parel

August 30th, 2016

we wilden watervallen kijken.
een wandeling van ongeveer 8 km, in de bossen in het Juragebergte.
vorig jaar hadden we niet allemaal wandelschoenen mee, maar deze keer wel.

op de weg naar daar passeerden we meren, ik wist het nog van eerder.
ik was er vorig jaar even van ondersteboven, van die aanblik op al dat water: er is weinig dat me zo naar de keel grijpt als eindeloos water. in de bergen nog het meest vanal.
we waren er niet gestopt, vorig jaar, het meer lag er gewoon, precies alsof er geen enkele mens mee gemoeid ging: geen strand, geen cafetaria, geen schreeuwlelijke reclame voor ijs en drank en eten. gewoon een meer en niks anders.

ik had mijn lief verteld over hoe aangrijpend ik dat vind, zomaar een meer. hij houdt heel veel van water, hij groeide op aan het water, maar dat ik dat zo aangrijpend vind is voor hem eerder logica. ‘zo zien meren er nu eenmaal uit’, zoiets. wat niet wil zeggen dat hij niet luistert en kijkt naar hoe ondersteboven ik ervan ben, ik zie dat als hij glimlachend een oog flikt en zegt: ‘moksje toch’. ik heb dat ook met bos: als we rijden en ik zie op Google Maps dat er oneindig veel bos is, dan kan ik daar precies niet bij.

hij stopte zomaar aan het meer. er was net plek om uit te stappen en te kijken.

ooooo. ooooo. ooooo.

mijn hele lijf reageert daar instinctief zo hard op, dat ik er even geen blijf mee weet. het is een beetje zoals kijken naar een werk van W. Turner, ik kan daar zo ondersteboven van zijn dat het zeer doet. ik bewaar al lang een werk van hem, in de gedachte dat ik dat ooit in onze nieuwe living zou hangen, wat ik deze week zal doen, wat een vreugde in mijn hart.

we stonden daar een beetje, ik moest slikken en bijna bleiten en nu ik typ heb ik weer hetzelfde gevoel.

later die dag zouden we watervallen zien, en klimmen en met onze voeten op de bergen staan en wandelen en kindertjes hebben die dapper 8 km stapten op een zeer warme dag in de bergen. ze zouden zeer fijne wandelstokken krijgen van ons, met dierenkoppen, als beloning, en we zouden in de broeierigheid samen iets drinken en lachen en samen zijn. jan zou op zijn rustigste zelf uitleggen hoe de aarde er vanbinnen uit moet zien en mijn dochters zouden knikken, luisteren, wijzen, lachen, zeuren en uitglijden op de gladde stenen.

het was een dag zoals geen ander, en ik denk nog veel aan het meer, aan hoe overweldigend ik het vind, en hoe graag ik daar ben geweest.

deze dag kwam vanzelf.
de mooiste dag uit mijn zomer, de meest intense ook.

IMG_20160825_114651

over wilde buurkinders

August 12th, 2016

we hebben nieuwe buren.
een maand geleden keken er plots twee paar donkere ogen door mijn brievenbus, en zag ik kleine vingertjes piepen.

‘mevrouw’, riepen ze, ‘is die van acht thuis?’
die van acht dat is clarisse maar haar naam vinden ze vreemd.

met het gezin kwamen er nieuwe geluiden: de twee stille mannen die er voorheen woonden in contrast met het kinderrijk verhuizend gezin.
‘Oh boy’ dacht ik toen ik op een avond laat in bed lag, en bij de buren zoveel lawaai hoorde dat ik dacht dat ze aan het verbouwen waren.

‘maar wij maken ook veel lawaai’, zei mijn lief, en ik dacht ogenblikkelijk: ‘ja, ‘t is waar, misschien moet ik wat stilstaan bij al het geluid dat wij maken met heel ons nest kinders en vrienden en kinderen van vrienden.’
maar het was echt veel lawaai, zoveel dat we bijna moesten roepen in onze living, om elkaar te kunnen verstaan.

de kinderen van de buren met hun wonderbaarlijk mooie namen, ze belden zoveel aan mijn deur dat ik er zot van werd. Ik ken mezelf, voor ik het weet leefden ze meer hier dan hiernaast en op een bepaald moment word ik dan horendol en wil ik alleen nog rust. ik moet ook elke dag tegen mezelf zeggen dat dat in het leven soms het beste is, gewoon tot aan de deur, even afwachten, niet altijd heel mijn hart openstellen, want ik heb dat al veel gedaan en het is me laatst toch maar serieus pijnlijk geworden dat de wereld niet altijd uit roze kauwgom bestaat, godverdorie.

op een ochtend (ik bespaar jullie de details) was er plots heel veel beweging aan de deur, maar echt heel veel, met politie en anonieme wagens en serieuze gezichten. het was dreigend en ik wou mijn kindjes afschermen van de angst die uniformen en geweren en auto’s op straat met zich meebrengen. ‘ga vlug binnen, schatjes’, en ik duwde ze veilig weg in onze cocon waar de wereld soms eens buiten moet worden geduwd.

ik vond het vreselijk, ik heb de ganse dag gedaverd op mijn lijf en me afgevraagd wat er nu werkelijk zo erg zou kunnen zijn dat er een gans bastion kinderen komt halen.
mijn vriendinnen, aan wie ik het vertelde, merkten op hoe traumatisch voor de kinderen en ik bleef maar piekeren over de oorzaak van dit alles.

het is stil, hiernaast.

ik weet dat het mij niet aangaat wat er is gebeurd. ik weet ook dat er niet zomaar dergelijke actie wordt ondernomen en dat het soms beter is dat kinderen worden afgeschermd. ik weet dat ze teveel lawaai maken en dat ik teveel vloek op hun geroep. ik weet dat ik al horror door mijn hoofd heb zien passeren over dit alles, en ik weet dat dat niet correct is omdat ik niet weet wat er is gebeurd.

wat ik wel weet, is dat ze terugkomen. begin september. als de sociale dienst is geweest.
ik weet dat van de vader van het gezin, die mij het net heeft verteld, toen hij een kringloopwinkelkastje aan het binnendragen was van € 12,00. ik kon dat zien aan de sticker die er nog op kleefde. ik moest bijna een beetje bleiten toen, want het was zo’n kastje waarvan wij content zouden zijn dat het weggekieperd wordt.

ik deed mijn deur open, en ik was een beetje blij. blij en ontroerd. blij dat ze terugkomen, want dat wil zeggen dat iemand ergens heeft beslist dat het de moeite is dat ze bij hun eigen ouders kunnen opgroeien, en dat ze een kans krijgen om te tonen dat het kan lukken. blij omdat ‘die van acht’ zo ontzettend opgelucht zal zijn, want ze heeft veel geweend om haar vriendin die ze nog maar net kent en die plots al weer was verdwenen.
blij om hun donkere ogen, die weer door mijn brievenbus zullen gluren en die kleine handjes die ik zal zien.
zuchtend omdat ze teveel zaken zullen vragen aan de deur en ik heel veel neen zal moeten zeggen.
ik pieker ook een beetje, over de trauma’s, over hoe een ouder hiermee omgaat, en over hoe de kleintjes zich nu zouden voelen.

oh ik zal nog vloeken maat, ik weet het nu al. ik zal nog rologen en zuchten dat ik stille buren wil.

maar ik ga ze wel graag zien, allemaal. en ik heb voor mezelf voorgenomen dat ik frietjes bak voor iedereen en dat zij ook allemaal welkom zijn, gelijk elk ieder ander kind dat hier welkom is.

want als deze situatie me iets heeft geleerd de voorbije week, dan is het dat ik niet degene ben die op Facebook zomaar linken deelt over verdraagzaamheid, en dat ik niet degene ben die in een mooi politiek, theoretisch kader kan uitleggen wat discriminatie betekent en hoe vreselijk dat is.

ik wil dat echt menen, over die verdraagzaamheid. ik wil dat mijn kind, dat verontwaardigd vraagt waarom iedereen hier altijd binnen mag en zij eerst niet, niet uitleggen dat dat zogezegd komt omdat we klein wonen. ik wil kinders kweken die openstaan voor iedereen, en geen kinders die vreemd opkijken als de badkamer bij vrienden er wat minder in orde uitziet. niet dat die hier in orde is, maar bon.
ik zie veel verdraagzamen rond mij, op papier, tot er een Slovaaks kind aan hun sleppen trekt.

ik weet dat dat mij kwetsbaar maakt, maar dan is het maar zo.
dan ga ik op mijn bek en mijn kinders op die van hen, samen met mij.

maar het zal met veel liefde voor mijn wilde buurkinders zijn.
met heel veel liefde.

(en ik hoop in het stilleweg dat ze hier heel lang gaan wonen, dat alles goed komt, en dat het gezellig wordt. een beetje stiller misschien, en hopelijk met warme vriendschappen voor mijn eigen koters)

ver

August 10th, 2016

‘waarom gaan wij eigenlijk nooit echt ver op reis?, vroeg Clarisse, toen we in het weekend over reizen aan het praten waren.
‘echt mama, mijn vrienden gaan veel keer per jaar op reis, en ver. naar Italië en Spanje en Kroatië en zelfs naar Duitsland, en wij, wij gaan alleen maar één keer, en altijd naar Frankrijk.’

Het leest misschien als een vervelende vraag, maar het was uit echte nieuwsgierigheid dat ze het vroeg.

‘Ik zou dat ook eens willen doen, mama,’, vroeg ze nadien.

Ik snap haar helemaal.

Maar ik wil niet.

Zolang zij bij mij zal wonen en we samen op reis zullen gaan, zullen we niet ver gaan.
We zullen geen verre reizen maken waar we jaren van zullen dromen.
We zullen niet vliegen als het aan mij ligt , en we zullen niet naar Azië, Amerika of Afrika reizen.
Ook al wil ik graag naar Ijsland (als ik ooit een verre reis zou maken), en ook al is Afrika mijn lievelingscontinent en zou ik mijn vriend Kurt in Kinshasa wel eens een bezoek willen brengen.

Het is zonder enig oordeel over andermans reizen, want oh, als ik de foto’s zie van de mensen die wel ver gaan, dan glimlach ik omdat ik blij ben dat ze het zo fijn vinden. Als ik van mijn tienerdochter foto’s krijg van haar reis in Montenegro met de scouts, geniet ik mee van de bergen die ze doorstuurt.

‘Ja maar het is daar echt altijd warm. Het is er goedkoper. De zee is er schoner. Het kost echt niks meer met het vliegtuig.’

Ik hoorde ze, ze dienden al vaak als argument om mij te overtuigen.
Maar hoe meer ik ze hoor, hoe minder ze mij overtuigen.

Ik kan bleiten van de schoonheid van de duinen aan de Noordzee. Ik kan op het strand aan de zee staan, en mijn ogen pieken van de immensiteit waarmee die grauwe zee mijn hart inpakt.
Wij twee zijn in juli enkele dagen gaan tjooln in de streek van de l’Oise (nog niet eens zo ver als Parijs) en al water en was zo overweldigend dat ik er bijna een verkrot huis wou kopen.
Mijn mama is op 10 km van haar huis gaan logeren met de kleintjes en ze hebben de tijd van hun leven gehad.

‘Of naar Nederland, daar zou ik ook wel eens willen gaan’, voegde ze toe aan haar vraag.
We glimlachten naar elkaar, en in mijn hoofd zat een reisje naar Nederland klaar.

Ik weet dat ik op een bepaald moment geen grip meer heb op de manier waarop mijn dochters reizen, en ik ben de laatste om voor hen, eens ze groot genoeg zijn, uit te maken naar waar en hoe ze moeten reizen.
Waar ik wel grip op heb, samen met mijn lief, is op het tonen van de overweldigende schoonheid niet zo ver van ons eigen huis.
In plaats van ver te reizen gaan we altijd op zoek gaan naar mooie plekjes waar je niet persé een vliegtuig voor nodig hebt.
Waarschijnlijk gaan ze zich op een bepaald moment laten vangen aan de schreeuwlelijke reclames van spotgoedkope vliegreizen naar waar ze maar willen, en waarschijnlijk zullen ze op een bepaald moment vinden dat ze de andere kant van de wereld moeten hebben gezien.

Maar ik hoop dat ze dan af en toe eens terugdenken aan de dichtbijreizen, aan de schoonheid pal onder hun voeten, en aan de zware druk op de aarde door al dat immens overweldigend vliegreizen.
Ik zal hen de boeken tonen, waardoor ik zomaar in Boston rondloop, de geuren in Zuid-Amerika kan rieken en het zout van de zee kan smaken. Ik zal met hen blijven tjooln, dicht bij ons huis, ook als ze ouder en zelfstandiger zijn.

(voor iemand -weer- anoniem in de commentaren dubbelzinnige boodschappen achterlaat: je mag gerust je naam vermelden, ik kan daar tegen)

mijn moat

July 30th, 2016

we waren vier dagen gewoon met ons twee.

we hadden er zo lang naar uitgekeken, een kleine rustige camping gezocht, viswater gezocht, tent en gerief geramasseerd, oh de voorpret was precies een beetje gelijk het voorspel.

het was de stilte, die me opviel.
de stilte omdat ik las en hij aan het vissen was en niemand anders in de buurt.
als ik opkeek van mijn boek kreeg ik een knipoog en als hij een vis gevangen had ging ik die fotograferen.

wat een onwennigheid, uren niets te doen hebben.
zomaar lezen en dan wat slapen en dan weer lezen en dan aperitieven en openluchtzwemmen en weer lezen.

het was daar, in het noorden van Frankrijk, waar ik weer een beetje tot rust kwam.
‘je bent mijn beste moat’, fluisterde ik toen we terug waren en hij nam me zo stevig vast dat het zeer deed.

het is het beste gevoel na het baren van een kind, vind ik soms, dat ik mijn beste moat naast me heb.

Gelezen
Een soort van liefde, Alicja Gescinska, ISBN 9789023496588
Een klein leven, Hanya Yanagihara, Josephine Ruitenberg, Kitty Pouwels, ISBN 9789046820315

verdragen

July 17th, 2016

er was een keer iemand die me zeer erg dierbaar is die zei, op een moment dat ik echt nodig had:
‘soms moet je gewoon verdragen’.

ik heb er al veel over nagedacht, en het is mijn mantra als ik het nodig heb.

ik heb hartenzeer. vriendschapshartenzeer.

alhoewel ik vannacht mijn lekker lief veel te lang kuste en hij in mijn billen kneep zoals ik dat graag heb, deed het zeer.

het is hier meestal gezellig, op vertellementen, maar in de grote wereld is het soms pijnlijker en verdrietiger en oneerlijker dan ik wil.

verdragen, zei ze, soms moet je gewoon verdragen.

vergeten

July 11th, 2016

het was zondag en ik was al weken aan het zeuren om naar oostende te gaan.

ik kan maanden zonder de zee, maar plots moet ik er heen, voor de lucht en de mensen en omdat ik heel erg van oostende hou.
gisteren hadden we werkelijk niks te doen dus werd het zeetijd, ondanks de combinatie juli+zon+veelmensenaandezee.
het moest.

we hebben altijd heel veel hetzelfde als we naar oostende gaan: naar de schone vissersportretten zwaaien, het veer nemen, de zee begroeten, garnalen eten en rodenbach drinken en zeggen dat, als we oud zijn, we wel in oostende zouden willen wonen.
het is ook altijd veel tijd om te zitten en niets anders kunnen doen, heilzaam voor mijn hoofd.

ik las kranten, wel twee. ik las in maanden weer eens in de Morgen en genoot van het Magazine en de heerlijke interviews.
een mens zou het vergeten, tussen al het gemoet en het gewerk en het gekinder, dat er ook dagen bestaan waarin je ongegeneerd twee uur aan een stuk gewoon kunt zitten en lezen en af en toe eens denken ‘oh ja, dit was ik vergeten’.

gisteren was zo’n dag. met wijze woorden van wijze mensen in de krant en als toetje een heerlijk interview over de Franse dorpen tijdens het EK, op Radio 1.

ik peis dat mijn zomer officieel is begonnen.
een zomer met boeken, mensen, zon, goei eten, een tent, mijn gebroed, mijn lief en ons verrukkelijk hutje in de BresseBourgogne – het fijnste plekje waar ik ooit op reis ging.
bijnabijnabijna.

13662334_1109455969129558_1519531686138565878_o

mijn indianenkind

June 26th, 2016

mijn middelste dochter glunderde toen ze hoorde dat ik een badge heb voor het werk, en dat die badge de deur kan openen door gewoon mijn handtas tegen de scanner te houden.

‘wow’, zei ze zuchtend én blij, want ze dacht ‘dat dat echt niet kon in het echte leven’.

haar glimlach deed zoveel deugd.

ze is moe. moe van het altijd maar door moeten doen en een moeder te hebben die veel te vaak zegt dat ze moet voortdoen, niet zo snel mag wenen en een beetje dapperder moet zijn.
ze is moe van allemaal gesprekken door elkaar van mensen die ze kent en niet kent en die woorden en zinnen gebruiken die ze op twee manieren kan interpreteren en die ze gegarandeerd verkeerd inschat.
ze is moe van school, rekenen, huiswerk, fietsen en rokken en broeken te moeten aandoen die bijna tot aan haar knieën komen, want ze draagt het liefst ofwel lange broeken, ofwel minishortjes. die minishortjes wil ze nu niet meer kopen in de winkel, want op school mogen die niet en voor 2 maanden per jaar koopt ze geen broeken hoor.
ze is moe omdat ze niet kan slapen ‘s avonds, gevoelig voor geluid en voor moeheid die niet altijd naar slaap leidt maar naar denken denken denken.
ze is moe omdat haar sloeberzus van 6 zo gemakkelijk over grenzen loopt, met haar voortand uit en haar schmoetzig -glunderend van kattekwaad -smoeltje. dat kleintje, met haar grote mond, haar durf en haar plantrekkerij. die vlegel, die zomaar met haar vuile voeten tegen de muren aanleunt, iets dat niet mag en iets dat mijn middelkind nooit zou doen. net als stiekem Smarties eten vanuit de binnenzak van je jeansjas. in de ochtend.

‘we zijn er bijna, mama’, besloot ze, tijdens één van mijn dierbare ochtendwandelingen met haar, waarin de rush een beetje gaat liggen omdat tijd en haast plots geen rol meer spelen.

ze zegt we, want ze houdt soms net niet en soms te veel rekening met andere mensen, zeker met die die dicht bij haar staan.

het leven is veel meer strijd voor haar dan voor mijn ander gebroed, of toch een stuk intenser en vermoeiender.

maar straks is het vakantie.

dan mag ze haar hart ophalen bij Cica, gaan zingen, lang slapen, uren lezen en tv kijken. granen en yoghurt eten op bed en strips halen naar de bibliotheek. dan mag ze met haar grote vriendin naar de tentoonstelling van Harry Potter en kijken we samen de hele reeks uit. mag ze in mijn armen hangen en daar blijven hangen, ook na bedtijd. ze zal met de kaarten spelen, bij de buren gaan bellen, verlangen naar onze reis naar de watervallen en hopen dat zij en ik minstens een ganse dag samen zullen lezen in onze hut op bed.

dan zal ze uren vertellen over haar dromen, veel meer lachen dan de andere tien maanden van het jaar, en af en toe eens de zaken op zijn beloop kunnen laten zonder dat ze er zelf erg in heeft. ze zal rustiger worden, minder gauw verdrietig en voldaner dan ooit.

dat is een systeem dat zich herhaalt, al minstens drie jaar lang.

misschien is ‘we’ wel op zijn plaats, want ik sta aan haar zijlijn en ik verlang, al was het maar voor haar alleen, bijna evenveel tot al die fijne dingen beginnen.

bijna bijna bijna.

niets niets³

June 11th, 2016

juni is altijd de maand met teveel dingen om te doen, teveel werk, te weinig verlof, kinderen die moe zijn, ouders zonder geduld en reikhalzend kijken naar de zomer die deze keer gelijk maar niet komt.

lastig, maat, vind ik juni en tegelijkertijd zinderend van verlangen naar tijd om thuis te zijn, bij mijn absolute lievelingsmensen.

ik zou in mijn verlof niets willen doen: de dagen gewoon pakken zoals ze zijn en verder niets, buiten wat absolute stilte.

oh wat zou ik sterven moest ik mijn verlof propvollen. crossen van hier naar ginder en lijstjes met dingen waarvan ik denk dat ik die moet gedaan hebben.

mijn lijstje is leeg, wit en leeg en rustig.

het is één van mijn basisbehoeftes: niets te doen hebben, en ik kus mijn pollen dat ik een wederhelft heb die dat begrijpt, ondersteunt en zelf ook een beetje zo in elkaar zit. halleluja, wat een match. het is niet onmiddellijk het eerste wat je op tafel gooit als je zit te kussen met vlinders in je buik, dus ik heb geluk, pokkeveel geluk. er zijn duizend dingen aan mijn lief die van mij een chansaard maken, donderdduizend dingen zelfs. maar zijn rustige zelf is mijn heling.

stel dat ik een lief zou hebben dat heelder dagen actief wilt zijn en van het een naar het ander gaat, ik zou het niet kunnen, vrees ik. ik zou hem zoenen en zeggen dat het ok is, dat het fijn was, maar dat ik niets wil doen.

op een zware zaterdagochtend (met dampende zwemles in een te warm zwembad) kom ik tot het besef dat het zo erg goed is. die rust, dat begrip, die knipogen die van zo ver komen dat ik hem helemaal begrijp. terwijl hij plaastert knijp ik in zijn billen en kus ik zijn nek die stoffig smaakt. ik kook voor hem vanuit heel mijn hart en hij maakt ons huisje altijd maar mooier en schoner dan ik ooit had durven dromen.

nu nog verlof, een wit blad en een beetje watervallen om naar op zoek te gaan.

almost there, almost.

Enkele weken geleden hadden we een feestje voor onze kleinste.
Iedere dochter krijgt een feest, en ik moest mezelf in de arm knijpen, dat mijn kleinste nakomeling ook al zes is en meer.

We logeerden in Wijtschate, op een boerderij bij een echte boer.
Clarisse droomt van boeren en van dieren, en omdat ik liever met een boekje en een koffie in een zetel zit, dacht ik: ideaal, ik op mijn gat en zij tjooln op het erf terwijl mijn lief een keer rondtoert op zijn gemak.
Win-win-win.
Vuile kleren in de auto, en een uur later stonden wij in een godverlaten boerendreef in het immer mooie Heuvelland.
‘Heuvelland is mijn favoriete land’, brulde ons feestvarken, dat pas zondag ging vieren en op vrijdag al volledig in de stemming was.

Ik las natuurlijk niet, ik babbelde met de boerin en met mijn vriendinnen die daar dicht bij wonen en dus voor een keer gewoon een bezoekje konden brengen aan mij, op de boerderij.

Oh, het is niet dat ik het vergeten was, dat ik een zware voorliefde heb voor boeren, het is gewoon dat ik ze zo weinig zie, waardoor die liefde en die bewondering wat op de achtergrond geraakt.

Tot ik een hond op een erf zie lopen.
Tot ik een oude boerin hoor zeggen dat ze nog een vrouw zoeken voor de boer.
Tot ik de boer in zijn overall zie gaan, met een vaste stap, eeuwig op weg naar beesten en grond en land en traktors.

Wat een bijzonder bestaan, het boerenleven. Een geïsoleerd leven, overgeleverd aan de natuur, de aarde, het land en jezelf. Geknelt tussen torenhoge leningen en veel te zware subsidiëringsprojecten uit het verleden. Met grijze Mercedessen en kwaadheid tegen de Groenen. Met prijzen om van te bleiten, waardoor ze altijd meer en meer geklemd zitten tussen hoe het echt zou moeten zijn en hoe het het is. Met gigantische druk van de voedselindustrie en een zware lobby van pesticiden. Dan nog de mensen, die de boeren een beetje vergeten waren, want ze halen groenten en vlees uit de supermarkt, het liefst aan dumpprijzen, met nog weinig voeling met de koeien, de varkens, de groensels, de melk en de boter die ze kopen.
€ 0,79/ voor een liter melk, een mens kan toch niet sukkelen.

Ik zag hem staan, onze boer, toen ik ‘s avonds de gordijnen dichttrok.
Boeren kunnen de lucht lezen.
Boeren kunnen weken geïsoleerd leven, weg van de wereld, tussen de keukentafel en de stal, vloekend of hopend op de regen.
Boeren brengen ons wat het meest nodig is om te kunnen overleven: voedsel.
Voedsel dat wij soms een beetje stiefmoederlijk behandelen, alsof het enkel in de niche van ons leven bestaat, terwijl het eigenlijk om onze fundamenten gaat. We kunnen foeteren over pesticiden en insecticiden. Bij elk nieuw onderzoek dat aantoont dat we veel te veel bucht binnenkrijgen en dat dat kankers veroorzaakt, zeggen we dat een mens tegenwoordig niks meer kan eten, en dat het niet is omdat je groenten eet dat je gezonder bent. De voedselindustrie knelt de boeren vast, en wij zijn boos op de boeren en gaan lekker verder gezellig naar Delhaize of de Colruyt.
Natuurlijk denkt niet iedereen is en het is ontzettend kort door de bocht, maar het is wel, in grote lijnen, hoe de relatie er tussen boeren, industrie en burgers uitziet.

De grootste expertise ligt bij de boeren, en we zouden met zijn allen in een kring rondom hen moeten gaan staan, met de belofte dat we samen zullen werken. Dat zij uit die knelgreep kunnen ontsnappen, en dat wij met respect voor hun producten een eerlijke prijs zullen geven. Zij zouden dan misschien wat op hun plooi kunnen komen, en bezig zijn met wat boeren bezig moeten zijn: met zorgen voor de beesten en de groensels die we nodig hebben. Met dialoog met gemeentes, en zoektochten naar betere gewassen zonder al die vuiligheid die gesproeid wordt. Met hulp en debat, zodat hun leven draaglijk wordt, en wij begrip hebben in plaats van als dooddoener te zeggen dat ‘de boeren in de jaren zestig toch wel veel geld hebben verdiend hoor, en dat ze toen wel niet klaagden’. Boeren die willen luisteren naar ‘de groenen’, zodat ze samen kunnen werken, in plaats van kwaad te zijn op elkaar, want ze verschillen minder van elkaar dan ze zelf denken. Boerinnen die niet weglopen van de boerenstiel en koppels die af en toe eens kunnen ontsnappen aan hun boerenleven, om het allemaal niet te geïsoleerd te houden.

Krachtboer is een festival, zondag, in Dranouter, dat dit debat opent.
Het is een blik op de hoopvolheid van de landbouw, met landbouwers die durven nadenken en wars van alles hun eigen koers varen.
Het is een begin.
Elk signaal dat de boeren speekselmedailles geeft en deuren opent voor debat, is een begin.

over de vluchtelingen

April 27th, 2016

Ik was vorige week mijn huissleutel vergeten, dacht ik.
Ik stond zeker al tien minuten te trappelen aan mijn voordeur, toen ik ontdekte dat mijn sleutel toch boven in mijn rugzak zat.
Wat een gelukzalig gevoel toen ik toch binnen kon. Ik keek een keer rond en zag plots niet meer hoeveel werk ons huis nog vraagt, maar vooral hoe graag ik hier ben. Ik keek naar onze plantjes, en de tweedehands zetel, de boeken en de grote tafel waaraan iedereen welkom is. Het is niet veel, maar genoeg om ontzettend blij te zijn met wat ik heb.

Mijn lief stond hier in onze kleine living en zei: ‘Ik ben blij om thuis te komen, echt, ik ben graag thuis.’

Een van onze dochters kust soms de voordeur als ze thuiskomt, en een andere dochter vertrouwde me toe: ‘ik lig graag in mijn bedje, met mijn knuffels en mijn deken en mijn lampje.’

Hier, op die paar vierkante meters waar wij met vijf leven, liggen de fundamenten van onze opvoeding, van wie we zijn, van hoe we naar de wereld kijken. Hier wordt gepraat, nagedacht, muziek geluisterd, samen gegeten, gediscussieerd, gedanst, gedronken, gekust, gekept en getroost.

Maar werkelijk, hoe moet het zijn om alles wat je hebt achter te laten, soms zelfs een deel van je gezin. Hoe moet het voelen om enkel je gebroed mee te nemen, op een eeuwige vlucht, niet wetend waar je terechtkomt en hoe het daar zal zijn?
We praten erover, met onze achterban, hier aan tafel. Niet altijd en niet in horrortermen, maar wel vanuit het besef dat wij zoveel luxe hebben, en zo weinig zorgen. Geen koude, geen honger en geen ziekte. Hoe sterk je ook wordt als je je eigen plek hebt, een fort om tot jezelf te komen.

Caritas International.be is op zoek naar huizen voor vluchtelingen. Vluchtelingen die erkend worden als vluchteling moeten binnen de 2 maand de opvangstructuren (die als tijdelijke structuur dienen) verlaten.

Zonder een huis en een adres ben je niks in ons land. Niks en niemand. Nabil en Fadia vluchtten uit Homs in 2012, en hebben nu een huis in Beauraing, een kleine stad in Namen. Je kunt via de link hun verhaal lezen.

Lang leve mensen die hun huizen willen verhuren aan vluchtelingen. Een huis huren is namelijk niet evident: vorig jaar hielp ik iemand die tijdelijk op zoek was naar een huis, voor haar en voor haar twee kinderen: je wilt niet weten welke criteria eigenaars toepassen voor ze een huis verhuren. Je wilt het echt niet weten: de vrouw waar ik het over heb spreekt Nederlands, werkt en kan loonfiches voorleggen, en toch werd zij niet gekozen als huurder. Of het verhaal van een kennis, die een woning zocht voor een Franstalige artiest, maar als antwoord kreeg dat ze liever Nederlandstalige huurders had.

Wat dan als je de taal niet machtig bent, geen inkomen hebt, uit oorlog komt en niemand rond je heen hebt die kan helpen?
Ik hoorde deze week op de radio hoe hulporganisaties pleiten voor een structurele aanpak van sociale huisvesting. Niet alleen voor vluchtelingen, maar voor alle mensen die om één of andere reden geen plek krijgen op de reguliere huizenmarkt.
Hoe kunnen wij vluchtelingen erkennen als vluchteling, en ze nadien gewoon laten dolen in ons land, zonder structurele houvast?

Caritas is op zoek naar huiseigenaren die wél een huis willen verhuren aan mensen die het zo hard nodig hebben. Mensen die misschien leegstand betalen omdat er toch niemand in hun huurhuis woont. Mensen die een huis hebben dat leegstaat en niet onmiddellijk van plan zijn het voor iemand anders te gebruiken. Mensen die wél aan eerlijke prijzen willen verhuren en geen torenhoge waarborgen vragen. Mensen die waarborg die eventueel via het OCMW wordt geregeld, niet erg vinden.
Ze leggen dit heel duidelijk uit op hun website. Caritas International.be helpt: zij zoeken naar een match tussen de woning en de gezinnen, en blijft ook later een contact- en informatiepunt.

Ik deel met zoveel plezier hun dringende vraag naar huizen, vanuit het diepst van mijn hart.

Omdat ik zelf getjoold heb vroeger, omdat ik een moeder van drie kinderen ben, omdat mensen uit oorlog komen en onderweg al zoveel meemaakten dat ze nood hebben aan rust, aan een thuis, aan een plek om te bekomen. Aan een adres zodat de kindjes naar school kunnen en zij onze taal kunnen leren, zodat ze barrières kunnen overwinnen en opnieuw thuis kunnen komen.

Als één iemand van jullie zich geroepen voelt, twijfel dan niet deze keer.
Op hun website vind je alle informatie, die zeer helder wordt geformuleerd.

Als we via deze weg ook maar één woning vinden, dan is een deel van hun missie geslaagd.
Maar ze hebben heel veel huizen nodig, heel veel plekken voor mensen om thuis te kunnen komen.