De stress #boostyourpositivity

February 26th, 2015

In mijn hoofd zijn er meerdere sporen.

Het alledagelijks spoor, dat zich bezighoudt met plannen, uniform strijken en boodschappenlijstjes vullen. Het spoor dat in overdrive gaat op zaterdag, en op zondag soms al eens ontspoort. Of dat goed is, dat laat ik in het midden.

Het kindertjesspoor. Een alsmaar breder wordend spoor, dat constant dendert aan honderdperuur, af en toe eens topsnelheden haalt, met een trein waarin het meestal fijn is te vertoeven.

Het werkspoor. Het spoor met het duidelijke begin en einde, dat bij momenten dicht de andere sporen raakt.

Het vriendenspoor. Het spoor dat zeurt dat ik te weinig buitenkom in de winter en dat zegt dat ik dringend vanalles moet doen met mensen. Mensen die al lang eens aan onze tafel moeten komen zitten, of zondagen die we samen moeten plannen.

Mijn zorgenspoor. Oh wat zou ik het een spoorbreuk wensen. Verdorie zeg, ware het niet dat het gedachten zijn uit mijn eigen kop, ik zou denken dat het onmogelijk is dat eens mens zich zorgen kan maken om al die dingen die door mijn hoofd malen. Joengne.

Het liefspoor. In zwaar metaal, diep in de grond. Meestal met een constante snelheid, zo’n trein waar je in een fluwelen zetel zakt en voor je het weet ergens in Rusland belandt. Het nodigste spoor, ook. Zo’n spoor waar ik mij aan oplaadt, zoals het nachtlampje van mijn kleine dochter.

Mijn eigen spoor. Vrij simpel, feitelijk. Het bestaat uit een zetel, een boek, een bed, wat gedachten en een beetje eten. Het is meestal niet echt een spoor te noemen en ik moet het soms eens zoeken, als het weer wat overwoekerd raakt, of ik de weg ernaartoe weer al eens kwijt ben. Moeilijk te vinden, content eens ik er ben.

Ik wou dat ze soms eens wat meer samenliepen, mijn sporen. Wat meer dezelfde richting uit, aan een aangename snelheid, zonder wedstrijdgehalte en rush.
Ik wou dat het zorgenspoor wat minder van zich liet horen, en dat de fijnere de voorgrond wat vaker haalden. Elke geforceerde poging om ze op één lijn te krijgen mislukt. Elk plan om wat minder sporig te zijn als mens mislukt. Elk boek dat ik hierover las helpt geen zier en eigenlijk was er nog nooit iemand die mij de gouden tip kon geven.

Dus ik probeer ermee te leven. Met mijn meersporig hoofd en de gedachten die nooit stil staan.
Ik leef met iemand die bitter weinig verschillende sporen beleeft op hetzelfde moment, en we staan soms zo naar elkaar te kijken, over hoe verschillend we zijn. Soms wou ik dat ik zijn kop kon kruipen, op die ene duidelijke weg. Soms wou hij waarschijnlijk dat hij de chaos van mijn hoofd kon bevatten, de onrust door de wisselsporen, de vertragingen en de knetters van al dat gedoe.

Het vreemde is dat, hoe minder pogingen ik doe om dat stressgevoel weg te krijgen, hoe gemakkelijker die sporen elkaar vinden.
Hoe minder ik van mezelf moet, hoe beter de snelheden zich aanpassen aan elkaar. Hoe beter ik slaap, hoe minder de sporenstress.

Wie weet komt het ooit allemaal goed.

Er zijn dingen die in mijn hoofd blijven hangen, maar die nooit de werkelijkheid halen.

Een proper huis. Met gekuiste vloeren, lege wasmanden en een nette keuken. Opgemaakte bedden en een propere gang.
Af en toe gebeurt dat eens, vooral als ik een ziek kind heb dat in de zetel ligt. Maar ze zijn niet veel ziek, dus het gebeurt niet vaak.

Ik kan daarmee leven. Wie daar commentaar op heeft, moet maar zijn ogen dichtdoen en koffie ga ik toch maken, of mijn huis nu proper is of niet.
En meer dan een proper huis hou ik van mijn kinders die mogen spelen. De ene dag met veel te veel karton in onze kleine woonruimte, de andere dag met dekens en lakens en poppen. Liever dan met dweils te zeulen sta ik te koken of zit ik in de zetel voor te lezen. Echt veel liever.

Toch heb ik een strakke organisatie wat het weekroulement aangaat. Een moordend venijnig systeem, dat me compleet in mijn blootje zet als ik het niet volg, maar voor de rest werkelijk heel erg efficiënt is.

Een agenda.

Ik vul die aan op vrijdag of op zaterdagvoormiddag, en plan de week vooruit. Eerst de dingen die moeten gebeuren en dan het eten dat daarbij past.
Als er oudercontact is om 18uur, dan haal ik spaghetti uit de diepvries en iedereen is content. Als maandag en dinsdag zware dagen worden zorg ik op zondag dat er eten is voorzien. Als donderdag een avond zonder Jan is eten we restjes, of maak in woensdag in de gauwte macaroni. Weekendjes Ieper worden met vlaggetjes omcirkeld, want dan moeten we niet koken. Avondjes AB met mijn lief en met Ilse worden versierd met hartjes op de kalender, omdat mijn lieve vriendin de hele opvang van de kindertjes deed van ‘s avonds tot ‘s morgens zonder dat ik moest denken hoe het zou zijn. En ik moest ook niet koken, want we aten in Brussel.
Soms laat ik hen mee kiezen, de huisgenoten, en mogen ze zelf iets op de menu zetten. Het weekend kook ik uitgebreider, en ik noteer dat allemaal netjes in mijn agenda. Als ik zondag lasagne wil voor het bezoek, dan maak ik op zaterdag al de groentjes en de saus klaar. Zo tussendoor, gelijk een echte keukenprinses. Dan kan ik op zondag mee aan tafel met ons volk.

De boodschappen.

Altijd in het weekend, steeds vooruit voor een ganse week. Zo zonder schoolkoeken, fruit of yoghurt vallen in het midden van de week, ik kan daar niet meer zo goed tegen.

De brooddozen.
‘s Avonds maken we brooddozen, vullen we de koekjes aan en leggen we fruit klaar. Zwemzakken, verkleedkleren en spelletjes doen we ook al. Niks zo klote als ‘s morgens daar nog tijd moeten in steken.

Op tijd opstaan.

Jan is de eerste. Na een half uur kom ik naar beneden geslofd. In een allerbest scenario een half uur later de kleinste, gevolgd door Clarisse, die het meest tijd nodig heeft. Véél tijd hebben wij ‘s morgens, want ik werk dichtbij huis en school en ik kan glijden met mijn uren. Maar tijd hebben in de ochtend is een van de dingen die ik leerde van mijn lief, en waarschijnlijk een van de beste dingen die een mens kunnen overkomen. ‘Drink eerst een zatje kaffie, keppe’, zegt hij en mijn dag begint daarmee dan ook altijd goed.

Ergens op de dag een beetje tijd inplannen voor uw nageslacht.

Voor mij zijn dat de dagelijkse wandelingen naar en van school. We kunnen niks anders doen dan bij elkaar zijn, en we vinden dat alle drie zo gezellig (door de jaren heen hé, ik heb ook veel gesleurd met vermoeide kleuters die een kwartier zaagden, daar zijn we door, al duurde dat een tijdje, voor sommige zaken is tijd nodig) dat we er niet meer zonder kunnen. Tijd om te babbelen met elkaar, dingen uit te leggen, te dromen, ruzie te maken en te leren die weer bij te leggen, over Harry Potter te vertellen en moeilijke dingen te duiden.
Ik denk dat, van alles wat het moederschap omhelst, de kern daar ligt voor mij.
Het is fijn als je zo iets hebt, als ouder. Waar en hoe je dat invult maakt weinig uit, maar dat zijn van die dingen die aanvankelijk weinig voorstellen, die later tot de fundamenten van relaties behoren.
(Het is niet dat het altijd altijd gezellig is hé. Ik moet ook soms mijn regels hebben, en mijn middelste kind kan zagen dat het niet schoon is terwijl de jongste als een furie achter ons kan lopen. Dat gebeurt ook, maar dat is het leven, denk ik dan, en dat denken helpt)
(Ik heb dat eigenlijk ook niet ingepland in mijn leven, het kwam vanzelf en misschien is dat nog het allerbeste)

Valentijnen.

Niet op 14 februari voor mijn part, maar zo een beetje verliefd zitten wezen naast mekaar, of tijd hebben om eens langer dan vijf minuten met elkaar te babbelen, ik hou daar van. Wij doen dat vaak op woensdag. De kindjes vroeg in bed en wij zo een keer in de rust eten. Want voor je het weet is de een gaan sporten en de ander aan het werken en lig je uitgeteld voor tv te zappen. Wat overigens ook gezellig is.

Zaaien naar de zak.

Koop een bescheiden huis en zaai naar de zak. Levenswijsheid van mijn petertje. Ik hou me daar aan, ik moet nooit meer wakker liggen van geldtekort, ik denk na voor ik iets doe met mijn geld en dat bezorgt me een gigantische zielerust. Hoe ouder ik word, hoe minder moeite ik heb met onthechting, maar ik hou van die zekerheid dat ik morgen niet mijn laatste cent moet uitgeven. Ooit was het zo, en mijn buik deed daar zoveel pijn van, dat ik het nu rustiger vind.

Al die dingen zorgen dat er ruimte is in mijn hoofd. Ruimte om gegrilde-groenten-lasagne op tafel te toveren als er bezoek komt, een mooie zak in mijn kast te hangen die vol weessokken zit, die we af en toe eens samen sorteren op regen-woensdagnamiddagen. Ruimte om mekaar graag te zien en de rush door te komen.

Schoonheid

February 11th, 2015

Mijn grootvader kruiste vaak zijn armen op zijn rug. Ik zag het soms, als hij aan het wandelen was, hoe hij zijn armen rustig op zijn rug kruiste en verder wandelde.

Om een of andere reden vind ik dat een van de mooiste lichamelijke houdingen die een mens kan aannemen.

Er zit iets treurigs is, maar ook vastberadenheid, wijsheid en soms een beetje een berustend gevoel. Het doet me ook denken aan hoe je lijf toont dat je aan het genieten bent, want je kruist je armen niet op je rug als het je niet afgaat in het leven. Weemoed ook een beetje, maar ook aandacht. Aandacht voor de wereld rond je, voor de mensen bij wie je leeft en voor de natuur, soms ook.

Het was in een donkere periode uit mijn leven, dat hij me brieven schreef. Lange, zelf geschreven brieven, die hij met de auto naar de post bracht, zodat ze in Gent zouden geraken, tot bij mij.
Soms had ik geen zin in brieven, ik bleitte zo al meer dan genoeg, en ik legde ze gewoon aan de kant.
Na een poosje was ik zo gewend aan die regelmaat van de brieven, dat ik er naar uitkeek. Ik had geen telefoon, alleen maar een hoofd vol storm. En nu ook een grootvader die brieven schreef.

De brieven stonden vol alledaagsheid.

Over hoe hij aardappelen had geschild voor het middageten, en over hoe schoon de prei was uit zijn hof. Over de bergen die hij kon zien van bij hem thuis, over geraniums die weldra zouden bloeien. Over de mooie wandeling die hij had voorbereid, en over het lekkere brood dat zo smaakte, ‘s avonds, met een stukje fruit erbij. De kracht van mooie woorden, of een schoon artikel dat hij gelezen had. Over hoe de dauw tekeningen maakte in zijn tuin, en hoe hij een kleine vogel had gezien op de haag. Een amaryllis die groeide om te bloeien. De lukken van mijn metje, die lekker waren.

In mijn hoofd raasde het, stormde het hevig en was er geen alledaagsheid aanwezig. Geen schoonheid, geen mooie dingen om op te letten.

Tot ik zijn brieven las, en hier en daar, af en toe moest glimlachen. Kleine pauzes in de ellende. Allemaal om kleine schone dingen die ik niet had opgemerkt. Ik trainde mezelf in het leren kijken. Hoe de handen van de buurvrouw mooie rimpels hadden, en hoe de zon binnen scheen en alles wat dragelijker maakte. Allemaal kleine beetjes mooiheid die hielpen.

Ik heb me dat eigen gemaakt, dat kijken naar mooie dingen. Het geeft mijn leven een soort lichtheid die heel verwarmend is en goed doet aan mijn hoofd. Ik probeer dat ook aan mijn kinders mee te geven, omdat dat gelijk medicamentjes zijn voor uw ziel. Het leven is zo al complex en verdraaid lastig bij momenten, schoonheid helpt.

Toen zag ik deze ochtend net voor mij mijn jongste broedje lopen naar school.
De weg van huis naar school is zo grijs en vuil en vol auto’s en nog van dat, maar dat zien zij niet.
Ze kruiste haar armen op haar rug, net als hij dat deed, en zei: ‘Wat een mooie eend, daar, ik had er bijna naast gekeken.’

Versus

February 7th, 2015

Mijn enige nog levende grootouder is mijn metertje.

Ze is 86 begod, en ze ziet eruit zoals sommige mensen van 70. Ik denk dat ik ze met één hand kan oppakken en als ik haar vastpak dan voelt ze steeds brozer dan de vorige keer. Ze is nog altijd mooi gekleed en ze ruikt nog altijd naar de crèmes van vroeger.

Je zou eens met mij mee moeten kunnen gaan tot bij haar thuis. Ze woont op een bel-etage, wat wil zeggen dat zij nog al die trappen doet, meerdere keren per dag. Haar wasmachine staat op het gelijkvloers, haar living en keuken en badkamer op de eerste verdieping en de slaapkamers bevinden zich op het tweede. Trappen dat zij doet.

Mijn twee grootmoeders waren dan wel van dezelfde leeftijd, meer verschillend konden ze niet zijn.

Mijn metje – die gestorven is – was van de klassieke soort. Zorgen over de was en wat er op tafel komt ‘s middags. Blij met de maandagse wandelingen met de bejaarden en bezorgd om de achterkleindochter die vorig jaar steeds met de trein naar Brugge moest. Alleen. Er zou wel eens wat kunnen gebeuren. Toen ze hoorde dat ze op internaat mocht, was ze gerustgesteld. ‘Veel beter’, prevelde ze, ‘dat kind toch’. Ze bakte de beste pannenkoeken, de heerlijkste warme wafels en de verrukkelijkste lukken op het einde van het jaar. Mijn grootvader kopieerde haar recepten voor mij, met zijn scanner, uit het boek van de Boerinnebond. Zij schudde en zei dat ze nooit zoveel suiker zou gebruiken en hij schudde op zijn beurt omdat zij de magie van de kopie had verstoord. Ik belde veel met haar, doorheen mijn leven. Om te praten over onbenulligheden, de dochter van de buren die ziek was en het wel en wee van de familie. ‘Bedankt om te bellen, Marietje’, zei ze. Telkens weer opnieuw, elke elke elke keer.
Ze kwijnde weg toen mijn peter stierf, en mens, ik had er geen gedacht van dat zij zou treuren. ‘Het voelt alsof je je helft kwijt bent’, zei ze, en ze had dat van haar vriendin gehoord tijdens het wandelen en ze zei dat het echt zo voelde.
Ik hoop dat ik later lukken kan bakken zoals zij, en dat ik kan vertellen aan mijn dochters hoe bijzonder ze was voor mij.

Mijn meter is de moderne.
Ik vond dat toen ik klein was, en met mijn handen over haar fluwelen slaapkamerbehang ging, en vol bewondering keek naar haar tapijt keek.
Ik vind dat nog.
Ze leest de Knack, en andere tijdschriften, en ze streept dingen aan die ze interessant vindt. Ze spaart de weekendedities voor mij, en zucht als ze hoort hoe sommige vrouwen aan de haard willen blijven. Ze vertelt – vol oude honger – hoe ze moesten sparen en ze bijna geen nek meer had van het eten dat ze uit haar eigen mond spaarde. Over mijn Hollandse grootvader, haar man, die ze de laatste jaren van zijn leven zo menswaardig bezorgde dat ik er nog steeds niet goed van ben.
Ze denkt aan haar kleindochters die moslims zijn, en vindt het jammer als mijn nichtje haar hoofddoek aanhoudt bij bezoeken. In haar hoofd vecht ze tegen elke vorm van onderwerping, maar ik zeg haar dat ze dat niet hoeft te doen. Dat keuzes voor de een niet altijd keuzes voor de ander zijn.
Toen mijn peter stierf ging haar leven door, en het verdriet draagt ze stilletjes met haar mee, vol onmacht over hoe hij gevangen zat in zijn eigen lijf, de laatste jaren.

Laatst stond ze in haar keuken kip klaar te maken. Kip, gemarineerd in olijfolie en gevuld met kruiden uit haar tuin. Haar keuken is altijd een beetje een hoopje, zoals die van mij, maar de dingen die zij klaarmaakt staan in mijn lijstje van ‘beter dan dat kan eten niet zijn’. Het is niet conventioneel, de manier waarop zij kookt, en ze maakt bijzonderheden die durf etaleren. Haar keuken ontploft, net als de mijne, en later op de dag zal ze die dan rustig weer op orde zetten, als al het volk weg is.

Ik zou een week bij jou willen zijn, dacht ik stil, en al jouw recepten netjes opschrijven (wat een hel zou dat zijn, dacht ik tegelijkertijd, want ze houdt geen maat en is een rebel in de keuken) zodat ik later aan mijn kinderen kan vertellen wat een magisch mens ze was.

Way back (#boostyourpositivity)

February 4th, 2015

Ik denk soms aan jou, zestienjarige ik, als ik in de keuken sta, en net boodschappen heb gedaan.
Ik denk aan hoe jij toen smachtte naar een eigen huisje, en een keukentje en genoeg geld om eten te kopen en het dan klaar te maken. Ik proef die honger nu nog op mijn lippen, en bij een volle kar in de winkel, of bij een tas vol groensels die ik meezeul als ik van de markt kom, denk ik aan jou. Aan hoeveel zin je daarin had, en hoe het nu zo is in het echt en hoe een mens dat soms vergeet, van die vurige verlangens van zestienjarigen.

Ik denk ook aan jou als ik mijn eigenste vijftienjarige dochter in de badkamer tegenkom, met haar stijltang en haar rologen. Hoe ik zou hebben gelachen met meisjes die stijltangen gebruiken als ze buitenkomen, zeker als ze zulk prachtig haar hadden als dat van mijn dochter. Ik zie hoe anders mijn dochter is dan toen ik zestien was, en hoe het raasde in mijn kop en hoe het bij haar bijzonder standvastig en rustig verloopt, daar vanbinnen in haar koppeke. Wel af en toe een windvlaagje, dat wel, maar peanuts in vergelijking met de hurricanes in mijn eigen kop zowat achttien jaar geleden. Ik kan je verzekeren: die stormen kunnen gaan liggen hoor, zoals ze dat bij mij deden. Er ging wat tijd over, wat gevloek, gebleit, wat goede mensen, wat lastigaards en wat verdriet. Na dat alles is het wat rustiger geworden, wees gerust, het blijft niet even lastig.

Er zijn nog altijd wat zaken die we gemeen hebben. Je honger naar duiding is groter geworden, en ik wou eigenlijk net dat die wat zou minderen door de jaren. Ik lees en ik lees en ik denk en ik denk en ik heb in Jan een compagnon gevonden die ook denkt en denkt en dat is zowat het beste dat me kon overkomen, zestienjarige ik. Zo goed als het nu is, daar had jij toen geen vermoeden van, begod.

Je had ook geen vermoeden van die modder aan verdriet die je kort nadien zou overstromen. Ik weet niet eens of ik jou zou willen waarschuwen. Verdriet van tienermoeders wordt onderschat, en laat dat nu net een kwaadheid zijn die je toen niet voelde, maar ik nu wel. Een kwaadheid die me koppiger en radicaler maakt dan ik ooit had durven denken. Ik zou je dus een dekentje willen geven, ja, om je minder alleen te laten zijn in al die rouw. Maar aan de andere kant: de flexibiliteit van de kop van een tiener is misschien wel het beste wat je nodig hebt in tijden van moederkindverdriet.

Je onwetendheid over alles wat zou komen, ik ben er bij tijden strontejaloers op.

Maar aan de andere, meest overwegende kant: de puberale strijd, de ontgoocheling en de razernij van een jonge kop: je mag ze hebben.

Mankementjes

January 28th, 2015

Oh wat hou ik van mankementjes.

Het is een woord dat bij de meeste mensen in het schuifje ‘negatieve connotatie’ ligt, maar bij mij is het een kanjer van een woord.

Mijn lief en een van mijn dochters hebben allebei grote oren.
In de top vijf van hun lijf hou ik erg veel van hun oren.
Ze ontroeren me, en ik vind ze zo mooi.
Ze zijn stille getuigen van hoe ik over schoonheid denk, en ze bevestigen voor mij vaak dat ik perfectie het liefst aan de kant duw, op zoek naar echtheid.

‘Ik hou zoveel van papa’s oren’, zeg ik soms, en dan lachen ze een beetje, de ladies. Ze zijn wel meer gewend van mij, en nemen zulke waarheden er altijd bij. ‘Het zijn grote oren, mama, en ik heb een dikke kop.’
De kleinste is geweldig trots op haar grote hoofd, trots op de volwassen fietshelm die ze draagt, omdat haar hoofd te groot is voor een kinderhelm. Complexen zijn haar vreemd als het over dat reuzenhoofd van haar gaat. Je merkt het niet echt op, tot je voor haar een helm zoekt, of die keer dat de gynaecoloog mij nachtmerries bezorgde, voor de bevalling, toen hij haar hoofdomtrek meedeelde. Ze draagt het met trots, haar percentiel honderd.

‘Mijn oren zijn ook groot’, zei de middelste dochter verwonderd, toen ze enkele weken geleden voor de spiegel stond.

Ik vertelde haar over Sesostris III, de farao met zijn tentoonstelling in het Palais des Beaux Arts in Rijsel, die werd afgebeeld met reusachtige oren, als teken van grote wijsheid. Ze luisterde met haar mondje open, en keek verliefd naar haar spiegelbeeld toen ze besefte dat grote oren wijsheid in pacht hebben. Wijsheid omdat ze goed kunnen luisteren en luisteren is altijd wijzer dan spreken. Vrije interpretatie van mij, maar kom.

Haar kapper denkt daar anders over. Toen we haar haar kort lieten knippen (omdat ze dat zelf wou), verborg hij stilzwijgend haar oortjes, zodat het niet te ‘kort’ zou zijn. Toen we het lieten bijknippen, werd er vooral aan haar froufrou geknipt, maar haar oren bleven gevoelig verborgen. Een uiterst goede, attente kapper, trouwens, die waarschijnlijk ongelooflijk scoort bij moeders die minder van uitgesproken oren houden.

Mijn grootste dochter is een knapperd van jewelste. Ik kan zwijmelen als ik zie hoe ze haar geweldig haar kamt en dat zo nonchalant over haar schouders zwiert. Ik kir vanbinnen een beetje, om de manier waarop zij in haar hoofd tegengas geeft aan de perfectie waar ze als tiener mee wordt geconfronteerd. Als ik naar haar handen kijk, die sterk en zeker zijn, en die pijnlijk hard lijken op de handen van haar vader, dan zwijmel ik nog een beetje voort. Ze bieden me troost in koude dagen, haar werkershanden, die soms vanop een ander komen.

Volgende keer knippen we het haar van de middelste kort, ook aan haar oren. Omdat zij dat mooier vind, en ik trots ben op haar oren.
Omdat het leven gemakkelijker zou zijn voor veel mensen, als mankementjes wat meer een plaats konden krijgen in die harde wereld van ons.

The Glücks en de Ladies

January 28th, 2015

We stonden in een klein zaaltje op Meulestee, zaterdagavond.

We babbelden en dronken pintjes en wachtten tot het optreden begon. Ik kreeg oordoppen van de vriend die net als mij niet tegen hels lawaai kan. Lang leve oordoppen in combinatie met hevige muziek. Lang leve zulke maten ook.

The Glücks.

‘Het is machtig, je zult het wel horen’, zei onze andere vriend – die zoveel concerten doet dat je er duizelig van zou worden.

Twee jonge mensen met passie in hun lijf. Heftig en stevig en ik moest een beetje wennen aan hoe ze mijn hart inpakten en mijn lichaam vrolijk maakten.

Kracht straalden ze uit. Kracht en passie en goesting in wat ze deden.

Ik speurde in het kleine zaaltje, op zoek naar een ouder koppel, zij misschien met een handtas, hij met een beleefd pintje in zijn hand. Trots rondkijkend en denkend: ‘Amai, ons kind, ja, dat is ons kind.’ Wat onwennig tussen al het volk, op zoek naar een stoel die niet te vinden was. Ondertussen hun dochter freakend op haar drumstel, of hun zoon aan de microfoon.

Er is niks in de wereld dat zegt dat de ouders zijn zoals ze in mijn verbeelding ontstonden, en het doet er zelfs niet eens toe.

Ik zou ontploffen van trots, peis ik, als mijn kind daar in een klein zaaltje het beste van zichzelf zou geven, wat dat beste dan ook mag zijn. Mensen die zich smijten in wat ze doen, of in hoe ze zijn, aaaahhhh.

‘s Morgens werden we wakker gemaakt door de jongste die fluisterend zei dat we met onze ogen dicht naar beneden moesten komen, gevolgd door gegiechel en gegibber en stil gecommandeer naar haar zussen. Ik keek naar haar billen en ik zag dat ze haar sneeuwlaarzen aan had, met daaronder de nieuwe kniekousen die ze net kreeg van mijn vriendin. Daarop droeg ze een kleedje en ik vermoedde dat ze al buiten naar de bakker was geweest.

Ze hadden met hun drie de tafel voor ons gedekt.

Met servietten, kaarsen, yoghurt, chocoladekoeken, pistolets, fruit, koffie, melk en nog wel honderd dingen waarmee ze de tafel hadden versierd. Ze keken afwachtend naar onze reacties en glunderden werkelijk een kwartier om zichzelf. Ze keken aandachtig toen ik koffie schonk en onze oudste zei dat ze hem wel héél straf had gemaakt.

Het was in een heel andere categorie, dat wel, maar ik ontplofte ook wel een beetje van trots toen.

Gelijk alsof het zomer is

January 14th, 2015

We dretsten door de regen deze ochtend.

Het kleintje op de fiets aan mijn hand, Clarisse ernaast te voet. Om ter natst.

‘Ik vind stappen leuker dan fietsen, mama,’ zei ze vorige week,’ want dan hebben we een beetje tijd om te praten voor en na school.’
‘Kindje,’ wou ik opperen, ‘fietsen gaat sneller, en als het sneller gaat dan ben ik vroeger op mijn werk en als ik vroeger op mijn werk ben dan kom ik jullie wat vroeger halen en als ik jullie wat vroeger kan komen halen dan kunnen we vroeger eten en als we vroeger aan tafel zitten hebben jullie wat meer tijd om iets leuks te doen voor het bedtijd is.’

In mijn hoofd antwoordde ze: ‘Maar dat is net wat ik wou zeggen, mama, dat ik stappen naar en van school iets leuk vind.’

Dus zei ik niet wat ik dacht, maar: ‘Ok. Af en toe stappen we opnieuw naar school.’

Dus stappen we weer nu en dan naar school. Compromissen.

Ze glundert tijdens het stappen, mijn bijzonder middelste kind. Ze krijgt tijd om vragen te stellen, en ik heb tijd om ze te beantwoorden. Ze kan de muizenissen uit haar hoofd (en soms zijn dat er heel wat) kwijt en ik krijg kansen om haar te sussen. Ze kan haar kwaadheid kwijt, omwille van de eisen die anderen haar stellen omdat ze mee zou mogen spelen. Ze kan rijmen als geen een, en we gieren bij de grappen die ze ter plekke verzint. Elke uitspraak van mijnentwege wordt grondig geïnspecteerd: als ik ‘altijd’ zeg, corrigeert ze mij, als ik ‘nooit’ zeg, ook. Als ik op twintig stappen van thuis blij zucht dat we eindelijk thuis zijn, vult ze aan: ‘je bedoelt bijna thuis, want we staan nog op straat’. We praten over wilsbeschikking, de baas over jezelf zijn, en over zelfmoord. Over ontroering, ook, er is geen nuchterder mens op de wereld dan zij, maar ze kan zo ontzettend waar uitleggen wat ontroering is. Over toegeven ook, en delen, zaken die haar moeilijk liggen, dat weet ze.

Nu we weer wat vaker stappen valt me op dat ze weer rustiger wordt. Minder kwaad, minder frustraties en meer vrolijkheid. Meer rust in haar hoofdje, dat aan duizend per uur draait en al die indrukken die ze trager dan ons verteert. Ze knijpt wat vaker in mijn hand, weer, en die wandelingetjes in de storm en de regen zijn precies eilanden van duiding, rust en contentement voor haar.

De regen kom me dan ook niks schelen deze ochtend, ik werd opgewarmd door haar gelukkig gezichtje, dat straalde en giechelde toen we deden alsof het zomer was. We zuchtten hoe warm het wel was, en dat we hoopten dat we genoeg zonnecrème bij hadden om niet te verbranden. Ze bescheurde het, terwijl ze doorzopen door plassen stapte en de regen langs haar wang in haar nekje liep.

‘Ik vind dat leuk, mama, lijk alsof het zomer spelen in de regen’, fluisterde ze aan de schoolpoort,’want ik vind regen dan bijna gezellig.’

Je kon me uitwringen toen ik thuiskwam een half uur later, en toch voelde dit als een van de geweldigste ochtenden uit mijn leven. Met regen, smeltende sneeuw en ijskoude handen.

Wensen

December 21st, 2014

Mijn wijze vriend zei het vrijdagavond nog eens. ‘Marietje, ‘t is waar hé, op een bepaald moment heb je geen nood meer aan bullshit in je leven.’

Zoals steeds als hij zulke wijze dingen zegt, plak ik ze vast in mijn hoofd, kader ik ze later in en denk er nog veel aan, aan die grote waarheden. Ze lijken misschien klein, en een ander kan ze in één twee drie van tafel vegen, maar voor mij zijn ze van levensbelang. Kleine warme waarheden, die soms eens op gefrons of ooggedraai worden onthaald: bij mij komen ze thuis. Net als die keer dat we het allerbeste Orloffgebraad ooit aten, samen met onze vrienden, en we tot de conclusie kwamen dat het leven vooral om voldoende eten, warmte en een goede gezondheid draait. Er werd toen ook een beetje gelachen, ik weet dat nog, maar ik lachte niet. Ik zette de deur naar die plakkamer in mijn kop open, en was alweer bezig met het vasttimmeren van een nieuw kadertje.

Mijn lief zegt vaak niet veel, maar als hij iets zegt, dan luister ik meestal goed. Het duurt soms een beetje langer dan bij andere mensen, maar het is zo vaak echt de moeite om geduldig te zijn. Zoals toen we samen van Ieper kwamen, met de auto, en wij twee na het parkeren nog even bleven zitten. Gewoon om nog een beetje te babbelen. Over de firewall die mensen moeten passeren als het over zijn drie dochters gaat, en over hoe goed wij overeen komen met elkaar. Over echt belangrijke dingen in het leven, en alle ballast die het lastig maakt. Over nadenken, je hoofd laten werken en over hoe trots we zijn dat onze oudste dochter zo sterk in haar leven staat, en hoe goed ze het allemaal wel niet doet.

Ik wens jullie zulke waarheden.
Ik wens jullie zulke mensen.
Mensen rondom je die slimme dingen zeggen en weten waar het leven echt om gaat. Weinig complexen, geen tralala maar gewoon een beetje proberen om er het beste van te maken. Geen torenhoge verwachtingen en zware principes (die je later toch maar overboord kiepert) maar blij zijn dat je gezondheid het niet af laat weten.

Het is als het leven op zijn simpelst is, dat het het schoonst kan zijn.
Dat je dat nooit mag vergeten.

Dieptes en hoogtes

December 7th, 2014

We hebben een zeer bijzondere, heel erg dichte vriend verloren woensdag. We hebben dinsdag een bloemetje van een kindje verwelkomd, van heel erg dichte vrienden.

We hebben gedanst dit weekend. Gebleit, gejankt, gevloekt, gelachen, gevrijd, gedronken en samen met onze kinderen op de grond in de living gegeten. We hebben foto’s gekeken, mails gelezen, teksten geschreven en af en toe eens gepiept naar de foto van het kleine meisje naar wie we zo uitkeken allemaal. We hebben geklonken, te weinig geslapen en teveel in elkaars armen gezegd dat het leven suckt. Ook dat het mooi is, het leven, zelfs als je verdrietig bent. We hebben getjoold, tranen gedroogd, mooie liedjes geluisterd, oh ja, veel mooie liedjes geluisterd. Ook naar het Zesde Metaal, omdat Wannes in onze taal zo schoon kan verwoorden waar het leven over gaat. We hebben samen, mijn lief en ik (en mijn fantastische buurvrouw) een tipi gemaakt voor de Sint, en de dames waren euforisch. We hebben onze dappere zwemmer gefilmd toen ze van de hoge glijbaan in de Rooigem durfde, en we hebben in ons klein keukentje, dicht bij de mensen die we graag zien, gezegd dat het goed was om bij elkaar te zijn. Mijn lief heeft gedanst op het verlies van zijn maat, en (veel en lang) geklonken op de geboorte van de dochter van zijn andere maat. Allemaal mensen die dicht bij hem kunnen zijn als hij door de hel van verdriet en gemis moet. We hebben naar Gorki geluisterd en aan de oudste dochter uitgelegd dat ook collectief verdriet bestaat, en dat dat goed is, ook als ze dat zelf niet voelt. Dat dat troostend kan werken, en dat het goed is als mensen gelijke gevoelens hebben, omdat dat verbindt.

Samen verdrieten is bijzonder. Janken als een klein kind, samen met je dochter van zeven, en daarna beginnen lachen omdat wij twee de bleitkousen van ons huis zijn. ‘Ik zal hem zo missen, mama’, prevelde ze, en ik heb verteld over verdriet, en vreugde en gemis en kwaadheid en angst en hulpeloosheid, allemaal gevoelens die door je lijf razen als je afscheid neemt. Een minuut later zat ze tekeningen te maken voor het nieuwe babytje, en kon ze niet meer wachten om haar in het echt te gaan bewonderen.

Dat is louterend, zo samen rouwen, vind ik.

Ik wou dat ik, als ik mijn zoon verloor, ook een omgeving had waar ik dat kon: zo diep gaan en rechtklauteren als ik uitgeraasd was.
Want meer dan iemand missen is afscheid nemen soms een strijd leveren met jezelf om opnieuw rechter te leren leven, met een gat in je hart en een zeurende toon in je hoofd.