tijd dat ik honger had, op sommige dagen. aan de dagen dat het lastig was om naar de tandarts te kunnen gaan omdat ik geen geld had. aan de dagen dat mijn tante 25 euro gaf en ik me rijk voelde. ik dacht aan de jonge moeder die ik was toen ik op school kwam, in een kern van échte mama’s en ik het gevoel had dat ik gewoon maar wat deed. aan hoe lastig het soms was maar hoe snel ik werd opgenomen bij de mama’s, Marleen, Els en Huguette. Hoe anders mijn wereld werd doorheen de jaren, met buitengewoon veel geluk, mensen rondom me die in ons geloofden en af en toe nog wat meer geluk.

zonder die basisvorm van solidariteit stond ik niet waar ik nu sta.
zonder al die zorg en die liefde stonden wij als gezin nergens.
ik sta nog altijd niet veel ergens, maar het is wel verdomd goed op de plek waar ik sta, ook al is het er klein en oud, het is er vooral warm en gezellig.

(ik dacht dat dat zo was, in de grote wereld, dat mensen elkaar hielpen als het nodig was, hun huis openstelden voor anderen en hun grenzen wegduwden bij mensen in nood.)

die ene zin, de profiteurtjes-zin, maakte komaf met veel van mijn hoop en veel van mijn geloof.
het was compleet belachelijk, hoeveel wanhoop ik voelde bij die ene zin.

is dat hoe wij naar kinderen kijken, vroeg ik me later af. dat wij kleintjes van een ander als profiteurs zullen zien? een kleuter die verdorie chocomelk wilt drinken?
Oh ik ben zo boos geweest. boos op de wereld, op de vooroordelen, op alle kansen die mensen niet krijgen terwijl ze voor het rapen liggen.

na de kwaadheid kwam er verdriet, en na het verdriet kwam er verzet.

want ik had ook al lang door dat menselijkheid en zorg niet al te veel van bovenaf komen. politiek is met veel bezig, maar niet al te vaak met mensen. Daarom hebben ze zulke slogans nodig, waarschijnlijk, dat we zouden denken dat het wel over de mensen gaat.
het onderwijs, nog een van mijn oude hopen, heeft ook nog wat katten te geselen en wat hervormingen te doen, maar bon, daar kunnen we niet op wachten.

wat kan ik dan doen? wat kan ik dan doen?
het is een vraag die door mijn hoofd en door mijn lijf dwaalde tijdens slapeloze nachten.

klein verzet.
als we allemaal heel erg veel kleine dingen doen, dat is het toch maar dat.
als het niet genoeg van bovenaf komt, dan zal het wel van ons moeten komen.
want met alleen maar mails naar ministers te sturen dat we niet akkoord zijn zullen we er ook niet geraken.

eten maken voor elkaar
chocomelk geven aan de kindertjes
mekaars kinderen even overnemen
een uur luisteren naar iemand die het vandoen heeft, ook al heb je geen tijd
ons geld delen met andere mensen in plaats van heel de tijd kleren te kopen
gerief delen in je straat
je vriendin een arm geven als ze het nodig heeft
helpen met administratie (oh wat zullen we later een generatie analfabetische mensen hebben, zo weinig zorg in het onderwijs voor de manier waarop je door de hele papierenwinkel van de overheid moet, zo erg weinig inzicht)
mensen leren wat sociale zekerheid is
je glas delen met je maat
een zetel geven als er iemand moe is
je tent uitlenen

klein verzet

laten we elkaar geen profiteurs noemen, dat vooral.
laten we zorgen voor kinderen. laten we een generatie kinders kweken die weet waar het over gaat, die krachtig in het leven staat en die snapt dat zorg voor elkaar het allerbelangrijkste is in het leven dat er bestaat. laten we kinderen in de holtes van hun gezin opgroeien, groeien en groot worden. laten we geen kooien gebruiken, niet bij beesten en niet bij kinders. laten we mensen samenbrengen, leren van elkaar en eindelijk eens komaf maken met die ziekelijke angst dat anderen ons kwaad willen doen.

laten we allemaal samen klein beginnen, zou dat geen goed idee zijn?

Hij houdt er niet van dat ik foto’s van hem neem. Hij vertelt dan over Indianen en zielen die verdwijnen als je ze probeert vast te leggen.
Ik doe het toch, soms een keer.
Ik mag niet schrijven over hem, dat ook, maar ik doe het toch.

Hij houdt ook niet van schone verhalen over de liefde, het leven en andere melige shit die ik toch aan hem vertel.
Dat is Disneypraat, zegt hij, maar ik luister dan niet naar hem, en ik vertel de verhalen toch.

Hij kan nog beter vloeken dan ik, en ik kan echt heel goed vloeken. We vloeken over dezelfde dingen, dat wel. Over elitaire ecologie, en over sommige idealisten. We vloeken niet schoon, maar kwaad en vettig en ook een beetje grappig. Zonder vloeken zou het leven niet goed en niet eerlijk zijn, denk ik. Er zijn dingen waar ik nooit compromissen over zal sluiten en ik hou van mensen die dat ook soms niet doen. Mijn andere vrienden zeggen dan dat de wereld zo in elkaar zit en dat ik me dat allemaal niet moet aantrekken, maar ik zal over sommige dingen nooit anders gaan denken, en dat doet hij gelukkig soms ook niet. Stel je voor dat de hele wereld zo afgevlakt zou worden, verdorie. Hij doet mij zoveel denken over het leven, mijn maat, en ik heb dat graag. Ook daar zou hij mee lachen, peis ik, nu ik erover denk, want van teveel peizen word je niet slimmer, zoiets zou zijn repliek zijn.

Ik leer mijn kinderen dat de wereld vol goeds zit, en hoewel hij die ook ziet, zegt hij hen wel eens het tegengestelde. ‘Allee, wat doe jij nu’, zucht ik dan, en dan zegt hij dat kinderen leren nadenken door verschillende meningen te horen en dan denk ik twee dagen na over wat hij zegt en dan weet ik dat hij gelijk had. Niet alleen kinderen denken beter na door verschillende meningen. ‘Je kunt ze niet in een tent groot laten worden’, zei hij ook al, of zoiets, en ik weet dan altijd exact wat hij bedoelt. Ze moeten niet teveel beschermd worden, want ze worden groot en sterk van af en toe een keer iets minder evidents te beleven. Van dingen te doen of te zien die anders zijn dan wat ze elke dag zien.

Onze kinderen mogen alles bij hem: kliederen, drinken uit de waterkan zonder een glas te gebruiken, vuil worden aan hun voeten zodat ze een uur moeten weken in bad nadien. Tjooln met velobanden en onder wollen dekens kruipen en in zijn hangmat hangen net alsof ze er thuis zijn.
‘Wat zouden ze niet mogen?’, vraagt hij mij verwonderd. Zij noemen hem nonkel en ze doen dat niet vaak, alleen maar bij mensen die ze heel erg ontzettend fijn en de moeite vinden. ‘Ik vind hem zo leuk, mama’, zeggen ze af en toe zo oprecht, en ik knik dan gewoon een beetje, want ik weet wat ze bedoelen. Ze hebben maar een handjevol mensen die ze zouden meenemen als het moest: Karlijn, mijn buurvriendin, en Cica, hun onthaalmama. Mattong zouden ze ook meenemen, nu, die ladies.

Hij tekent met onze dochter, en hoewel ik steeds zeur dat ze met een pen niet mag schetsen, leent ze de hare wel aan hem en hoopt ze dat ik het niet doorheb. Wat ik uiteraard wel doorheb, wat had je gedacht?

Hij houdt van honden, van de zijne en ook van de onze, en hij doet dat op een manier die mij raakt in het diepst van mijn zijn. Als Martha kon, dan kroop ze op zijn schoot.

Onze wilderik-vriend.

Hij heeft het niet goed door, hoe wij hem koesteren, hier in ons huis. Hoe blij iedereen is als hij passeert, of hoe fijn we het vinden om in zijn tuin te zitten en te voelen dat het een echte thuis is. Hoe ik mijn liefje bijna hoor nadenken als onze vriend iets zegt, en hoe hij dan later een beetje herkauwt wat hij hoorde. Hoe mijn lief diep kan lachen in zijn gezelschap, en ik de warmte tot in al mijn vezels voel. Hoe ik dagen nadenk over zijn oneliners en hij die de volgende keer gewoon van tafel veegt.

Het hoort bij het beste dat een mens kan hebben, bij leven, een vriend gelijk mijn vriend Mattong.
Bij het allerallerbeste.

over schoonheid

May 22nd, 2018

Elke dag passeren mijn dames en ik (of mijn lief) het vieze vuile kruispunt als je Gent binnenrijdt.
Het is een troosteloos kruispunt, vol drukdoende auto’s, heel veel snelle fietsers die zich haasten naar hun bestemming, lichten die niet lang genoeg groen zijn om deftig over te kunnen steken (en een groenelichtenlogica die steeds weer wijzigt).

Af en toe droom ik van een aardewegel.
Een rustig weggetje dat ons naar school en werk brengt.
Een boom, wat groen, misschien een struik vol bessen.
Ademruimte of tenminste het gevoel dat je niet stikt in de uitlaatgassen.

Enfin.

Er staat, zodra het weer betert, een jongleur op het kruispunt. Ik denk dat het een Spanjaard is, en hij staat er geregeld te jongleren als wij passeren. Hij passeert dan de auto’s met zijn hoed, en de automobilisten die willen kunnen hem een centje geven.

Mijn dochters houden van hem. Ze houden van de lente die hij meebrengt, de kunstjes die hij toont, zijn hoed die hij, als een echte piraat, af neemt als zijn voorstelling voorbij is.

‘Moegn wij hem een centje geven, mama?’, smeekten ze, toen wij hem voor het eerst zagen.

Sindsdien heb ik altijd kleingeld bij, en speuren zij naar zijn aanwezigheid al lang voor we het kruispunt oversteken.
Ze zwaaien dan naar hem, hij zwaait terug en dan kijken ze met grote ogen hoe hij een kegel op zijn hoofd kan zetten en hoe hij met de jongleerballen goochelt.

Ik kijk dan eens rond me, als ik daar zo sta te wachten.
Ik voel en ik zie de gehaastheid van de mensen rondom mij, vlug vlug vlug en geen tijd om te kijken.
Ik snap die gejaagdheid, ik heb ze bij momenten zelf ook.

Maar ik wil nooit stoppen met mooie dingen te zien.
Ik wil nooit geen tijd hebben voor jongleurs op het kruispunt.
Ik wil nooit de geërgerde blik hebben van de automobilist die niks wil geven en zeer geïrriteerd zwaait met zijn armen.
Ik ga altijd blij zijn dat er mensen zijn die andere sporen kiezen, die anders in het leven staan dan mij, en die kunst maken die ik écht schoon vind.

Ik denk vaak, als wij het groen licht daar laten passeren, en nog een minuutje langer kijken naar hem, dat ik hoop dat mijn dochters dat oo altijd zullen doen: zoeken en kijken naar schoonheid en daar tijd voor nemen als het nodig is. Dat ze gehaast kunnen beperken en niet snelsnel maar echtecht zullen kunnen leven.

Onze Spanjaard is een begin.

Iemand die zulke schone momenten aan mijn dochters geeft zal altijd welkom zijn om bij ons aan te schuiven aan tafel.
Altijd en overal.

echt echt echt

May 12th, 2018

‘Ik ga echte dingen doen’, dacht ik vorig jaar.

Toen de artsen in februari dit jaar ‘iets’ zagen op de foto’s van mijn liefjes long, werden het lange weken. Er moest gewacht worden en weer gewacht en woensdag zei de dokter ‘ik heb goed nieuws’.

Ik moest een klein beetje wenen uiterlijk en innerlijk heel erg veel.
Wenen van geluk is schoon he.
Wachten hopen wanhopen soms een keer dan weer hopen schurken tegen het leven en dan kijken naar hem en hem willen bewaren in een potje want hij ziet er zo goed uit mijn lief. willen roepen en weten dat het lastig zou kunnen worden als het slecht nieuws zou zijn.

Er huist een oude ziel in mijn binnenkant, en die weet meer van het leven dan ik ooit zal kunnen bevatten.

‘Zet u ne keer’, zei ze rustig, ‘ge weet het toch, hoe het leven in elkaar zit. het is heel erg schoon, bij momenten, en soms een keer verschrikkelijk lelijk en oneerlijk. ge weet dat toch al langer.’

Ik knikte een beetje.

‘En wat je ook weet, dat is dat er altijd schone warme dingen zullen zijn. mensen ook. ze zullen rond je zijn en duwen en trekken en kijken en babbelen en je zult het soms kunnen verdragen, soms niet en af en toe eens nodig hebben.’

Ik knikte nog een beetje.

‘er zullen ook altijd honden zijn’, bevestigde mijn ziel, ‘honden die wild zullen zijn, die je graag zult zien, en je zult kijken naar hen gelijk naar je kinders, maar dan anders. zoals je dochter het zegt, honden zijn mij even veel waard als mensen want wie heeft eigenlijk bepaald dat wij meer rechten hebben.’
Ik dronk wat thee.

‘Je weet wat je warm maakt, wat je doet aarden, wat je nodig hebt om echt te kunnen leven, en ook wat je moet doen als je moet overleven’, vervolgde ze (ze is niet van de summiere soort), ‘zoek ernaar dan.’

Het was geen moeilijke zoektocht, het ging vanzelf.

‘Ik wil gaan tjooln, keppe’,piep ik dan tegen mijn lief.
Tjooln, dat helpt bij mij. Treinen, stappen, lopen, tjooln, kamperen en weer stappen. Doelloos.
In het gras zitten, buiten slapen. Soms duurt het dagen, mijn drang, deze keer langer. Hoe zwaarder mijn emoties, hoe langer het tjooln duurt.

Mijn lief, die mij het best kent van de hele wereld, flikt dan een oog en laat mij tjooln.
Ik land altijd weer bij hem, altijd altijd altijd.
Hij die mij helegans neemt wie ik ben en zo dikwijls zegt ‘de max, moksje’. Hij wrijft dan een keer over mijn rug, loopt me achterna voor een zoen, en zegt ‘mi moksje’. Hij die zoveel luistert naar mij, en af en toe moet lachen als ik vloek en met mijn vuisten op tafel klopt omdat ik kwaad ben. Ik ben niet om veel kwaad, al helemaal niet op het leven, maar wel om tralala en gedoe en ecologie die geen echte ecologie is. Hij luistert daar altijd naar, naar mijn verontwaardiging, ook al deelt hij ze waarschijnlijk vaak niet. Hij die mijn hoofd steeds vrijheid geeft, nooit eisen stelt aan mij, waardoor ik zo graag aan hem blijf plakken

Ik zou dat wensen, aan veel mensen, dat tjooln.
Een rugzak, een tent en geen doel. Geen visies op voorhand en veel tijd om te luisteren naar andere mensen.
Een beetje hout voor een vuurtje en een glazeke wijn.
Dat, en een lief zoals het mijne.

Altijd met een lief zoals het mijne.