tùskom

November 26th, 2016

Naar het schijnt zijn de Denen zeer gelukkig.
Ik heb geen idee hoe ze dat hebben gemeten, en ook niet hoe serieus dat onderzoek was, maar bon: ze zijn dus het gelukkigst.
En bij fenomenen van geluk wordt er daarna altijd met een vergrootglas gekeken, want iedereen wil gelukkig zijn. Dan ontstaat er een theorie, of er komt een goeroe op het toneel, en binnen de kortste keren verschijnen er boeken.

Hygge. Pronounced hoo-ga.

Wij kennen dat in ons gezin.
Het heeft geen naam, en toen ik er gisteren over aan het nadenken was, dan dacht ik dat het het meest aanleunt bij wat mijn lief noemt ‘tùskom’. Hij zegt ook soms ‘kunnen landen’. Thuiskomen dus. Het omhelst veel meer, maar tùskom is het begin.

Het verliest een stuk magie als ik het neerschrijf, maar het is – eerder onbewust – de reden waarom het hier goed gaat, bij ons, denk ik. En misschien, heel misschien, is het wel waardevoller dan ik dacht (niet dat ik het ooit onderschatte, ik stond er meer dan duizenden dagen gewoon niet vaak bij stil).

Het zijn de kaarsen die vanaf de herfst aan tafel altijd branden, de kindjes die ‘s morgens in hun pyama in de zetel boterhammen mogen eten, de Verbinding die we af en toe eens doen (zelden buiten ons gezin, zelden), de altaartjes in ons huis, die herinneringen dragen, de tafel waaraan we heel vaak samen zitten om te eten, en de blijdschap van Anouk als ze ziet dat we er allemaal zijn, en samen eten, de tjoolkleren die ik in het weekend draag, de dumplings die we samen maken op woensdag, als het eigenlijk al bedtijd is, crumble uit de oven, ik die de koffietas voor mijn lief soms klaarzet ‘s avonds, en hij die ‘s morgens altijd koffie voor me maakt, Sigur Ros en geen ander geluid terwijl ik in de zetel zit, lezen en een beetje lachen tussendoor, ons klein oud plekje waar iedereen zo graag is en mijn lief en ik nog het liefst. Frans boek lezen met onze tiener en ons ander dochtertje dat weent en vijf minuten kan bekomen op mijn schoot, de bloemen die op tafel staan. Het zou nog wel duizend dingen kunnen zijn, het ene na het andere schieten mij te binnen.

Het gaat heel heel vaak niet over design en mooie kleren en geld (al weet ik dat wij niks te kort hebben hoor, ik bedoel, het gaat niet over rijk zijn denk ik, of over meer geld willen), werk (ook al werk ik ontzettend graag en heb ik de beste collega’s van de ganse wereld): het gaat nog vaker gewoon over hier, over ons vijf.
Dus als ik alle rest uit mijn leven zou weggommen, dan zou ik nog steeds op deze essentie komen, die van het tùskom.

Ik denk dat mijn lief en ik dat geërfd hebben, door de genen van de mensen van wie wij voortkomen, ik in het bijzonder van mijn grootvader langs mijn mama’s kant en van mijn beide grootmoeders. Genetische manipulatie in tijden dat schaarste evident was, en overvloed ongezien.

Onze kinderen verschillen, maar ze hebben het alledrie op een andere manier in zich. Ik zie het bij momenten vaker en anders bij de ene dan bij de andere, maar ik zie het altijd weer een beetje en het maakt me rustig en blij dat ze het in zich hebben.

Ik geloof niet dat je er boeken over hoeft te schrijven, als het ware handleidingen van hoe het moet. Want dan zit je daar plots, in je perfect verlichte huis, te wachten op iets dat niet komt. Met een stuk warme cake in je handen.

Heel voorzichtig denk ik soms dat er een grotere plek zou moeten zijn in het leven en in het onderwijs voor de waarde van het tùskom. Gewoon een beetje de essentie beleven. Steiner en Montessori zullen er het best bij aanleunen, vermoed ik, maar het is echt zo zo zo belangrijk dat het doorgegeven wordt. Het zou de kring kunnen zijn, in de klas, maar dan een kring waarin iedereen zijn veilig plekje kan hebben (niet een kring die in de leerplandoelstellingen staat), de klaspantoffels die klaar staan als het winter is. Het fruit dat samen wordt gesneden en dan ook samen wordt opgegeten: dat zou pas tùskom zijn.

Het is een moeilijke tijd: we hebben alles wat we willen, minstens elk twee schermen per dag en een hoop tv er bovenop, we hebben onlineshopping als constante bevrediger, we kunnen overal naartoe en er is altijd wel iets belangrijker en fijner en spannender dan tùskom. Allemaal zeurende stoorzenders, voor je het weet ben je het verleerd

Maar er is nog veel tùskom rond mij.
Ik hoor het op de koer, als mijn buurvrouw tegen haar zoontje zegt: ‘kom, we gaan gezellig samen boekjes lezen straks’, terwijl zij en ik beiden de was ophangen op onze eigen koer. Ik zie het als het kleine moksje van mijn vrienden met haar handje op de zetel slaat, waarmee ze teken geeft dat ik naast haar moet zitten en niet snelsnel moet beginnen opruimen. Ik zie het bij mijn schoonmoeder, die van tùskom tùsbluvn heeft gemaakt (ze is 80, en ze is het allerliefst in haar eigen huis), bij mijn collega, die op vrijdagavond altijd frietjes eet samen met zijn vrouw en dochters. Oh ik zie het echt zo veel.

Het is de grootvader van mijn lief, die al jaren gestorven is, maar die ‘s avonds aan de stoof Franse boeken las, met een sigaret in zijn mond.

Het was als gisteren, toen mijn lief rare muziek oplegde, en ik vroeg of het iets anders kon zijn. Hij zette de plaat af, en ik zei: anders moet jij boven (in onze nieuwe living) wat muziek gaan luisteren, en hij schudde zijn hoofd en zei: ‘Ik wil bij jullie zijn.’

Tùskom. Ik zei het al.

denken

November 9th, 2016

mijn middelste dochter en ik gingen een nachtje naar Brussel, enkele weken geleden.

zij mocht kiezen wat ze wou eten, en ook wat ze wou doen.

ze koos het stripmuseum. we namen en passant het MarcSleenmuseum mee, en genoten om ter hardst. Zij kreeg carte blanche om élke letter die ze tegenkwam te lezen, en ik tjoolde mee met haar, verwonderd over haar immense geletterdheid en haar serieuze gedachten.

We aten op restaurant en toen we ‘s avonds te voet naar ons hotel wandelden, in de Koningsstraat, verdwaalden we een beetje. We passeerden de Finance Tower, ze was onder de indruk, en ik weet niet of het komt door de verlaten duisternis of door het feit dat zij Brussel associeert met aanslagen, maar ze begon plots over oorlog.

Het leek alsof ze al haar gedachten had opgespaard, in een doosje in haar hoofd, en nu, na lange tijd, dat doosje eindelijk eens open kon maken. Niet dat ze niet babbelt hoor, en ook niet dat ze niet denkt, maar haar redeneringen gaan soms verloren in de drukte van een gezin, het gedoe als je van hier naar daar vliegt en er altijd wel iets belangrijker is, of luider of drukker.

Ze begon een ganse monoloog, die zo belangrijk was voor haar, dat we ons hotel passeerden en nog wat verder wandelden, want ik had het gevoel dat dat moment voor haar zo belangrijk was, dat het niet mocht worden verstoord, al zeker niet door een lift, een bed of een donsdeken.

Ze vertelde over hoe hard ze had nagedacht, toen ze voor het eerst over de aanslagen hoorde, en hoe ze alle verdriet van iedereen had vergeleken met elkaar (‘ook al weet ik dat je verdriet onmogelijk kunt vergelijken, mama’). Over de rol van het Westen, de toevoer van wapens, het feit dat ISstrijders ooit mensen waren die boterhammen aten en weenden als ze pijn hadden. Ze snapte de kwetsbaarheid van mensen, en de gretigheid van écht kwaad, om in te spelen op wie zwak is. Ze praatte maar, en ze praatte maar, en ze legde me wereldpolitiek uit, genuanceerd, met voorbeelden, linken en een gigantische portie relativiteit. Ze had het over Trump, die muren wilde bouwen, en hoe hard zij kwaad was geweest met mensen die muren willen bouwen tussen landen. Ze vermeldde dat iederéén die sterft in oorlog slachtoffer is, en dat ze één keer in haar leven graag zou willen praten met iemand die eerst denkt dat hij bommen moet maken en doen ontploffen, om dan later iets anders te denken. Ze gelooft dat mensen echt kunnen veranderen, ‘van in hun binnenste’, noemt zij het, als je voldoende met elkaar praat en ook een beetje luistert naar iemand anders. Ze had het over de luxe die wij hebben, om geen honger te hebben, geen bangheid voor de volgende dag, geen pijn zonder naar de dokter te gaan. Ze denkt dat hersenen van mensen écht kunnen veranderen als ze honger hebben of boos zijn, en ze gaat ervan uit dat, als je die boosheid kunt wegnemen, dat je dan ook hersenen weer beter kunt maken. ‘Ik ga nooit blij zijn met gevechten, mama, want we kunnen zo blijven de schuld op iemand anders steken, zonder ook naar onszelf te kijken. Ik noem dat geen overwinning hoor, zoiets, maar oververlies.’

Ze bleef maar redeneren, en ik sprong hier en daar bij, want een hoofdje van 9 kan soms wat ondersteuning gebruiken, maar meestal was ik stil. Ik werd pas écht stil toen ze zei dat ze had geteld hoeveel Moslims er in haar klas zitten, want bleek dat de helft van haar vrienden Moslim is. ‘Dat zijn mijn vrienden, mama, echt, denk je dat mijn vrienden zulke dingen goedkeuren, en mama, denk je dat ik mijn vrienden niet graag zie en het leuk vind als mensen zeggen dat Moslims stom zijn?’ Ik ga nooit van iemand zeggen dat hij stom is omdat hij gelooft, ook al geloof ik zelf niet echt in een God.

‘Ben je bang voor aanslagen?’, vroeg ik. ‘Neen,’ antwoordde ze onmiddellijk,’ ik ben niet bang voor zoiets. Ik hoop dat het niet meer gebeurt, maar ik ben niet bang. Ik ben niet zo snel bang voor mensen, zelfs als ze slechte gedachten hebben, want dan kun je altijd bang zijn en dan vergeet je dat het ook veel keer niet nodig is en dat het mooi is op de wereld.’

Er flitste vanalles door mijn hoofd, en ik kwam bij mijn grootmoeder terecht, die zes dochters had, en drie zonen, en die nooit de kans heeft gekregen om met één van haar kinderen alleen op stap te gaan, op hotel te slapen en twee keer op restaurant te gaan, allemaal in één weekend, terwijl de rest thuisbleef (nuance: de rest was ofwel op scoutsweekend ofwel gaan vissen in het noorden van Frankrijk). Nooit eens tijd om uren alleen met één van je kinderen te zijn, te horen hoe ze denken, doen en wat hun wensen en dromen zijn. Zou je je kinderen dan kennen, vroeg ik mij af, zou je dat niet missen, die unieke momenten? Ik dacht aan alle ouders op de wereld bij wie deze luxe geen mogelijkheid is, wegens geen geld, oorlog, spanningen, ziekte en ik dacht dat ik geluk had, met mijn dochter met haar immer humane blik op de wereld, die ze steeds verder ontwikkelt, daar in dat kopje van haar.

Ze was toch een beetje bang zei ze onderweg naar school, voor de muren van Trump, deze ochtend, en ik met haar.

1 november

November 3rd, 2016

Er staan wel honderd stukjes klaar, in mijn drafts en in mijn hoofd.
Ik denk minstens één keer per dag: oh ja, daar schrijf ik over!, en dan belanden de gedachten ergens in een gezellige living in mijn hoofd, en besluiten ze daar te blijven zitten.

Net als dinsdag.

De kindertjes waren bij mijn mama en mijn tante, en wij waren he.le.maal. alleen thuis.
Tegen ten drieën belandden we beiden in de zetel, hij voor de koers en ik met een boek en een sarzetje. Hij viel in slaap en ik kon ongegeneerd melige series kijken. We dronken koffie samen (de bakker was gesloten, we hadden beiden zin in taart), ik keek eindelijk nog wat verder Wanderlust. We luisterden muziek, hij keek ook wat mee, we lieten decadent eten leveren aan huis en aten – tegen onze eigen regels in – in onze nieuwe zetel. We soezelden, ik las nog wat en Jan viel in slaap dicht bij mij. Ik lees het liefst in de zetel, in stilte en met het lijf van mijn lief erbij. Ik ging naar beneden om wijn en water en begod, het was nog altijd even netjes als we het hadden achtergelaten enkele uren ervoor.

We zuchtten een beetje: zo kan het leven er ook uitzien, dus.

Dinsdag was zo’n dag dat het leven anders is, uitgestrekt, met stilte, met mijn lief die zegt mokketje en vraagt of hij naast me mag kruipen, en ik die kan lezen en tv kijken zonder ook maar één keer echt recht te moeten staan.

Stel je voor, droomden we, dat het leven zo zou zijn, dat onze weekends vol zulke dagen zouden zijn. Met gigantisch veel niks en ontzettend veel tijd.

Ojoo. Ik ben er nog van aan het bekomen.

De ladies zijn ondertussen al in volle glorie gearriveerd, en de decibels en de rommel zijn toegenomen. Ik kreeg daarnet telefoon van 2 van hen, ze zijn boven aan het spelen, om een bestelling te plaatsen voor een nieuwe armband, uit hun zaak De Vliegende Schaar. De derde dochter is het huis ontglipt, en speelt bij de buren en ik denk:

deze week is het beste van alle werelden.
ik zou het een niet tegen het ander kunnen en willen ruilen: dit is werkelijk hoe het het best kan is.

TIPS
* Wanderlust – Canvas – reeks nog te bekijken op hun site
* Mohamed Choukri – Gezichten – ISBN 9789491921155
* niet rechtstreeks te linken aan wat ik hier schreef, maar wel waar ik zin in had toen ik dinsdag in de zetel doolde:
Frambozenmeringue van Arcadi uit Brussel (dé allerbeste taart die ik ooit at)

meer en minder

October 7th, 2016

Hoe meer de wereld in vuur staat, hoe dichter ik bij de échte wereld sta.
Hoe feller de stemmen van alle mensen zijn, hoe ontroerder ik word van de dingen heel dicht bij me.

Ik zie een oud koppel aperitieven, en ze lachen zo schoon naar elkaar dat ik, als ik mijn regels zou moeten krijgen, zou bleiten.
Ik zie een zware man zwoegend joggen, helegans in zweet en ik denk waw wat moedig. Mijn collega Philippe treedt op in de Kinky Star en ik ben plaatsvervangend trots omdat hij zo’n fijne mens is en daar nu staat te brullen in een micro.

Ik fiets naar onze vriend Matton, die in een kraakpand woont. Een dierbare vriend van mij, die mens, ik draag hem dieper in mijn hart dan hij kan denken. Mijn dochtertje van 9, dat mee fietste, keek vertederd naar Noentje, zijn hond, die net moeder was geworden.
‘Ik vind hen leuk, die mensen, mama’, besloot ze toen we op de fiets naar huis zaten, ‘ik hou van mensen die dingen een beetje anders doen dan iedereen. Zij wonen samen met honden zoals ik samen met een hond wil wonen en ik hou van hun kleren.’
Och kind toch, denk ik ontzettend blij, de wereld zit in je hart en je zal altijd een plekje vinden, wat een luxe heb je toch.

ik denk aan i., mijn lunchvriendin, met wie ik de diepste grieven deel, en doordat we elkaar niet wekelijks zien, vind ik het bevrijdend dat ik met haar kan gaan eten. zij is mijn vriendin die snapt waarom vrouwen hun regels moeten krijgen, en als ik weer helemaal ondersteboven van de emoties ben, dan denk ik aan haar, en haar agenda. Ik duim aan de zijlijn mee voor haar Henk, die met iets nieuws is begonnen en ik denk wel minstens een keer per week: hoe zou het met Ilse zijn, en met Henk? Ik gniffel als ik via via hoor dat Henk en ik in de zwemles samen worden opgemerkt en ik denk: ojoo, Ilse, jouw vent is een bv. Zij smst mij ontzettend uitgebreid als er hier ten huize dingen voorvallen die ons droevig maken, en mij wanhopig, maar dan is zij daar, rustig en bedaard en troostend. Oh de vriendschap toch.

Ik moet bijna janken als ik mijn collega’s zie, dicht bij elkaar, in Zeeland, omdat mijn baas ons trakteerde en dat zo belangrijk en fijn is, al die mensen dicht bij elkaar. Ik heb zoveel fijne mensen rondom mij, echt waar, je zou jaloers zijn.

Ik kijk naar de blinkers in de ogen van mijn lief, want op woensdag gaat hij workshoppen en zijn ogen blinken als hij erover vertelt. Ik besef weer dat dingen graag doen zo belangrijk is dat een mens dat meer moet doen.

ik krijg een bericht van mijn lieve vriend Vic, die ook diep in mijn hart zit, en die mij altijd weer warm maakt met al zijn liefde.

mijn vriendin Eva broedt op een plan en ik ben zo dankbaar dat ik er deel van mag uitmaken, ik popel om in Dranouter te zijn, bijna bijna bijna.

ik ben plaatsvervangend babysit op de plek waar mijn dochter dat doet, en toen ik in de rust nog wat kon werken dacht ik: oh zo stil.

we verwelkomen robbetje, het kleintje in onze familie, en hij is zo mooi en schoon en fijn dat ik een beetje verliefd op hem ben.

Ik zie mensen fietsen, wandelen, lezen, wenen en dansen en ik denk:
het is hier zo slecht nog niet.
het is hier helemaal niet slecht.

en het kan zijn dat de wereld naar de kloten is, en dat het allemaal onheilspellend dichtbij komt, maar
het is vooral, bovenal ontzettend goed hier.

moesten we mekaar nu allemaal een beetje liever zien, en goed kijken naar al de schone dingen en mensen en muziek en boeken in het leven,
zou het dan niet een beetje helpen?

een heel klein beetje wel, maar toch?

als we nu allemaal mekaar een beetje graag

de trein

September 28th, 2016

een tijdje geleden, toen het nog broeierig warm was in september, ging mijn lief wat gaan tjooln in het noorden van Frankrijk.
ik moet al weer werken, en de ladies moesten naar school, dus we gingen niet mee.
‘ladiesnight’, brulde Simonne, en ze stak haar vuist hoog in de lucht. Ze kriepte vervolgens wel meer dan een uur om haar vadertje, maar bon.

‘weet je,’ zei ik fluisterend, ‘wat als wij na school nu nog eens over en weer naar de zee gaan, wij drie?’
‘Ja,’ brulden ze samen en we spraken af dat we allemaal haast haast na werk en school zouden klaar staan om de trein te nemen naar Oostende.

Ze stonden om 15.40u te blinken aan de schoolpoort, alsof we een immens geheim pact hadden gesloten.
We haastten ons naar het station, deelden een megadikke chocoladewafel en sprongen op de trein.
Terwijl ik las maakten zij huiswerk en toen de trein binnenreed in het station waren wij helemaal klaar voor zand, garnalen en zoute zee.

We tjoolden naar het strand, namen garnalen mee, waaiden meeuwen weg en overtuigden Clarisse om met ons mee de nieuwe steiger af te wandelen. Ze zei ja en zo wandelden we bijna de zee in. De ladies kropen op blote voeten op de reusachtige rotsblokken die er liggen tot ik bijna naar adem moest happen en we waren zo ontroerd toen we de immense zee zagen dat ik bijna moest huilen. We maakten onze verbinding en beloofden elkaar dat we naar Engeland zouden gaan, met de boot, en dat we er niet meer lang mee zouden wachten.
We speelden nog een avontuurlijk spel op het strand nadien en misten daarna onze trein, waardoor we verplicht waren chips te eten op ons gat op het perron, wachtend op de volgende trein.
We hadden heerlijke reisgenoten, waaronder 2 stoere Pakistaanse gasten, die hun koeken deelden met de ladies en liedjes lieten horen via hun telefoon.
Clarisse had plek en tijd om te tekenen en Simonne kon zwieren tussen de zitjes door, terwijl ik alleen maar kon denken aan hoe fijn ik zulke uitstappen vind. Hoe dicht we bij elkaar zijn, hoeveel tijd ze krijgen om te praten en na te denken en te kijken naar de wereld.

Anouk had eten gemaakt toen we thuiskwamen en de tafel gedekt als in een echt restaurant, ook al was het al bijna 9 uur.
We lagen te laat in bed, hadden zandvoeten en vielen als een blok in slaap.

Mijn dochters droomden over treinreizen, met rugzakken en stations die we nog nooit eerder hadden gezien. We hadden vlinders in onze buik, want we zagen plots een nieuwe wereld opengaan, van reizen die ons niet snelsnelsnel naar paradijselijke oorden brengen, maar van reizen die échte eizen zijn. Met tjooldagen en zoektochten en gemiste treinaansluitingen. Van vreemde talen en nieuwe gerechten en bomen die anders zijn dan hier.

Wat ik zelf belangrijk vind, kan ik niet anders dan meegeven aan mijn achterban, en traagheid bij het reizen is één van de meest schone dingen die ik hen wil tonen.
Wat.ben.ik.blij.dat.zij.dat.snappen.
Wat.ben.ik.daar.zo.ontzettend.blij.om.

Next ones (zonder overnachting, omdat ik dat nog wat moet uitzoeken, maar het ziet er veelbelovend uit):
de Groene halte
en het Zwin

Nadien plannen we een échte treinreis. Met het lief erbij.
Als je tips hebt, of ervaringen: ze zijn bijzonder welkom.

parel

August 30th, 2016

we wilden watervallen kijken.
een wandeling van ongeveer 8 km, in de bossen in het Juragebergte.
vorig jaar hadden we niet allemaal wandelschoenen mee, maar deze keer wel.

op de weg naar daar passeerden we meren, ik wist het nog van eerder.
ik was er vorig jaar even van ondersteboven, van die aanblik op al dat water: er is weinig dat me zo naar de keel grijpt als eindeloos water. in de bergen nog het meest vanal.
we waren er niet gestopt, vorig jaar, het meer lag er gewoon, precies alsof er geen enkele mens mee gemoeid ging: geen strand, geen cafetaria, geen schreeuwlelijke reclame voor ijs en drank en eten. gewoon een meer en niks anders.

ik had mijn lief verteld over hoe aangrijpend ik dat vind, zomaar een meer. hij houdt heel veel van water, hij groeide op aan het water, maar dat ik dat zo aangrijpend vind is voor hem eerder logica. ‘zo zien meren er nu eenmaal uit’, zoiets. wat niet wil zeggen dat hij niet luistert en kijkt naar hoe ondersteboven ik ervan ben, ik zie dat als hij glimlachend een oog flikt en zegt: ‘moksje toch’. ik heb dat ook met bos: als we rijden en ik zie op Google Maps dat er oneindig veel bos is, dan kan ik daar precies niet bij.

hij stopte zomaar aan het meer. er was net plek om uit te stappen en te kijken.

ooooo. ooooo. ooooo.

mijn hele lijf reageert daar instinctief zo hard op, dat ik er even geen blijf mee weet. het is een beetje zoals kijken naar een werk van W. Turner, ik kan daar zo ondersteboven van zijn dat het zeer doet. ik bewaar al lang een werk van hem, in de gedachte dat ik dat ooit in onze nieuwe living zou hangen, wat ik deze week zal doen, wat een vreugde in mijn hart.

we stonden daar een beetje, ik moest slikken en bijna bleiten en nu ik typ heb ik weer hetzelfde gevoel.

later die dag zouden we watervallen zien, en klimmen en met onze voeten op de bergen staan en wandelen en kindertjes hebben die dapper 8 km stapten op een zeer warme dag in de bergen. ze zouden zeer fijne wandelstokken krijgen van ons, met dierenkoppen, als beloning, en we zouden in de broeierigheid samen iets drinken en lachen en samen zijn. jan zou op zijn rustigste zelf uitleggen hoe de aarde er vanbinnen uit moet zien en mijn dochters zouden knikken, luisteren, wijzen, lachen, zeuren en uitglijden op de gladde stenen.

het was een dag zoals geen ander, en ik denk nog veel aan het meer, aan hoe overweldigend ik het vind, en hoe graag ik daar ben geweest.

deze dag kwam vanzelf.
de mooiste dag uit mijn zomer, de meest intense ook.

IMG_20160825_114651

over wilde buurkinders

August 12th, 2016

we hebben nieuwe buren.
een maand geleden keken er plots twee paar donkere ogen door mijn brievenbus, en zag ik kleine vingertjes piepen.

‘mevrouw’, riepen ze, ‘is die van acht thuis?’
die van acht dat is clarisse maar haar naam vinden ze vreemd.

met het gezin kwamen er nieuwe geluiden: de twee stille mannen die er voorheen woonden in contrast met het kinderrijk verhuizend gezin.
‘Oh boy’ dacht ik toen ik op een avond laat in bed lag, en bij de buren zoveel lawaai hoorde dat ik dacht dat ze aan het verbouwen waren.

‘maar wij maken ook veel lawaai’, zei mijn lief, en ik dacht ogenblikkelijk: ‘ja, ‘t is waar, misschien moet ik wat stilstaan bij al het geluid dat wij maken met heel ons nest kinders en vrienden en kinderen van vrienden.’
maar het was echt veel lawaai, zoveel dat we bijna moesten roepen in onze living, om elkaar te kunnen verstaan.

de kinderen van de buren met hun wonderbaarlijk mooie namen, ze belden zoveel aan mijn deur dat ik er zot van werd. Ik ken mezelf, voor ik het weet leefden ze meer hier dan hiernaast en op een bepaald moment word ik dan horendol en wil ik alleen nog rust. ik moet ook elke dag tegen mezelf zeggen dat dat in het leven soms het beste is, gewoon tot aan de deur, even afwachten, niet altijd heel mijn hart openstellen, want ik heb dat al veel gedaan en het is me laatst toch maar serieus pijnlijk geworden dat de wereld niet altijd uit roze kauwgom bestaat, godverdorie.

op een ochtend (ik bespaar jullie de details) was er plots heel veel beweging aan de deur, maar echt heel veel, met politie en anonieme wagens en serieuze gezichten. het was dreigend en ik wou mijn kindjes afschermen van de angst die uniformen en geweren en auto’s op straat met zich meebrengen. ‘ga vlug binnen, schatjes’, en ik duwde ze veilig weg in onze cocon waar de wereld soms eens buiten moet worden geduwd.

ik vond het vreselijk, ik heb de ganse dag gedaverd op mijn lijf en me afgevraagd wat er nu werkelijk zo erg zou kunnen zijn dat er een gans bastion kinderen komt halen.
mijn vriendinnen, aan wie ik het vertelde, merkten op hoe traumatisch voor de kinderen en ik bleef maar piekeren over de oorzaak van dit alles.

het is stil, hiernaast.

ik weet dat het mij niet aangaat wat er is gebeurd. ik weet ook dat er niet zomaar dergelijke actie wordt ondernomen en dat het soms beter is dat kinderen worden afgeschermd. ik weet dat ze teveel lawaai maken en dat ik teveel vloek op hun geroep. ik weet dat ik al horror door mijn hoofd heb zien passeren over dit alles, en ik weet dat dat niet correct is omdat ik niet weet wat er is gebeurd.

wat ik wel weet, is dat ze terugkomen. begin september. als de sociale dienst is geweest.
ik weet dat van de vader van het gezin, die mij het net heeft verteld, toen hij een kringloopwinkelkastje aan het binnendragen was van € 12,00. ik kon dat zien aan de sticker die er nog op kleefde. ik moest bijna een beetje bleiten toen, want het was zo’n kastje waarvan wij content zouden zijn dat het weggekieperd wordt.

ik deed mijn deur open, en ik was een beetje blij. blij en ontroerd. blij dat ze terugkomen, want dat wil zeggen dat iemand ergens heeft beslist dat het de moeite is dat ze bij hun eigen ouders kunnen opgroeien, en dat ze een kans krijgen om te tonen dat het kan lukken. blij omdat ‘die van acht’ zo ontzettend opgelucht zal zijn, want ze heeft veel geweend om haar vriendin die ze nog maar net kent en die plots al weer was verdwenen.
blij om hun donkere ogen, die weer door mijn brievenbus zullen gluren en die kleine handjes die ik zal zien.
zuchtend omdat ze teveel zaken zullen vragen aan de deur en ik heel veel neen zal moeten zeggen.
ik pieker ook een beetje, over de trauma’s, over hoe een ouder hiermee omgaat, en over hoe de kleintjes zich nu zouden voelen.

oh ik zal nog vloeken maat, ik weet het nu al. ik zal nog rologen en zuchten dat ik stille buren wil.

maar ik ga ze wel graag zien, allemaal. en ik heb voor mezelf voorgenomen dat ik frietjes bak voor iedereen en dat zij ook allemaal welkom zijn, gelijk elk ieder ander kind dat hier welkom is.

want als deze situatie me iets heeft geleerd de voorbije week, dan is het dat ik niet degene ben die op Facebook zomaar linken deelt over verdraagzaamheid, en dat ik niet degene ben die in een mooi politiek, theoretisch kader kan uitleggen wat discriminatie betekent en hoe vreselijk dat is.

ik wil dat echt menen, over die verdraagzaamheid. ik wil dat mijn kind, dat verontwaardigd vraagt waarom iedereen hier altijd binnen mag en zij eerst niet, niet uitleggen dat dat zogezegd komt omdat we klein wonen. ik wil kinders kweken die openstaan voor iedereen, en geen kinders die vreemd opkijken als de badkamer bij vrienden er wat minder in orde uitziet. niet dat die hier in orde is, maar bon.
ik zie veel verdraagzamen rond mij, op papier, tot er een Slovaaks kind aan hun sleppen trekt.

ik weet dat dat mij kwetsbaar maakt, maar dan is het maar zo.
dan ga ik op mijn bek en mijn kinders op die van hen, samen met mij.

maar het zal met veel liefde voor mijn wilde buurkinders zijn.
met heel veel liefde.

(en ik hoop in het stilleweg dat ze hier heel lang gaan wonen, dat alles goed komt, en dat het gezellig wordt. een beetje stiller misschien, en hopelijk met warme vriendschappen voor mijn eigen koters)

ver

August 10th, 2016

‘waarom gaan wij eigenlijk nooit echt ver op reis?, vroeg Clarisse, toen we in het weekend over reizen aan het praten waren.
‘echt mama, mijn vrienden gaan veel keer per jaar op reis, en ver. naar Italië en Spanje en Kroatië en zelfs naar Duitsland, en wij, wij gaan alleen maar één keer, en altijd naar Frankrijk.’

Het leest misschien als een vervelende vraag, maar het was uit echte nieuwsgierigheid dat ze het vroeg.

‘Ik zou dat ook eens willen doen, mama,’, vroeg ze nadien.

Ik snap haar helemaal.

Maar ik wil niet.

Zolang zij bij mij zal wonen en we samen op reis zullen gaan, zullen we niet ver gaan.
We zullen geen verre reizen maken waar we jaren van zullen dromen.
We zullen niet vliegen als het aan mij ligt , en we zullen niet naar Azië, Amerika of Afrika reizen.
Ook al wil ik graag naar Ijsland (als ik ooit een verre reis zou maken), en ook al is Afrika mijn lievelingscontinent en zou ik mijn vriend Kurt in Kinshasa wel eens een bezoek willen brengen.

Het is zonder enig oordeel over andermans reizen, want oh, als ik de foto’s zie van de mensen die wel ver gaan, dan glimlach ik omdat ik blij ben dat ze het zo fijn vinden. Als ik van mijn tienerdochter foto’s krijg van haar reis in Montenegro met de scouts, geniet ik mee van de bergen die ze doorstuurt.

‘Ja maar het is daar echt altijd warm. Het is er goedkoper. De zee is er schoner. Het kost echt niks meer met het vliegtuig.’

Ik hoorde ze, ze dienden al vaak als argument om mij te overtuigen.
Maar hoe meer ik ze hoor, hoe minder ze mij overtuigen.

Ik kan bleiten van de schoonheid van de duinen aan de Noordzee. Ik kan op het strand aan de zee staan, en mijn ogen pieken van de immensiteit waarmee die grauwe zee mijn hart inpakt.
Wij twee zijn in juli enkele dagen gaan tjooln in de streek van de l’Oise (nog niet eens zo ver als Parijs) en al water en was zo overweldigend dat ik er bijna een verkrot huis wou kopen.
Mijn mama is op 10 km van haar huis gaan logeren met de kleintjes en ze hebben de tijd van hun leven gehad.

‘Of naar Nederland, daar zou ik ook wel eens willen gaan’, voegde ze toe aan haar vraag.
We glimlachten naar elkaar, en in mijn hoofd zat een reisje naar Nederland klaar.

Ik weet dat ik op een bepaald moment geen grip meer heb op de manier waarop mijn dochters reizen, en ik ben de laatste om voor hen, eens ze groot genoeg zijn, uit te maken naar waar en hoe ze moeten reizen.
Waar ik wel grip op heb, samen met mijn lief, is op het tonen van de overweldigende schoonheid niet zo ver van ons eigen huis.
In plaats van ver te reizen gaan we altijd op zoek gaan naar mooie plekjes waar je niet persé een vliegtuig voor nodig hebt.
Waarschijnlijk gaan ze zich op een bepaald moment laten vangen aan de schreeuwlelijke reclames van spotgoedkope vliegreizen naar waar ze maar willen, en waarschijnlijk zullen ze op een bepaald moment vinden dat ze de andere kant van de wereld moeten hebben gezien.

Maar ik hoop dat ze dan af en toe eens terugdenken aan de dichtbijreizen, aan de schoonheid pal onder hun voeten, en aan de zware druk op de aarde door al dat immens overweldigend vliegreizen.
Ik zal hen de boeken tonen, waardoor ik zomaar in Boston rondloop, de geuren in Zuid-Amerika kan rieken en het zout van de zee kan smaken. Ik zal met hen blijven tjooln, dicht bij ons huis, ook als ze ouder en zelfstandiger zijn.

(voor iemand -weer- anoniem in de commentaren dubbelzinnige boodschappen achterlaat: je mag gerust je naam vermelden, ik kan daar tegen)

mijn moat

July 30th, 2016

we waren vier dagen gewoon met ons twee.

we hadden er zo lang naar uitgekeken, een kleine rustige camping gezocht, viswater gezocht, tent en gerief geramasseerd, oh de voorpret was precies een beetje gelijk het voorspel.

het was de stilte, die me opviel.
de stilte omdat ik las en hij aan het vissen was en niemand anders in de buurt.
als ik opkeek van mijn boek kreeg ik een knipoog en als hij een vis gevangen had ging ik die fotograferen.

wat een onwennigheid, uren niets te doen hebben.
zomaar lezen en dan wat slapen en dan weer lezen en dan aperitieven en openluchtzwemmen en weer lezen.

het was daar, in het noorden van Frankrijk, waar ik weer een beetje tot rust kwam.
‘je bent mijn beste moat’, fluisterde ik toen we terug waren en hij nam me zo stevig vast dat het zeer deed.

het is het beste gevoel na het baren van een kind, vind ik soms, dat ik mijn beste moat naast me heb.

Gelezen
Een soort van liefde, Alicja Gescinska, ISBN 9789023496588
Een klein leven, Hanya Yanagihara, Josephine Ruitenberg, Kitty Pouwels, ISBN 9789046820315

verdragen

July 17th, 2016

er was een keer iemand die me zeer erg dierbaar is die zei, op een moment dat ik echt nodig had:
‘soms moet je gewoon verdragen’.

ik heb er al veel over nagedacht, en het is mijn mantra als ik het nodig heb.

ik heb hartenzeer. vriendschapshartenzeer.

alhoewel ik vannacht mijn lekker lief veel te lang kuste en hij in mijn billen kneep zoals ik dat graag heb, deed het zeer.

het is hier meestal gezellig, op vertellementen, maar in de grote wereld is het soms pijnlijker en verdrietiger en oneerlijker dan ik wil.

verdragen, zei ze, soms moet je gewoon verdragen.