Mankementjes

January 28th, 2015

Oh wat hou ik van mankementjes.

Het is een woord dat bij de meeste mensen in het schuifje ‘negatieve connotatie’ ligt, maar bij mij is het een kanjer van een woord.

Mijn lief en een van mijn dochters hebben allebei grote oren.
In de top vijf van hun lijf hou ik erg veel van hun oren.
Ze ontroeren me, en ik vind ze zo mooi.
Ze zijn stille getuigen van hoe ik over schoonheid denk, en ze bevestigen voor mij vaak dat ik perfectie het liefst aan de kant duw, op zoek naar echtheid.

‘Ik hou zoveel van papa’s oren’, zeg ik soms, en dan lachen ze een beetje, de ladies. Ze zijn wel meer gewend van mij, en nemen zulke waarheden er altijd bij. ‘Het zijn grote oren, mama, en ik heb een dikke kop.’
De kleinste is geweldig trots op haar grote hoofd, trots op de volwassen fietshelm die ze draagt, omdat haar hoofd te groot is voor een kinderhelm. Complexen zijn haar vreemd als het over dat reuzenhoofd van haar gaat. Je merkt het niet echt op, tot je voor haar een helm zoekt, of die keer dat de gynaecoloog mij nachtmerries bezorgde, voor de bevalling, toen hij haar hoofdomtrek meedeelde. Ze draagt het met trots, haar percentiel honderd.

‘Mijn oren zijn ook groot’, zei de middelste dochter verwonderd, toen ze enkele weken geleden voor de spiegel stond.

Ik vertelde haar over Sesostris III, de farao met zijn tentoonstelling in het Palais des Beaux Arts in Rijsel, die werd afgebeeld met reusachtige oren, als teken van grote wijsheid. Ze luisterde met haar mondje open, en keek verliefd naar haar spiegelbeeld toen ze besefte dat grote oren wijsheid in pacht hebben. Wijsheid omdat ze goed kunnen luisteren en luisteren is altijd wijzer dan spreken. Vrije interpretatie van mij, maar kom.

Haar kapper denkt daar anders over. Toen we haar haar kort lieten knippen (omdat ze dat zelf wou), verborg hij stilzwijgend haar oortjes, zodat het niet te ‘kort’ zou zijn. Toen we het lieten bijknippen, werd er vooral aan haar froufrou geknipt, maar haar oren bleven gevoelig verborgen. Een uiterst goede, attente kapper, trouwens, die waarschijnlijk ongelooflijk scoort bij moeders die minder van uitgesproken oren houden.

Mijn grootste dochter is een knapperd van jewelste. Ik kan zwijmelen als ik zie hoe ze haar geweldig haar kamt en dat zo nonchalant over haar schouders zwiert. Ik kir vanbinnen een beetje, om de manier waarop zij in haar hoofd tegengas geeft aan de perfectie waar ze als tiener mee wordt geconfronteerd. Als ik naar haar handen kijk, die sterk en zeker zijn, en die pijnlijk hard lijken op de handen van haar vader, dan zwijmel ik nog een beetje voort. Ze bieden me troost in koude dagen, haar werkershanden, die soms vanop een ander komen.

Volgende keer knippen we het haar van de middelste kort, ook aan haar oren. Omdat zij dat mooier vind, en ik trots ben op haar oren.
Omdat het leven gemakkelijker zou zijn voor veel mensen, als mankementjes wat meer een plaats konden krijgen in die harde wereld van ons.

The Glücks en de Ladies

January 28th, 2015

We stonden in een klein zaaltje op Meulestee, zaterdagavond.

We babbelden en dronken pintjes en wachtten tot het optreden begon. Ik kreeg oordoppen van de vriend die net als mij niet tegen hels lawaai kan. Lang leve oordoppen in combinatie met hevige muziek. Lang leve zulke maten ook.

The Glücks.

‘Het is machtig, je zult het wel horen’, zei onze andere vriend – die zoveel concerten doet dat je er duizelig van zou worden.

Twee jonge mensen met passie in hun lijf. Heftig en stevig en ik moest een beetje wennen aan hoe ze mijn hart inpakten en mijn lichaam vrolijk maakten.

Kracht straalden ze uit. Kracht en passie en goesting in wat ze deden.

Ik speurde in het kleine zaaltje, op zoek naar een ouder koppel, zij misschien met een handtas, hij met een beleefd pintje in zijn hand. Trots rondkijkend en denkend: ‘Amai, ons kind, ja, dat is ons kind.’ Wat onwennig tussen al het volk, op zoek naar een stoel die niet te vinden was. Ondertussen hun dochter freakend op haar drumstel, of hun zoon aan de microfoon.

Er is niks in de wereld dat zegt dat de ouders zijn zoals ze in mijn verbeelding ontstonden, en het doet er zelfs niet eens toe.

Ik zou ontploffen van trots, peis ik, als mijn kind daar in een klein zaaltje het beste van zichzelf zou geven, wat dat beste dan ook mag zijn. Mensen die zich smijten in wat ze doen, of in hoe ze zijn, aaaahhhh.

‘s Morgens werden we wakker gemaakt door de jongste die fluisterend zei dat we met onze ogen dicht naar beneden moesten komen, gevolgd door gegiechel en gegibber en stil gecommandeer naar haar zussen. Ik keek naar haar billen en ik zag dat ze haar sneeuwlaarzen aan had, met daaronder de nieuwe kniekousen die ze net kreeg van mijn vriendin. Daarop droeg ze een kleedje en ik vermoedde dat ze al buiten naar de bakker was geweest.

Ze hadden met hun drie de tafel voor ons gedekt.

Met servietten, kaarsen, yoghurt, chocoladekoeken, pistolets, fruit, koffie, melk en nog wel honderd dingen waarmee ze de tafel hadden versierd. Ze keken afwachtend naar onze reacties en glunderden werkelijk een kwartier om zichzelf. Ze keken aandachtig toen ik koffie schonk en onze oudste zei dat ze hem wel héél straf had gemaakt.

Het was in een heel andere categorie, dat wel, maar ik ontplofte ook wel een beetje van trots toen.

Gelijk alsof het zomer is

January 14th, 2015

We dretsten door de regen deze ochtend.

Het kleintje op de fiets aan mijn hand, Clarisse ernaast te voet. Om ter natst.

‘Ik vind stappen leuker dan fietsen, mama,’ zei ze vorige week,’ want dan hebben we een beetje tijd om te praten voor en na school.’
‘Kindje,’ wou ik opperen, ‘fietsen gaat sneller, en als het sneller gaat dan ben ik vroeger op mijn werk en als ik vroeger op mijn werk ben dan kom ik jullie wat vroeger halen en als ik jullie wat vroeger kan komen halen dan kunnen we vroeger eten en als we vroeger aan tafel zitten hebben jullie wat meer tijd om iets leuks te doen voor het bedtijd is.’

In mijn hoofd antwoordde ze: ‘Maar dat is net wat ik wou zeggen, mama, dat ik stappen naar en van school iets leuk vind.’

Dus zei ik niet wat ik dacht, maar: ‘Ok. Af en toe stappen we opnieuw naar school.’

Dus stappen we weer nu en dan naar school. Compromissen.

Ze glundert tijdens het stappen, mijn bijzonder middelste kind. Ze krijgt tijd om vragen te stellen, en ik heb tijd om ze te beantwoorden. Ze kan de muizenissen uit haar hoofd (en soms zijn dat er heel wat) kwijt en ik krijg kansen om haar te sussen. Ze kan haar kwaadheid kwijt, omwille van de eisen die anderen haar stellen omdat ze mee zou mogen spelen. Ze kan rijmen als geen een, en we gieren bij de grappen die ze ter plekke verzint. Elke uitspraak van mijnentwege wordt grondig geïnspecteerd: als ik ‘altijd’ zeg, corrigeert ze mij, als ik ‘nooit’ zeg, ook. Als ik op twintig stappen van thuis blij zucht dat we eindelijk thuis zijn, vult ze aan: ‘je bedoelt bijna thuis, want we staan nog op straat’. We praten over wilsbeschikking, de baas over jezelf zijn, en over zelfmoord. Over ontroering, ook, er is geen nuchterder mens op de wereld dan zij, maar ze kan zo ontzettend waar uitleggen wat ontroering is. Over toegeven ook, en delen, zaken die haar moeilijk liggen, dat weet ze.

Nu we weer wat vaker stappen valt me op dat ze weer rustiger wordt. Minder kwaad, minder frustraties en meer vrolijkheid. Meer rust in haar hoofdje, dat aan duizend per uur draait en al die indrukken die ze trager dan ons verteert. Ze knijpt wat vaker in mijn hand, weer, en die wandelingetjes in de storm en de regen zijn precies eilanden van duiding, rust en contentement voor haar.

De regen kom me dan ook niks schelen deze ochtend, ik werd opgewarmd door haar gelukkig gezichtje, dat straalde en giechelde toen we deden alsof het zomer was. We zuchtten hoe warm het wel was, en dat we hoopten dat we genoeg zonnecrème bij hadden om niet te verbranden. Ze bescheurde het, terwijl ze doorzopen door plassen stapte en de regen langs haar wang in haar nekje liep.

‘Ik vind dat leuk, mama, lijk alsof het zomer spelen in de regen’, fluisterde ze aan de schoolpoort,’want ik vind regen dan bijna gezellig.’

Je kon me uitwringen toen ik thuiskwam een half uur later, en toch voelde dit als een van de geweldigste ochtenden uit mijn leven. Met regen, smeltende sneeuw en ijskoude handen.

Wensen

December 21st, 2014

Mijn wijze vriend zei het vrijdagavond nog eens. ‘Marietje, ‘t is waar hé, op een bepaald moment heb je geen nood meer aan bullshit in je leven.’

Zoals steeds als hij zulke wijze dingen zegt, plak ik ze vast in mijn hoofd, kader ik ze later in en denk er nog veel aan, aan die grote waarheden. Ze lijken misschien klein, en een ander kan ze in één twee drie van tafel vegen, maar voor mij zijn ze van levensbelang. Kleine warme waarheden, die soms eens op gefrons of ooggedraai worden onthaald: bij mij komen ze thuis. Net als die keer dat we het allerbeste Orloffgebraad ooit aten, samen met onze vrienden, en we tot de conclusie kwamen dat het leven vooral om voldoende eten, warmte en een goede gezondheid draait. Er werd toen ook een beetje gelachen, ik weet dat nog, maar ik lachte niet. Ik zette de deur naar die plakkamer in mijn kop open, en was alweer bezig met het vasttimmeren van een nieuw kadertje.

Mijn lief zegt vaak niet veel, maar als hij iets zegt, dan luister ik meestal goed. Het duurt soms een beetje langer dan bij andere mensen, maar het is zo vaak echt de moeite om geduldig te zijn. Zoals toen we samen van Ieper kwamen, met de auto, en wij twee na het parkeren nog even bleven zitten. Gewoon om nog een beetje te babbelen. Over de firewall die mensen moeten passeren als het over zijn drie dochters gaat, en over hoe goed wij overeen komen met elkaar. Over echt belangrijke dingen in het leven, en alle ballast die het lastig maakt. Over nadenken, je hoofd laten werken en over hoe trots we zijn dat onze oudste dochter zo sterk in haar leven staat, en hoe goed ze het allemaal wel niet doet.

Ik wens jullie zulke waarheden.
Ik wens jullie zulke mensen.
Mensen rondom je die slimme dingen zeggen en weten waar het leven echt om gaat. Weinig complexen, geen tralala maar gewoon een beetje proberen om er het beste van te maken. Geen torenhoge verwachtingen en zware principes (die je later toch maar overboord kiepert) maar blij zijn dat je gezondheid het niet af laat weten.

Het is als het leven op zijn simpelst is, dat het het schoonst kan zijn.
Dat je dat nooit mag vergeten.

Dieptes en hoogtes

December 7th, 2014

We hebben een zeer bijzondere, heel erg dichte vriend verloren woensdag. We hebben dinsdag een bloemetje van een kindje verwelkomd, van heel erg dichte vrienden.

We hebben gedanst dit weekend. Gebleit, gejankt, gevloekt, gelachen, gevrijd, gedronken en samen met onze kinderen op de grond in de living gegeten. We hebben foto’s gekeken, mails gelezen, teksten geschreven en af en toe eens gepiept naar de foto van het kleine meisje naar wie we zo uitkeken allemaal. We hebben geklonken, te weinig geslapen en teveel in elkaars armen gezegd dat het leven suckt. Ook dat het mooi is, het leven, zelfs als je verdrietig bent. We hebben getjoold, tranen gedroogd, mooie liedjes geluisterd, oh ja, veel mooie liedjes geluisterd. Ook naar het Zesde Metaal, omdat Wannes in onze taal zo schoon kan verwoorden waar het leven over gaat. We hebben samen, mijn lief en ik (en mijn fantastische buurvrouw) een tipi gemaakt voor de Sint, en de dames waren euforisch. We hebben onze dappere zwemmer gefilmd toen ze van de hoge glijbaan in de Rooigem durfde, en we hebben in ons klein keukentje, dicht bij de mensen die we graag zien, gezegd dat het goed was om bij elkaar te zijn. Mijn lief heeft gedanst op het verlies van zijn maat, en (veel en lang) geklonken op de geboorte van de dochter van zijn andere maat. Allemaal mensen die dicht bij hem kunnen zijn als hij door de hel van verdriet en gemis moet. We hebben naar Gorki geluisterd en aan de oudste dochter uitgelegd dat ook collectief verdriet bestaat, en dat dat goed is, ook als ze dat zelf niet voelt. Dat dat troostend kan werken, en dat het goed is als mensen gelijke gevoelens hebben, omdat dat verbindt.

Samen verdrieten is bijzonder. Janken als een klein kind, samen met je dochter van zeven, en daarna beginnen lachen omdat wij twee de bleitkousen van ons huis zijn. ‘Ik zal hem zo missen, mama’, prevelde ze, en ik heb verteld over verdriet, en vreugde en gemis en kwaadheid en angst en hulpeloosheid, allemaal gevoelens die door je lijf razen als je afscheid neemt. Een minuut later zat ze tekeningen te maken voor het nieuwe babytje, en kon ze niet meer wachten om haar in het echt te gaan bewonderen.

Dat is louterend, zo samen rouwen, vind ik.

Ik wou dat ik, als ik mijn zoon verloor, ook een omgeving had waar ik dat kon: zo diep gaan en rechtklauteren als ik uitgeraasd was.
Want meer dan iemand missen is afscheid nemen soms een strijd leveren met jezelf om opnieuw rechter te leren leven, met een gat in je hart en een zeurende toon in je hoofd.

Voorleesweekliefde

November 27th, 2014

Ze is net zeven.

Ze houdt wel van knuffels, maar niet van zoenen. Ze houdt minstens even veel van dieren als van mensen. Ze speelt het liefst alleen, dan kan ze een beetje nadenken over het boek dat ze de avond voordien las, en kan ze in haar hoofd een spel spelen, zonder dat ze iemand uitleg moet geven die niet luistert. Ze fronst als juf zegt dat dat gek is, alleen spelen, want ze weet toch zelf wel wat ze het liefst doet. Haar babyvet smolt weg en in de plek zijn lange smalle benen gekomen, een jeansbroek en een paar witte Nike-basketten die we van mijn vriendin kregen. ‘Er zijn kindjes die lachen omdat ik de schoenen van Marietje aandoe, maar ik ben net blij, mama. Raar voor iemand is niet altijd raar voor iemand anders hé, jij zegt dat ook, mama.’

Het kleutertje in mijn groot wijs kind is al lang compleet verdwenen en terwijl ik haar plat zou willen knuffelen, is zij van de voorzichtige aard, die weinig aanraking het fijnst vind, op een stevige hand na. Ze kust helemaal niet graag, en hoe hard ik haar zoenen ook mis, ik respecteer haar wensen zoveel mogelijk.

Maar als ik voorlees, ontdooit ze.

Ze luistert eerst van op afstand, komt dan naast me in de zetel zitten om te eindigen op mijn schoot, met haar hoofd in mijn nek en haar armen verstrengeld rond de mijne. Minutenlang zit ze bijna roerloos gelijk, op een nog stevigere omhelzing na.
Nog nooit hadden zij en ik zoveel lichamelijk contact de laatste jaren als daar in de zetel met een boek op mijn schoot terwijl ik aan het voorlezen ben.

Stel je voor dat ik dat niet zou doen, voorlezen. Dat ik geen tijd, geen zin, geen inspiratie en geen boeken zou hebben. Dat ze nooit zo harmonieus op mijn schoot zou genesteld liggen als wanneer ik een boek voorlees. Stel je voor dat ze niet op gaat in een andere wereld, die van betweterige prinsessen en vreselijke juffrouwen Bulstronk. Wat als ze niet naar adem kan happen als Mathilda glazen doet zweven en kritisch mee kan lezen als ik een woord verander omdat het te Nederlands is.

Als je een opvoeding herleidt naar de essentie, dan staat voorlezen bij mij in de toptien.

Of in de topvijf.

Freddy – Kracht III

November 22nd, 2014

Toen ik thuiskwam enkele weken geleden, kirden mijn drie dochters in de gang.

‘We hebben een dier, een duif en ze is nog jong en anders zou ze sterven.’

In de te kleine gang van ons te kleine huis stond een grote kartonnen doos, met daarin een duivejong met gele pluimen op zijn kop. Weinig dieren zijn zo lelijk als ze klein zijn, vind ik, hun buitenproportionaliteit werkt helemaal niet schattig.

Ik belde naar mijn lief, dat een beetje lachend en een beetje zuchtend zei: ‘ik kijk er deze avond wel eens naar.’
Ik belde ook naar mijn nonkel, die duivenmelker is, om te vragen wat wij begod met zo’n vogeljong moesten doen.
De buurman, wiens hersteld dak het jong herbergde, lachte en zei: ‘dat is lekker in de pot’ en toen draaide hij zich om en deed alsof het dier zijn zaak niet meer was.
De moeder van het duifje cirkelde wanhopig rond de daken en al mijn hormonen sloegen op hol, ik kon de pijn in haar hart waarlijks voelen, nu ze zomaar haar jong kwijt was.

Omdat, volgens mijn nonkel, de moeder pas terug zou keren als het rustig was, bond mijn lief de doos vast op de vensterbank, in de hoop dat de moeder haar jong zou komen voeden. We zetten water en muesli bij de duif en hoopten op het beste.

Toen werd het nat en de moeder kwam niet terug.

De duif werd binnengehaald en mocht nog even verder suffen op de nieuwe kamer waar we momenteel eindelijk bijna klaar zijn (op de vloer en het schilderwerk na). Af en toe vonden we ze naast de doos terug, en je wilt niet weten hoe de vloer eruitzag na enkele dagen. Op zaterdag trippelde ze tussen de tafel en de ladder door, blij dat Jan haar in zijn werkerskleren vervoegde, en blij dat ze muziek hoorde en niet alleen was.

Vorige week woensdag moest ik er schilderen en ik ben bang van fladderaars, dus de ladies plantten haar voor enkele uren op de vensterbank.

Even later tikte ze tegen het venster, draaide zich om en vloog weg.

Ik ga elke avond eens kijken, of ze toevallig niet nog eens langskomt, en Anouk zei ‘Oh Freddy toch’, toen ze hoorde dat hij er niet meer was. De kleintjes juichten dat hij niet was gestorven en voor Jan zullen de werkzaterdagen weer stiller zijn.

Freddy toch, Freddy Freddy Freddy.

Kracht II

October 15th, 2014

Een van onze dochters heeft een zeer zware hondenliefde in haar lijfje.

Ze houdt van élke hond, of die nu venijnig, klein, oud, lelijk, mooi, lief, vals, kwijlend of aanhankelijk is.

Van elke hond.

Honden die mij schrik aanjagen (Rottweilers die kwijlend jankend piepen als we voorbij zijn huis passeren, valse bijters die toeslaan als je het niet verwacht) verdedigt zij. ‘Je moet hen gewoon gerust laten, mama. Zij kunnen daar zelf weinig aan doen, sommige honden hebben een slechte baas of een rotkarakter, maar dat wil niet zeggen dat je die hond niet graag kunt zien.’

Wij hebben geen plaats en geen tijd voor een hond.

Ze betreurt dat, en weent af en toe een beetje, ‘omdat ze zo erg graag een hond wil hebben voor altijd.’

‘Als we nu eens aan de buurvrouw met de honden, van twee huizen verder, vragen of ze af en toe eens mee mag met haar dagelijkse wandeling, wat denk je?’ vroeg mijn slim lief een half jaar geleden.

Ik kwam haar tegen, vroeg wat ze ervan vond, en tot onze grote vreugde zei ze ja.

Sindsdien belt ze regelmatig aan, met haar twee kleine hondjes, en in het lijstje van dingen-waar-ze-altijd-euforisch-op-reageert en zaken-die-nooit-vervelen staan deze uitstapjes met stip op één. Met veel stip. Net als bezoekjes aan haar huis, waar alles mooier, fijner en gezelliger is dan hier, want er is ook nog een grote hond, Mégane, waarover zij honderduit vertellen als ze thuiskomen. Over hoe ze een beetje jaloers is van de cavia, en hoe grappig zij dat vinden.

Ondertussen zijn de hondjes met de dametjes vertrouwd, en zijn ook Karlijn en ik aan elkaar gewend.
Heerlijke babbels aan onze tafel, onverwachte gesprekken aan de voordeur, afspraken om samen eens te gaan zwemmen.

Met sommige mensen gaat het van de eerste keer naar de fond van het leven, en tussen ons is dat elke keer zo.

Oh wat ben ik blij dat zij er is.

Kracht I

October 8th, 2014

In mijn straat woont een gezin: vader, moeder, dochter in de twintig. Hun huis lijkt altijd gesloten. Er is weinig beweging, en ik denk dat ik tot voor kort nog nooit de deur zag open staan.

Bij de verkiezingen leerden de dochter en ik elkaar kennen. We moesten beiden ‘zitten’, en toen zij haar adres zei, bleek dat we buren waren. We wandelden samen naar huis, ons gesprek was kort maar oh zo hartelijk.

‘Hoe gek’, bedacht ik,’dat er zo’n vriendelijke vrouw woont, krak aan de overkant van de straat, en dat ik haar nog nooit eerder zag.

Sinds de verkiezingen komen we elkaar soms eens tegen. We stoppen en we praten en het lijkt een beetje alsof we elkaar goed kennen. Het gaat weinig over koetjes en kalfjes, maar de korte gesprekken zijn altijd boeiend.

Een paar weken terug kocht mijn lief couscous, en het bleek iets fijners te zijn, een soort meel dat me geschikter leek om te bakken. Ik belde aan bij de overbuurvrouw, de andere (van wie de zoon af en toe eens Frans en rekenen kwam oefenen wat jaren geleden) en ze stuurde me door naar het huis van mijn verse kennis.
‘Die moeder weet alles van couscous, vraag haar maar’.

Ik belde aan bij het huis van de dochter die ik dus een beetje kende van de verkiezingen.

De oudere zus, die op bezoek was bij haar moeder, was een werkelijke spraakwaterval toen ze de deur opendeed. Ik legde uit van de verkiezingen, dat ik haar zus toen leerde kennen, en ze werd met de minuut hartelijker. De moeder kwam vanuit de keuken, en ik kreeg een pak couscous in ruil voor het meel dat ik in mijn handen had. En passant kreeg ik een recept: eerst bouillon maken, veel tijd nemen, en met je handen rollen, zeker met je handen rollen. Tussen de instructies door, die de oudste dochter in het Nederlands vertaalde van de vriendelijke moeder, kreeg ik te horen waar ze woonde, werkte en hoeveel kinderen ze had.

Sindsdien zwaait de oudste zus naar mij, praat ik langer met de jongste zus en vroeg de moeder wat ik vond van de couscous.

Zondag en maandag aten wij ervan. Hij was fijn, zoals ik hem graag had, en van de lekkerste soort die ik ooit at. Tijdens het eten dacht ik aan de buurvrouwen: de jongste zus, de moeder en de oudste zus.

Verbondenheid zit niet in opgelegde verdraagzaamheid maar in oprechte interesse.

(Deze week elke dag een stukje over hoe ik hier in Ledeberg zonder bril heb leren kijken, en hoeveel godsgeschenken ik daardoor in de plaats kreeg. In mijn eigen buurt, in mijn eigen straat, bij mijn kindertjes die bijna geboren zijn zonder bril op hun hoofd)

Onverwacht

October 8th, 2014

Ik zou de eerste thuis zijn ‘s avonds.

Boodschappen doen en alvast koken zodat we vroeg konden eten en zo verder, je kent dat wel.

Sleutel vergeten.

Gelukkig, oh gelukkig had ik een boek in mijn handtas.

25 minuten heb ik gelezen, op mijn gat op de zulle.

Een mens zou zijn sleutel meer moeten vergeten.