Belofte

April 21st, 2014

Mijn schoonmama is als halfwees uit de oorlog gekomen.
Ze was vijf jaar.
Ze groeide verder op bij de broer van haar moeder, die later Peetje werd. Zijn vrouw, Metje, was haar nieuwe moeder.

‘Het is door haar dat ik nooit naar een gesticht ben gestuurd’, zei ze gisteren, toen we samen aan haar strijkplank stonden om strijkparels van de kinderen te strijken.

‘En toen zij oud werd, heb ik voor haar gezorgd. Ik zei tegen mezelf: ‘door haar ben ik nooit naar een gesticht gemoeten, ik zal er nu voor zorgen dat zij dat ook nooit zal moeten doen’.
Ze heeft voor haar gezorgd, tot Metje gestorven is thuis, met haar hand in de hand van mijn lief.

Ik nam haar woorden mee naar huis, kaderde ze in in goud en dacht: ‘hoe schoon kan het leven zijn, en hoe onvoorwaardelijk ook’.

Omgekeerd

April 3rd, 2014

Toen ik een kleuter was, rustte ik samen met mijn metje in de zetel.
Ze haalde elke keer hetzelfde deken uit de diepe ingemaakte kast in de gang, en zei: ‘Slaap maar’.

Ze lag naast me in de zetel, en ik voel de loomheid in mijn hele lichaam als ik eraan terugdenk.
Na een halfuur stond zij ontzettend stil op, ze rolde half uit de zetel, en ging koffie maken. En een cake bakken, of wachten op Dré de coiffeur die krulspelden in haar haar stak.

Ik sliep drie uur. Toen stond ik op, kreeg een stuk tulbandcake en mocht op haar schoot de gekleurde pinnen voor de coiffeur uit het potje halen.

Ze zei het altijd, aan iedereen die binnenkwam, dat ik wel drie uur had geslapen. Iedereen dronk koffie, een beetje flets, uit de thermos die al oud was, en waarvan het pompje stug werkte.

Toen ik deze week in de kliniek bij haar zat, was het omgekeerd.
Zij sliep, en ik deed mijn best om zo stil mogelijk te zitten en koffie te drinken. Ik keek naar haar en besefte dat er in mijn leven weinig mensen zoveel zorg gedragen hebben voor mij als zij dat heeft gedaan. En hoe ze meer dan tachtig jaar nederig heeft geleefd, heel veel in het teken van andere mensen, in tijden die ik nooit heb gekend, met weinig luxe en zonder evidenties. Hoe kunnen kiezen tussen patatten en puree weelderig klonk bij haar, en hoe dankbaar ze was voor de goede confituur, de vriendelijke verplegers en het goede bed.

Love

March 29th, 2014

Ik heb nooit zo’n overweldigend gevoel van verliefdheid gehad als bij mijn eigen lief.

Smachtend, verrukkelijk, zoet en zuur en zilt tegelijk.

Mijn knieën knikten, mijn handen trilden en mijn hele lijf schreeuwde om het zijne.

Het is jaren geleden, en in enkele momenten roep ik het gevoel zo weer op.

Zijn bordeaux broek, zijn schoenen, en de eerste keer dat onze handen elkaar half toevallig aanraakten. De tinteling die door mijn lijf raasde. De nachten in bed, tot ‘s morgens, toen we nog rookten op onze kamer, begod, en amper sliepen. De onrust van dat nieuwe lijf, al die ontdekking, dat nieuwe.

Zoveel jaren. Zoveel nachten bij elkaar, waarin zijn warme lijf nog steeds dat van mij zoekt en we met een enkele matras voldoende zouden hebben.

Ik zag hem zitten deze ochtend, met zijn onderlijf aan, nog moe van de te korte nacht, maar toch vol contentement voor het weekend, de zon en de familie.

Ik dacht: we hebben iets te vieren maat, volgende week, dat we zoveel jaren samen zijn. Dat ik de smaak van de eerste spaghetti die hij voor mij maakte op mijn verjaardag nog steeds proef.

En dat er op de ganse wereld geen vent is die ik liever naast me heb dan de vader van mijn kinders.

Dat ik het leven zoveel draaglijker vind als ik hem zie ‘s avonds, en dat zijn kussen in de ochtend de allerbeste van mijn leven zijn.

<3

Altaar I – one year ago

March 22nd, 2014

En toen hadden wij plots een altaar.

Al een jaar hing er een plank tegen de muur, boven onze tafel. Er stonden foto’s op, knutselwerkjes en prullen die we te mooi vonden voor de vuilnisbak, en wat uitstel kregen op onze plank.

Toen ging Joeri dood. Een jaar geleden ongeveer.

En na een overweldigende, droevige, intense week, keerden we na de begrafenis terug naar Gent.
Jan ging onmiddellijk terug aan het werk, en ik zat met de kindertjes in de Paasvakantie, mijn verlof was al lang gepland, en ik zat thuis.

Voor de kleintjes leek het bijna alsof er niets was gebeurd. Ze keken tv, speelden en tekenden zoals ze altijd al deden, en als ik weende zeiden ze: ‘mama toch, je moet niet wenen’. Kous af. We zetten zijn doodsprentje op ons altaar, staken een kaarsje aan en fluisterden dat we hem misten, dat we hem verdomd zouden missen voor de rest van het leven.

Het leek toen soms alsof hij er nog was. Het leek alsof hij elk moment kon bellen, ‘Marietje’ zeggen en vragen of het paste als hij eens binnensprong. Zijn laatste oproep zat nog bij mijn ontvangen oproepen en hij had de nacht van zijn dood nog iets gezegd op Facebook. Het leek zo, maar het was niet zo.

Ik wist dat. En ik stak ‘s avonds nog maar een keer het kaarsje aan.

Ik wist dat het erger ging worden, eerst een roes, dan een hel, ook nog een verscheurende massa verdriet, die mondjesmaat naar boven komt, een mens buiten proporties trekt om plots, zomaar uit het niets, naar boven te komen als een draak uit een kerker. Zachtjes ook, dat verdriet, met een krop in mijn keel, elke dag op dat plein waar we af en toe samen sigaretten hadden gerookt. Die ene keer dat ik nietsvermoedend langs zijn kot liep en mijn hand in de pas moest duwen om niet op de bel te drukken, in de hoop dat hij daar zou staan. Of die keer dat ik bij mijn ganse schoonfamilie zat, en we allemaal niks zeiden, maar allemaal hetzelfde dachten.

Het altaar is zijn plaats geworden. Even was het leeg, toen onze dochter met Allerzielen over sterven leerde, en het prentje meenam naar de klas. Het leek toen alsof hij nog verder was dan in mijn hoofd.

Het is een warme plek geworden, het altaar. Mijn overleden grootvaders staan er vaak met hun foto, net als de kleine vaasjes die ik op ons trouwfeest kreeg. Er zijn altijd bloemen, echt altijd, en nu staat er ook een kartonnen hyacinth, gemaakt door de jongste dochter, speciaal voor ‘Joetje’. Er staat een blinkerpoes, en ook een sneeuwbol uit Londen, van Simonne. Soms liggen er stenen, of een parel en er staat een geweldig sappige dikke houten Boeddha, die lacht voor zijn leven en alles relativeert.

‘Wat een wussie ben jij toch’, denk ik vaak over mezelf, maar fuck, het altaar doet zijn werk. Het heelt en het sust, het biedt comfort en een klein beetje zekerheid. En troost. Oh wat een troost.

Ik zie ze vaak opduiken, altaren allerhande. Niet altijd voor troost, wel vaak. Soms voor een hond, of een overleden opa. Voor een kind dat gemist moet worden of een lief dat er niet meer is. Soms uit adoratie, of omwille van geloof. Vaak ontstaat het toevallig, of voor wat geluk, en altijd denk ik:
‘Ah maar zeg, wat is dat toch schoon hé’. Dat een mens wat zaken bij elkaar zet, en dat fijn vindt.
Ik zou al de verhalen willen opschrijven, al die schoonheid die vervat zit in een kleine -of grote – plek in je huis, gewoon omdat jij dat goed vindt. Daarom ben ik dus op zoek naar mensen die dat willen vertellen. Dat is niet simpel, want dat is intiem en soms houden mensen dat liever voor zich. Maar misschien ook soms niet, en willen ze dat wel eens vertellen. Of ze willen geen foto, maar wel een verhaal. Of zoiets. Moest je zo iemand zijn/kennen, dan zou ik daar blij mee zijn. Aan de mensen die al mailden: merci zeg. U hoort van mij! (mailen mag nog steeds: marie.sohier@telenet.be)

De foto van mijn altaar is van de hand van mijn coole maat Michael (http://www.michaelblanckaert.be), die altijd mails krijgt van mij met een nieuw idee erin, en hup, dan springt hij binnen en hij maakt schone foto’s. Coole maten, ik.

Op zoek

March 8th, 2014

Lezers,
Ik heb jullie hulp nodig.

Ik ben op zoek naar mensen die thuis een altaar hebben. Geen altaar voor God, maar gewoon een plek waar dingen staan die bij elkaar horen, en die daar staan om een bepaalde reden. Het kan een plankje zijn met foto’s, een plek met kaarsen en doodsantjes, een speciaal plekje in je huis.

Moesten jullie ook maar iemand kennen die het zou zien zitten dat aan mij te tonen, zouden jullie dat willen vragen? Het hoeft helemaal niet stylish te zijn, zo lang het maar betekenis heeft voor de persoon bij wie het hoort.

Jullie kunnen me bereiken op marie.sohier@telenet.be.

Danku, dankuwel.

(Ik zal later uitleggen wat ik ermee zal doen)

Hoop

February 20th, 2014

Zondags of op maandag vraag ik aan mijn dochters wat ze het fijnste moment van de voorbije week vonden, of wat er net helemaal niet leuk was.
Ik houd dat niet bij, maar ben elke keer verwonderd over hun antwoorden.
Vaak zien zij de wereld compleet anders, evidenties voor mij zijn vaak wonderen voor hen, en wat ik als heel fijn heb ervaren, zijn zij soms alweer vergeten. Een enkele keer valt hun antwoord samen met wat ik in gedachten had, maar meestal is het erg verrassend.
Zo was er al eens ‘de smaak van avocado’, ‘mijn eigen bib-kaart’, ‘frietjes’, ‘dat jij mijn haar waste en dat er geen druppel water in mijn ogen kwam en dat jij zo zacht was met je handen in mijn haar’, ‘mijn knuffels in bed’, ‘bij jou kruipen ’s morgens en niet naar school moeten’, ‘kleien’, ‘mijn blauw blinkerkleed aandoen’, ‘met papa op boodschappen’, ‘gewoon bij jou zijn’, ‘mijn kleerkast die zo netjes is’ (dit komt weinig voor, jammergenoeg), ‘mooie kousen aandoen’, ‘de tulpen op tafel’, ’wandelen aan de zee met Seppe’, ‘papa die niet moet werken en mooie platen oplegt en wij die héél voorzichtig mogen helpen met die plaat’.

Dit weekend lagen onze gedachten dicht bij elkaar.
‘Dat onze goede vriend S. zijn haar terug heeft, en dat hij niet meer zo ziek is en dat hij eindelijk nog eens bij ons op bezoek kwam. En dat papa zo mooi lachte met blinkerogen naar hem, omdat hij ook zo blij is dat S. een beetje genezen is,’ zei Clarisse plechtig.
‘Ja, dat, echt, serieus.’, repliceerde Simonne.

En toen haastten ze zich naar de gang, op zoek naar hun jas en vol contentement om naar school te vertrekken.

Traagheid

February 15th, 2014

De traagheid waarmee mijn dochter leeft is fenomenaal.

In alles is ze traag.

Ze eet traag, ze denkt traag, ze kleedt zich traag aan (en uit) en zelfs stappen doet ze traag. Ze tekent traag, maakt haar huiswerk traag en oh wat eet ze toch zo traag. Ze doet er gemiddeld drie tot vier keer zo lang over als haar zussen en mij, en bij alles wat wij doen, moeten we op haar wachten.

Doe voort.

Het is zowat de zin die zij het vaakst te horen krijgt.

‘Maar ik doe voort’, zegt ze gemeend, ‘en ik ben bezig’.

Eigenlijk klopt dat. Eigenlijk doet zij altijd voort. Minder dan mij heeft zij momenten waarop ze niks hoeft te doen, omdat ze altijd bezig is. Terwijl ik een uur in de zetel kan zitten, is zij hier en daar nog iets aan het afwerken, of wurmt ze zich net in haar tweede schoen.

En toch. Doe voort.

Maar ik onderschat het niet (of weinig).

Ik heb namelijk een lief van wie ze dat mee heeft, en onze twee tragen in huis zijn pakken efficiënter dan wij drie, die altijd snel snel snel zijn.

Wat ben ik blij met haar juf, die traag en net in het vaandel draagt.
Wat was ik blij met dit artikel: http://www.klasse.be/leraren/43694/school-is-geen-race-tegen-de-tijd/ (ik kan nog altijd niet netjes linken).

Oh wat hoop ik dat ze dat mag blijven doen, die traagheid aanhouden. Dat ze in klassen komt waar ze tijd krijgt, studies die traagheid nodig hebben en werk dat haar traagzijn beschouwt als een meerwaarde.

Ze heeft een schoon voorbeeld aan haar vader, dat scheelt.

Rust

February 9th, 2014

Het was een grote toevalligheid en ook wat bewustzijn die ervoor zorgden dat de laatste weken de rust zelf waren.

Weekends met rode kruisen erdoor: we love it.

Maar het komt er niet altijd van.
2013 was zo een jaar, weekends vol met dingen en weinig tijd om thuis te zijn.

2014 is helemaal anders begonnen, en te zien aan de contente gezichten, de uitgeruste lijfjes en de lange uren lezen, breien, muziek en lekker eten ziet het ernaar uit dat niemand hier zin heeft in onmiddellijke verandering.

Ik krijg elke keer opnieuw een vreemde vorm van bewustwording als ik een hele tijd nergens naartoe ga.
Het lijkt alsof mijn hoofd andere focussen legt, handelingen trager maar doordachter uitvoert, alsof het af en toe eens zelf gaat zitten op een bankje. Zo met de benen over elkaar gekruist, de armen op de leuning en vooral af en toe ‘hèhè’.

Zo fijn dat dat is zeg. Het lijkt soms een beetje op saai, maar dan van die gezellige saaiheid, die mijn hoofd rustig maakt en mijn hart even laat winterslapen. Dat is broodnodig, met dat hart van mij, want als het teveel wordt getoucheerd, dan loopt het in mijn hoofd ook een beetje mis.

Rust, boeken, breiwerk, pyama’s en veel kussens in mijn bed als ik de krant lees.

Het lang leven, serieus, het lang leven.

Taalbeschouwing

January 29th, 2014

‘Wat is een klinker, mama?’

Ze is zes en zo erg geboeid door taal dat ik een verwant heb gevonden in mijn eigen huis. Eéntje die ‘s avonds te lang leest in bed en uitkijkt naar in de zetel zitten met haar boek.
Na een half jaar leesonderwijs leest ze bijna alles, een echte droom. Niks oefenen en niks saaie nietzeggende woorden lezen: gewoon lezen. Ze corrigeert zichzelf als ze open lettergrepen bespeurt en heeft met tweeklanken, Engelse woorden en woorden van zestien letters geen moeite. Hakken en plakken doet ze enkel nog in haar hoofd en moest er een model bestaan voor de manier waarop iemand zichzelf, met wat sturing van de juf, leert lezen, dan zou zij het model kunnen zijn.

Zo wonderbaarlijk, jong, ik gaf zelf ooit les in het eerste leerjaar en ik weet verdomd hoe moeilijk de automatisatie kan verlopen. Hoeveel hoop er rust op de schoudertjes van zesjarige kleutertjes, die in een paar maanden zoveel moeten kunnen, leren en doen dat het bijna onmogelijk is.
Ik kijk naar haar vriendin, die op woensdag soms eens bij ons komt, en een karakter heeft dat haaks staat op dat van onze middelste dochter: een vechterskind, zonder angst, dat graag dingen doet en huiswerk vreselijk vindt. Onze gereserveerde rustige plichtsbewuste dame en haar vriendin die alles is wat zij niet is. En hoe sterk ze elkaar aanvullen, en vol bewondering naar elkaar kijken.

‘Wat zou ik graag kunnen fietsen zoals haar’, zucht Clarisse als haar vriendin voor de vierde keer de stoep optjokt en een sliding van jewelste maakt.

‘Ik noem klinkers liever klankers, omdat ze een klank maken.’

Ik knik gewoon een beetje als ze zulke dingen besluit, want ik heb daar weinig aan toe te voegen.

Ze vraagt wat ‘m’ dan is, en ik zeg ‘een medeklinker’.

Dan begint ze.
‘Ik weet hoe het komt dat er een verschil is tussen klankers en medeklankers, ah ja. Ik heb daar al over nagedacht. Klankers maken klank en kunnen ook veranderen. Ze kunnen kort klinken, en ook lang, zoals a en aa en o en oo. Medeklankers niet, die blijven zoals ze zijn. Alleen spreek je ze soms anders uit, want c kan k zijn, zoals in mijn naam. Vreemd, dat boom hetzelfde klinkt als bomen en toch schrijf je dat anders. Kijk maar (en ze wijst naar een parkeerbord waar ZONE opstaat)dat is hetzelfde bij zon, simonne en zone. Allemaal o en toch spreek je dat anders uit. Het heeft met letterstukjes te maken, denk ik, ik hoor dat als ik klap.’

We waren gewoon te voet onderweg naar school, en Simonne fantaseerde over de macaroni met kaas die ze ‘s avonds zou eten.

Wat zit er toch allemaal in dat kleine hoofdje van haar, dacht ik vertederd en voor het eerst in lange tijd wist ik dat er iemand blij zou zijn met de kostbare boeken die ik door de jaren bijeen sprokkelde en die netjes in dozen staan te wachten op de zolder.

Op iemand die net zoveel van woorden houdt.

Stoner

January 26th, 2014

Ooit was ik een lezer.
Een lezer van de gemakkelijkste soort.
Gaf mij wat letters en ik was weg.

Toen we één kind hadden las ik nog steeds veel. Minder bezeten, maar toch. En toen las ik verhalen voor. Avonden na elkaar. Voor de peuter die ze was, toen voor de kleuter en toen ze acht werd zei ze ‘nu wil ik zelf lezen’ en mijn hart brak in twee. Er kwam een einde aan een tijdperk van gigantisch veel verhalen, fantasie en avonturen uit mijn hoofd. Er kwamen boeken voor haar in ons huis, en als ik wet centjes had ging ik naar de Slegte waar ik af en toe pareltjes vond. Ik las ontzettend veel over kinderliteratuur en leerde Bart Moeyaert als schrijver appreciëren. Ze kreeg een eigen bibliotheekje, dat dametje, en soms kon ze snuffelend zoeken naar het boek waar ze zin in had.

Maar toen studeerde ik ook nog, en mijn studieboeken haalden het op mooie zaken en ik las zoveel minder dan vroeger. En ik had er geen erg in.

Toen kwam er een dochtertje bij, dat als baby op mijn schoot lag en aan wie ik rustige, lange, trieste verhalen vertelde. Ik maakte ook veel grappen, want van al mijn kindertjes houdt zij het meest van blijheid in verhalen. Eind goed, al goed, en weinig dubbelzinnigheid.

Terwijl ik voorlas voor de kleuter kwam er nog een dochtertje bij en gauw kropen er twee kleine dametjes op mijn schoot. Ik vertelde honderd keer hetzelfde verhaal, haalde de bibliotheek van de oudste er weer bij, en daar gingen we weer. Verhalen op weg naar school uit mijn hoofd, verhalen uit boekjes op bed.

Ik las steeds minder: te moe, te druk, naaiwerk, op stap, te moe, teveel pijn, je kent dat wel.
En ik had voornemens om te lezen, maar het kwam er maar niet van.

Ik kan dat namelijk niet, een beetje lezen.
Ik kan geen kwartier lezen voor ik in slaap val.
Ik lees een nacht. Ik kook weinig als ik lees, ik schuif alle huishoudwerk voor me uit en kom overal te laat. Ik lees en dan is er weinig anders dat ik doe.
Dus daarom las ik niet.

En toen werd ik verdrietig. Heel erg verdrietig en verward en ik had teveel pijn om op te noemen.

Toen kreeg ik een boek.
Een boek van Isabel, mijn nichtje die bijna beter weet dan mezelf wat ik graag lees.

Ik las Stoner (J.Williams).

Ik las en ik snoepte tijd. Op het toilet. Onder een dekentje in de zetel, op zaterdagochtend op 5.45u. Met een tas koffie die mijn lief voorzichtig bracht, precies alsof hij me niet wou storen. Ik las met dochters dicht bij mij, die ik omkocht met haverkoekjes en ‘als-je-nu-stil-bent-en-mij-laat-lezen-dan-vertel-ik-vanavond-beloofd-een-verhaal-van-Tiny’.
Je wilt niet weten hoe erg ik Tiny verfoei, en die vreselijk saaie levensloze verhalen waarin ze voorkomt.

Ik spaarde het op, mijn boek, en tikte mezelf op de vingers toen ik stiekem toch één bladzijde verder las dan afgesproken.

Vanavond las ik het uit.

Terwijl de rest van mijn menage lag te ronken of naar de voetbal was.

Omdat het meer verdiende dan uitgelezen te worden tussen de soep en de patatten.
Het verdiende tijd. En rust. En al zeker geen huishouden dat wacht.

En dankzij Isabel liggen er al 3 verse boeken klaar.

Dat belooft.