gelijk

June 2nd, 2020

Ik schreef er al eerder over, over hoe het leven me bij mijn nekvel en in mijn hart pakte, jaren geleden.

U moet weten, een mens, die heeft volgens mij een fundament. Elke mens, op heel de wereld.
Ooit, soms vroeg, soms laat, soms door verdriet, soms door overlevering, soms door geschiedenis, soms door ziekte, ook door liefde, familie, indrukken, huizen, eten, geuren en kleuren. Door muziek, door handen die je goed, slecht, te veel, te weinig, te vaak aanraken. Door televisie, door series, oh door boeken en soms ook eens door het eten van je grootouders, zeker als ze koekjes bakten, in mijn geval. Door de aarde waarop je leeft, het geloof dat je deelt met je ouders, of waartegen je je verzet. Door de dansen die je danst, de kinders die je zoogt en de kindertjes van anderen die rond je dwarrelen in het leven.

Dat fundament is stevig, groeit met de jaren, meestal, en het brokkelt ook soms een beetje af, en dan komt er op een andere plek weer bij. Dat is soms goed, soms kwaad, soms hard, soms zacht, gelijk de bodem waar je bij momenten op staat. Soms komt er een duw, soms heel veel kleine schokjes, en hoe heviger de duw, hoe feller de afbrokkeling, meestal, maar ook hoe groter het stuk aan de andere kant. Die duwen willen en kunnen voelen, en tijd en ruimte kunnen geven aan de groei van die stukken aan de andere kant: dat is ongetwijfeld een voorrecht.

Ik had zo een zware duw toen mijn zoontje stierf.
Ik besefte dat toen anders, minder expliciet, en ik kan er nu beter over schrijven dan ik er toen over kon voelen en praten.
(Ik kan daar nog altijd moeilijk over praten, zeker met mijn naasten, enkel met mijn kindjes en mijn lief gaat dat vrij goed).
Maar het gaat daar niet over, nu, dat verdriet is verteerd, dat heeft een plekske in mijn hart, op een schapke, en dat staat daar vrij goed.

Het gaat over de ruimte die ik kreeg om het stuk aan de andere kant te laten groeien tot wat het is.

Dat gebeurde in één van de droevigste maanden van mijn leven, in een kelder in Brussel.
Waar ik met mijn West-Vlaams amper gebeiteld fundament, dat op lossen schroeven stond door al dat verdriet, dat vol vooroordelen zat, met foute wereldbeelden, in de armen werd gesloten door zoveel Afrikaanse liefde, dat ik er altijd opnieuw warm van zal worden als ik de kelder voor mijn ogen haal.
Met een evidentie en een grenzeloosheid die mij verblufte.
Met curiositeit, dat wel, wederzijds, en veel vragen voor elkaar.

‘Ce sont les mains’, zeiden de moeders fluisterend in de kelder, het zijn de handen die je moet bekijken als iemand sterft.
Waren ze open? Verkrampt? Leek het op pijn? Leek het op slaap?
En ik knikte en ik antwoordde en ik brabbelde waarschijnlijk een beetje in mijn beste Frans dat ik meezeulde van mijn uniform-humaniora.
Ze vertelden over de dood, over de warme kant van wiegendood en hoe zij keken naar het sterven. Hoe de rug van het leven schuurt tegen de buik van de dood.
Hoe het helpt om veel te dansen, als je verdrietig bent, en veel en luid te zingen.
Terwijl ze vertelden en luisterden schudden ze kleintjes op hun rug, zoogden ze borelingen en maakten ze eten voor mij klaar.
Allemaal inéén, allemaal samen en door elkaar. Oh wat wou ik toen vaak verdwijnen in hun rokken, voor altijd en altijd.
Ze fluisterden, knepen in mijn arm, en susten me, want de kelder was vol stemmen en gelach en wij vrouwen, wij deden samenzweerderig over dat verdriet.

Daar leerde ik voor de rest van mijn leven verdriet bezweren (ik ga niet te luid roepen).
Ik leerde kijken naar het leven zoals ik het nog nooit had gevoeld en gehoord.
Ik had het wel al veel gelezen, maar het nog nooit zo geleefd.
Ons Vlaams verdriet bestond uit vreselijke begrafenissen, zwart en grijze kleren en handjesschudden aan de kerk. Het bestond uit familiaal gezucht omdat mijn grootmoeder zo leed onder de dood van haar achterkleinkind. Het bestond uit heel veel niet, en meestal niet uit verdriet.
Hoe mijn Afrikaanse vrienden keken naar dat verdriet en dat als een loodzwaar gekleurd pakje emballeerden zodat mijn hart er tegen kon, en mijn hoofd bestand was tegen de schokken die het verlies veroorzaakte: dat was hoe ik het verdriet plots kon zien. Door een bril die niet van mij was, door een hart dat mijn vriendin aan mij leende in zulke zware tijden.

Het zijn die verschillen, die ik wil blijven voelen, en we zouden dat moeten proberen, allemaal, om finaal eens die bril van ons privilege af te zetten, om eens anders naar de wereld te kijken.
Dat ik dat wil en kan voelen is mijn privilege die spreekt, ik weet dat.Ik moet dus zwijgen. En luisteren. En nederig zijn.
Ik snap gewoon niet waarom het zo ingewikkeld en moeizaam is om onze eigen bril af te zetten, ons hoofd eens deels uit te schakelen, en dingen anders te zien en te voelen.

En daarom volstaan regenboogkleuren niet, en mismakende K3huppels ook niet (luister eens hoe erg dat liedje is, en hoe ik mij nu verslik als ik denk hoeveel keer mijn dochter daarop danste, wtf)
Daarom is het moeilijk en pijnlijk en lastig als witte mensen zichzelf afbeelden in verschillende kleuren. Dat is goedbedoeld, maar we zijn niet gelijk.
Denken wij nu echt dat Afrikanen en Afro-Amerikanen daar een boodschap aan hebben, dat wij een kleurtje plakken over ons Westerse bestaan?
We mogen en moeten kijken naar kleur, omdat dat één laag is van hoe anders black people zijn. Eén enkele laag van alle mogelijke lagen van hun menszijn, waar zij zo ontzettend vaak worden op afgerekend: niet enkel individueel, niet enkel openlijk, maar systemisch, verborgen, ingebakken in onze overheersende neigingen elke keer opnieuw. Alsof dat een schande is, de kleur waarmee je bent geboren. Eén laag, die vol trotsheid zit, en die door onze blik zoveel lagen tenietdoet, daardoor. Alsof dat over één homogene groep gaat, bemerk ik vaak in discussies, één groep met één kleur. Dat is toch zielig van ons, om dat te denken? Dat wij dat niet zien, en ons weeral geschoffeerd voelen nu, dat is net het probleem: wij maken daar -again- onze verontwaardiging van. Wij kantelen dat weeral naar onszelf, naar hoe onze bril staat.

Verdorie toch, zeg ik soms, hoe komt het toch dat dat zo moeilijk is, voor ons?

Uitspraken zoals ‘we zijn allemaal gelijk, voor mij tellen kleuren niet’ zijn daarom zo pijnlijk. Ik heb daar begrip voor, ik wéét waar dat vandaan komt, maar we zullen het beter moeten doen.
We moeten niet alleen proberen, we moeten ons in bochten wringen om het veel veel beter te doen.
Strijd, dat is pijnlijk.
Strijd, dat doet zeer en dat wringt en dat duwt en dat verloopt niet gelijk een namiddagje shoppen in Brussel he.
Dat is ook niet een keer een gedroogde vis kopen in de Afrikaanse winkel.
Cherrypicking enal (en ik maak me schuldig daaraan, met mijn verhaal, en ik heb het tien keer herschreven en ik zal waarschijnlijk wel honderd dingen fout hebben gezegd, maar dan is dat maar zo. En dat ga ik daaruit leren. En luisteren. Want ik ben niet diegene die onderdrukt wordt. Dus ik moet eigenlijk zwijgen, als hier iets over te zeggen valt, maar ik voel hoe jullie hoofden zoeken en hoe moeilijk het is. Ik lees het in de berichten, in de vriendelijke en lieve berichten die ik krijg van mensen die ik niet ken en die vragen ‘Hoe moet ik denken, wat doe ik verkeerd?’)

We zijn verschillend, en het zijn al die verschillen die samen moeten kunnen staan. Naast elkaar. Niet onder of boven elkaar.
En zoals de blacks al eeuwen dat fundament van kolonisatie en onderdrukking met zich meezeulen, en de lasten die zij elke dag ondervinden, ewel, wij zullen ook een keer iets moeten voelen. Van hoe het niet moet. Wij zijn diegenen die nu moeten strijden voor hen, vind ik, voor de eindeloze strijd die zij al zo lang voeren.

We zullen schone verschillen hebben en moeilijke ook. Harde en zachte. Allemaal verschillende manieren waarop we geloof beleven, dansen, zingen, naar het huwelijk kijken. Hoe we kinderen kweken, en hoe we ze elders anders kweken. Hoe we eten en wat we eten en wanneer we eten en waarom we eten en hoe we ons geld spenderen en of we werken of net niet.
En net omdat we die verschillen moete leren zien, moeten we de heterogeniteit van de groep leren kennen, en niet altijd diezelfde gemeenschappelijke kleur, waardoor alle verschillen verdwijnen.
Zal elke Afro-Amerikaan dezelfde gevoelens hebben? Heeft het daarom zin om af te komen met het antwoord van één gekleurde mens om je statement te maken?
Natuurlijk niet. Die gedachte alleen al is elitair. Delen jullie gedachtengoed met Dries Van Langenhove?
Ik dacht het niet. Zeggen dat iedereen gelijk is, is.niet.juist.

Verdorie toch. Maak de oefening bij jezelf. Bevraag het onderwijs van je kinderen. Lees boeken die de wereld anders zien. Luister vooral als black people spreken. Stop die vooringenomenheid en luister nu toch eens. Stuur me maar, argumenteer, geef weerwerk en ga in discussie.
Ook met de mensen die je graag ziet.
Echt.
Ook als het ongemakkelijk is, ook als je op je donder krijgt.
Go. Go. Go.

over naast elkaar staan

May 30th, 2020

We zaten samen op de dorpel van het appartement dat mijn lief ik en huurden.
Hij kwam gewoon op bezoek en zat naast me, we dronken een pintje.

‘T’es fort, tu sais, en schoon ook,’ zei ik, en hij lachte zoals alleen hij dat kan. Gulzig, luid en vol overgave.

Onze gemeenschappelijke taal bestond uit Frans, Nederlands en veel lichamelijkheid.
Hij gelooft in God, en ik niet.
Hij maakt zich geen zorgen over een toekomst, ik doe op dat moment niet anders.
‘Ge zult zot worden, Marie, vraiment.’
Ik probeerde dan uit te leggen waarom ik niet kon stoppen met piekeren.
Hij sloeg zijn armen rond mijn schouder en zei dat alles altijd goed zou komen.
Ik geloofde hem niet, maar zijn armen waren sterker dan mijn ongeloof, oh Moussa, wat deed hij mijn ziel en hoofd deugd.

Tientallen keren ging hij mee met mij, op boodschappen, naar de Post, naar de onthaalmama om mijn zoon. Hij was toen mijn compagnon de route, toen. In het jaar 1998, in Gent.
Nachten hebben we gediscussieerd: over God, over vrouwen, over Afrika, over zijn cultuur en die van ons. Hij met zijn rugzak, ik met de mijne. Zijn ooggerol toen we gingen kajakken in de Ardennen en ik zei dat dat supergezellig was en we uiteindelijk in een luide cafetaria tussen duizend toeristen zaten te verstikken.
Al die avonden, luid, vol onbegrip en met begrip voor elkaar bij momenten, maar toch altijd met veel luisterbereidheid en veel veel humor. Humor die soms veel te pijnlijk was, denk ik nu, om jezelf te kunnen laten overleven.
Elke keer eindigde het in een schaterlach en een omhelzing van jewelste.

Hoeveel keer werd ik aangesproken, door wildvreemden, of alles wel ok was, toen hij naast me liep? Hoeveel keer haalden mensen (goedbedoeld) een infantiele taal naar boven, toen hij bij mij was?
Hoeveel keer keken mensen precies door hem heen, alsof ik het alleen voor het zeggen had? Een terrasje en ze vroegen enkel aan mij wat ik wou drinken. Kennissen die zwaaiden naar mij en deden alsof hij niet bestond. De ongemakkelijkheid als ik hem ergens mee naartoe nam, jongens toch. De voorwaardelijkheid. Met véél terughoudendheid, geen enkele mogelijkheid om ook maar te falen, want neen ‘je bent pas goed als je werkt’. Mantra mantra. Huizenzoektocht. There we go again. Niet altijd he, laat dat duidelijk zijn, maar wel veel.

En ik maar kwaad worden. Foeteren op heel de wereld. Luid roepen dat hij mijn fucking vriend was en dat ik verdriet had in zijn plaats. Dat ik woede en onmacht voelde, en wanhoop, allemaal in zijn plaats. Dat ik het wel eens zou zeggen, aan iedereen. En hoe hij dat kalmeerde, suste en zei dat ik dat me dat allemaal niet zo erg moest aantrekken. Hij lachte toen ook, en plots zag ik waar die heerlijke verrukkelijke lach ook uit bestond: uit verdriet. Uit de gewoonte om dat een plek te kunnen geven. Om te proberen om hierin te overleven. Het is niet omdat hij het een plek kon geven, dat het te verdedigen valt, vind ik nu. Het is niet omdat hij mij op dat moment suste, dat dat gedrag goed te spreken valt.
Want dat is vaak wat ik hoor: ‘Maar sommige van hen kunnen daar ook mee lachen en dat een plek geven hoor. Niet iederéén heeft het daar lastig mee.’ Daar gaat het zelfs niet om, vind ik nu. Ik kon dat toen minder goed verwoorden, en dacht dat dat een individualistische beslissing was, en dat ik die kon doortrekken naar hoe Afrikanen de wereld ervaren. Dat is niet correct, ik weet dat nu, en we moeten dat durven benoemen. We moeten dat analyseren om dat later beter te kunnen doen. Niet in Amerika (daar is het anders en uitgesprokener en verschrikkelijk), maar hier, in ons eigen land, in onze eigen gezinnen.

Ik heb toen, als 18jarige, een diepe vriendschap meegemaakt.
Een vriendschap waarin onze verschillen groot waren, maar onze basis nog veel groter.
Ik zou duizend dingen anders doen en zeggen nu, want ik kon toen wel wat roepen om onrecht (het delen van berichten en het liken van zaken bestond amper), ik kende veel te weinig de zware druk van racisme op maatschappelijk vlak. De ingebakken vooroordelen, de mechanismes die we verworven door de eeuw heen, bijna ingebakken in onze genen. Me niet bewust van de foute percepties die ik toen over hem en zijn land had. Allemaal goedbedoeld, maar jongens toch, met goedbedoeld alleen komen we niet ver.
Los daarvan: die vriendschap is één van de hoekstenen van mijn menszijn, omdat ze, ondanks alles, zo puur was. En omdat ik toen ervaren heb dat ik zijn menszijn niet exotisch vond, gewoon anders.

Dat hij naast me stond, met zijn hand dikwijls eens in de mijne, helegans op hetzelfde niveau als mij: 2 mensen naast elkaar. Niet meer en minder.
Die vriendschap heeft mijn blik bepaald, later, in discussies, in visies, mijn houding op belangrijke momenten in mijn leven.
Die vriendschap bracht me ook in één beweging bij mijn volgend verhaal, dat voor morgen:

‘Il faut que tu rencontres mes amis, Marie.’

(Ik denk heel erg vaak terug aan hem (we geraakten elkaar zo verschrikkelijk stom kwijt: ik heb nog altijd een briefje met zijn telefoonnummer, dat ondertussen enkel nog uit een antwoordapparaat bestaat, waarop hij zijn nieuw nummer inspreekt en IK KAN HET NIET VERSTAAN en ondertussen is dat antwoordapparaat verdwenen, aaargghhh)

Ik ben niet het type mens dat iemand anders zal verplichten om iets te lezen.
Ik ben zelf een groot lezer, en zonder de werelden uit de boeken die ik lees, zou ik al duizend keer gestorven hebben, maar ik heb weinig drang om een ander daarvan te overtuigen.
Dacht ik.

Mijn dochters zijn met 3 en één van hen is ook een lezer.
Een lezer die van zichzelf zegt dat ze niet echt een lezer is, die niet naar de bibliotheek wil, maar toch boeken in een oogopslag uitleest. Die dagen verzonken kan zijn in literatuur, als ze niet op TicToc bezig is.

Ik heb vroeger veel onderzoek gedaan naar leesonderwijs en het belang daarvan.
Ik ken de voordelen, onderstreep het belang van het aanreiken van een wereld waarin lezen laagdrempelig wordt.
Ik ken de stimulansen, kan vrij goed inschatten wat mijn dochters of lief graag zouden lezen en heel af en toe kan ik eens piepen ‘je zou dat moeten lezen, jong, hoe kan het nu dat je dat niet gelezen hebt? Je moet het echt eens lezen jong’.

Voor de rest doe ik daar weinig mee: ik vond dat niet jammer: de ene leest veel, de andere niet. Maar ze verdiepen zich allemaal wel. De ene snuistert in kookboeken, de andere verslindt romans. Mijn lief is bezig in een ingewikkeld boek waarvoor hij ook een laptop nodig heeft en waarvan ik elke keer opnieuw de titel en het doel vergeet. Mijn dochter leest momenteel alle instructies van Scouts en Gidsen Vlaanderen omtrent de kampen die ze moeten organiseren en onze kleinste vlegel is een vogelfan die leest hoe je vogels tam kan maken.

Wat ik wel hoe langer hoe meer besef, is dat lezen een hulp kan zijn om je te vormen. Om andere perspectieven te zien, om van je Grote Gelijk af te stappen. Om een stap opzij te zetten, en écht te kijken naar een situatie. En als je niet leest, dat je dan moet praten, en luisteren, naar muziek, naar inspirerende mensen, naar teksten, naar podcasts. Om je blik te verruimen, om dat écht te doen en niet te denken dat je je horizon verbreedt door couscous klaar te maken. Door te luisteren naar slachtoffers, naar hoe zij de dingen aanvoelen, naar mensen die aan de andere kant van het spectrum staan en ook dingen te vertellen hebben. Over de waarheid die zij kennen, de ervaringen die zij hebben, de dagelijkse moeilijkheden die zij ervaren.

Waarom ik dat kader?
Wel, hierom.

Deze week had ik een pittige discussie, online, met een man uit mijn geboortedorp. Ik ken hem zelf niet, maar het gesprek ging over het Vlaams Belang.
Over waarom je rechts stemt. Over waarom je zoveel haat voelt voor mensen die je niet kent, enkel van horen zeggen. Over Molenbeek, altijd altijd over Molenbeek.
Dat is een gemakkelijk verhaal, het verhaal van Molenbeek. Maar wel wat pijnlijk.
Het is alsof Molenbeek over één mens gaat, en die ene mens verantwoordelijk is voor een ganse wereldbevolking. Een gemakkelijk slachtoffer om te haten, feitelijk. Om zelf niet meer te moeten nadenken, om het zelf altijd goed te doen, om te kunnen vingerwijzen en te kunnen verkondigen dat mensen ‘terug moeten naar hun eigen land’. Zonder privileges te erkennen, zonder achtergrond en duiding te zoeken en te vinden, zonder argumenten, zonder enige vorm van rede. Ik probeer mijn kwaadheid (wanhoop?) te onderdrukken en leg uit waarom ik dat zo jammer vind, dat hij zo reageert. Dat ik wil weten waarom hij die zinnen typt, hoe hij staat tegenover beeldmateriaal dat wordt gedeeld door Vlaams Belang Kortrijk en hoe zij hiervoor foute en gedateerde foto’s gebruiken, om mensen in diskrediet te brengen. Dat ik gewoon wil weten waarom hij dat wil verdedigen.

Zijn antwoord op mijn betoog was: ‘als ik een boek wil lezen ga ik wel langs in de bibliotheek! Toch bedankt ;-).

Ik was enigszins gerustgesteld, dan werd ik boos, dan bang en dan teleurgesteld. Dan nog een hele hoop emoties die ik niet echt kan benoemen.
Ik was gerustgesteld omdat hij geen argumenten vond die ik zou moeten overwegen en die zijn haat of kwaadheid zouden staven (buiten Molenbeek, uiteraard, het stokpaardje van VB)
Ik werd niet boos op hem (al vind ik het jammer dat ik die discussie niet kan voeren, en vind ik het jammer voor hem dat hij dan maar zwaait met een Vlaamse Leeuw en heult met Dries, zonder ook maar één duidelijk argument. Of neen, Molenbeek, ja, dat wel)
Ik werd wel boos over het feit dat die waanbeelden en die problemen zo erg ongenuanceerd en uitvergroot in zijn hoofd leven, alsof dàt de reden van zijn frustratie is, datgene wat zijn wereldbeeld bepaalt.
Ik werd niet bang van hem (Ik heb wat medelijden met zijn wereldbeeld, dat zo beperkt is dat mijn hersenen ervan kraken. Zie je je zitten, als gezin, aan tafel, foeteren over alle profiteurs, uit, je raadt het al, Molenbeek?)
Ik werd wel bang van het gemak waarmee hij de pertinente leugens van Dries omarmt, de onwaarheden negeert om, je raadt het opnieuw, te wijzen naar Molenbeek en te wapperen met een vlag.
Ik was teleurgesteld, door zijn gedrag. Door het feit dat hij afhaakt als mijn tekst uit meer dan 3 zinnen bestaat en hij daarmee literatuur belachelijk maakt. Door het feit dat hij mijn vragen, mijn zoektocht naar waarheid in deze materie; mijn humane schets, zoveel oneer aandeed. Door het woord wereldverbeteraar en communist is zijn betoog aan te voeren, alsof de wereld willen verbeteren een schande zou zijn.
Finaal was ik verdrietig.
Verdrietig om het gemak waarmee het VB ingang kan vinden in hoofden van gewone mensen.
Niet hun visie op economie, maar hun visie op mensen.

Hun oordeel over andere mensen. Over het ‘zijn’ van andere mensen.

Toen stierf George Floyd.

Toen zag mijn dochter een film van zijn dood en ze beschreef haar gevoel (zonder dat we ook maar één zin hadden uitgewisseld over dit zinloos gruwelijk geweld) zo: ‘Ik begon zo te beven en te wenen, en het leek alsof je een examen was vergeten te maken, mama, dat gevoel’

We zaten aan tafel, toen ze dat vertelde, en we gaven duiding en hadden het over racisme en hoe dat werkt, institutioneel racisme. Hoe verdoken dat ook hier pertinent aanwezig is, hoe moeizaam die strijd vordert, en vooral: hoe extreem, duizelingwekkend, urgent en smachtend belangrijk het is dat wij deze strijd aangaan. Wij, de blanken, die ontzettend weinig recht van spreken hebben, en moeten luisteren naar wat de Afrikaanse en de Afro-Amerikaanse wereld hierover te zeggen heeft. Dat wij niet beseffen hoe diep racisme ingebakken zit in ons systeem, en waarbij de rel rond Zwarte Piet maar een klein deel van het probleem is.

Wij hebben niet zoveel vastgelegde waarden in ons ouderschap, mijn lief en ik, en wij zien de druk van de maatschappij op ouders elke dag passeren.
Maar wij willen wél kinders kweken die durven nadenken.
Over dik zijn. Over transgender zijn. Over seks. Over dun zijn. Over een eetstoornis hebben. Over racisme. Over vooroordelen. Over economie. Over het klimaat.
Kinderen die weten wat een maatschappelijk kader is.
Die inzien dat alles (niet alles, veel, dat bedoel ik, heel veel) in een maatschappelijke context gebeurt: je inzichten, je houding, je visie, je argumentering, je geloof: veel. Heel veel dus. Dat je mening veel minder individueel is dan je zou denken. Dat onze context maar één van de vele op de wereld is, onze waarheden slechts een deel van de waarheid in het algemeen. Dat ik mezelf bijna dagelijks betrap op vooringenomenheid als het over een ander ras gaat. Dat ik mijn mening herzie, door de jaren, en dat mijn lief dat ook doet. Dat dat ok is, en dat dat verrijkend is, en dat we elke dag moeten streven naar een humaner beeld, elke elke dag. Dat het wél belangrijk is om te lezen, en niet op basis van 4 artikels te oordelen over andere rassen. Ons buikgevoel is verkeerd, compleet verkeerd, en lezen en luisteren naar mensen die studies hebben verricht, die in het veld staan, is daarom van extreem belang.

Dat ‘maar de vrouw van mijn beste vriend is een Afrikaanse dus ik ben zeker geen racist’ bullshit is. ‘Samenwerken met Polen’ betekent niet dat je geen racist bent.
‘Ik heb lang gevoetbald en er zaten 2 Marokkanen in mijn ploeg en ik had ook geen miserie met hen.’
‘Ja, maar dat was een goeden, hoor, die had zich aangepast.’
‘Er woont hier nu een Afrikaan in de straat, ’t is een werker hoor, hij is graag gezien.’
‘Ik zeg niet zwarte, ik zeg bruine.’
‘Ze zijn anders, je kan dat niet ontkennen, maar ja, dat wil niet zeggen dat ze niet goed zijn he, er zitten zeker veel goede tussen.’
‘Maar mijn vriendin is zwart en zij vindt ook dat er hier geen racisme is.’
‘ Sorry, maar Zwarte Piet behoort tot onze waarden en normen, daar blijven ze af.’
‘ Op den duur mogen wij niks meer zeggen.’

Ik kan blijven doorgaan. Over de dingen die ik zelf zeg, de uitspraken die ik hoor van anderen. De angsten die doorschemeren in de gesprekken van mensen die ik graag zie en die toch kwaad of bang zijn op Afrikanen. De redeneringen die op niets slaan. De aandacht die wordt afgeleid naar ander onrecht, zodat we zouden vergeten dat dat onrecht nog altijd bestaat. Heel erg actueel.

Ik ga wat verhalen delen, vanaf morgen.

Uit mijn eigen leven.

Verhalen over de Afrikaanse mensen in mijn eigen leven. Drie gouden mensen, 3 fundamenten die heel veel hebben betekend in de vorming van mijn menszijn.
Eén van mijn kindervriendin, Louiza.
Eén van mijn jeugdvriend, Moussa.
Eén van mijn vriendin toen ik mijn zoon verloor, Mugatte.

Voor mijn kindertjes, van wie één deze middag vroeg, in ons verdrietig gesprek over wat er is gebeurd, ‘mama, gaan we hier nog wat over discussiëren, alstublieft?’
Voor jullie, in de hoop dat één iemand die hier weinig over weet, na afloop ook een beetje durft kijken en nadenken over haar of zijn eigen gedrag.
Voor mijn collega, die bij de geboorte van haar zoontje opgelucht was dat zijn huid bleker is dan die van zijn Afro-Amerikaanse papa.

Ik kan mijn kinderen weinig materieels meegeven, vind ik, maar wel dit.
Je eigen gedrag in vraag stellen, als dat nodig is, en veranderen, als dat nodig is, zodat andere mensen menswaardig en evenwaardig kunnen leven op deze wereld.

We kunnen al dat racisme niet doodzwijgen.
We zijn dat aan onszelf verplicht, aan onze kinderen.
We kunnen ons er niet vanaf maken door te zeggen ‘maar ik ben geen racist’, want dat is onwetendheid en arrogantie. We hebben geen plicht om veel speelgoed te kopen, om ze de duurste kleren aan te trekken en feestjes te organiseren alsof ze gaan trouwen, maar wel een humane plicht om racisme te veroordelen en bij onszelf aan te pakken.

Het wordt een lange pijnlijke weg, vol bochten en zeer,
maar we zijn dat aan onszelf verplicht.

wensen dan he

December 27th, 2019

Ik doe mijn best om hier minstens een paar keer per jaar te komen, en al zeker voor Kerstmis voor de deur staat.
Niet gelukt dit jaar, andere prioriteiten in het echt.
In mijn hoofd was ik hier al even, denkend over hoe ik zou omschrijven wat ik zou willen zeggen.

Vroeger wikte en woog ik meer toen ik hier kwam.
Hield ik het gezellig, en over de kindekes en het schoons in de wereld, oh wat was dat hier kneuterig en lieflijk, bij momenten.

Zo ziet het er meestal nog altijd uit in mijn hoofd: schoon en warm en vol kleine gelukjes en pracht in het alledaagse waarvan ik minstens één keer per uur denk ‘oh wat is het hier een gezellige wereld’.
Waar de barstjes en de breuken vroeger bedolven werden door liefde, blijken ze wat groter en wat moeilijker onder controle te houden dan vroeger. De liefde is nog altijd schoon zulle, en diep en onvoorwaardelijk en gezellig, maar de wereld duwt en wringt en ze is sterk bij momenten.

Nu mijn kindertjes minder borst en armen en badjes nodig hebben van mij, maar op zichzelf echte zelfstandige mensen worden, krijg ik weer wat ruimte (haha, i wish) om me bij te lezen. Geen uren per dag, maar toch minstens 20 minuten per etmaal, tussen de soep en de patatten.

Ik lees over de kinderen op Lesbos, over de gevluchte mensen, die niet weg noch weer kunnen en die momenteel de schandvlek van Europa vormen. Een humanitaire ramp, hier, op het continent waar ik woon, waar ik stem als Europeaan, waar politiek voor mijn een klucht is geworden. Over postjes en ego en veel geld verdienen en zeggen dat ‘iedereen een beetje zal moeten besparen’. Kinderen en

Ik lees over zelfzorg en ik denk terug aan 2017, het jaar dat ons emotioneel, en mijn lief fysiek onderuithaalde.
Ik word terug gekatapulteerd naar de avond van zijn eerste chemo, toen hij in de kliniek moest blijven slapen en ik op een blaadje allerlei richtlijnen had over hoe hij moest plassen op een ander toilet als dat kon, en hoe zijn was het best apart kan worden gesorteerd als hij echt ziek werd. Hoe ik nog snel een emmer met deksel bestelde bij Marc van de FrancoBelge en een houder voor een waszak en toen ik doodop thuiskwam na een werkdag en de boodschappen en en en, vaststelde dat ons huis niet op orde lag en ik eigenlijk die avond nog moest kuisen zodat het proper zou zijn als hij thuiskwam en ik amper nog mijn hoofd en benen voelde. Toen kreeg ik een bericht van iemand die dat ongetwijfeld ontzettend goed bedoelde, maar zei ‘dat ik goed voor mezelf moest zorgen’.
Hahaha.
Wat een klucht was dat.
Jan doodziek, de kindjes vol emoties, een job, een huishouden, mijn eigen angst en verdriet op dat moment, zelfzorg: haha.
Zorg zou vanuit een maatschappij moeten komen, structureel, voor iedereen die de zorg nodig heeft op dat moment.
Ik had chance dat mijn baas zo begripvol reageerde, dat ik mocht schuiven met mijn uren en hij daar elke keer helemaal akkoord mee ging. Zonder dat begrip was ik verdronken, net op het moment dat ik niet kon en mocht verdrinken.
(Het kwam wel goed hoor, door de zorg die ik van anderen kreeg, niet door zelfzorg. Mijn vrienden en vriendinnen kookten voor ons, namen de zorg voor de kindekes over en we maakten zelf met ons 2 een fantastische reis na de hele behandeling, die tot op heden goed aanslaat, btw)

Ik lees veel, heel veel, over racisme, en hoe venijnig die onze wereld binnensluipt, en ik hoor met een heel droef hart hoe zelfs mensen van wie ik hou een zeer racistisch denkpatroon aan het ontwikkelen zijn. Gebaseerd op gif van de media, geïsoleerde gevallen waarin er toevallig een allochtoon in betrokken is. Mensen die denken op titelniveau, gebaseerd op links gedeeld op Facebook. Niet gefundeerd, niet vanuit een humaan wereldbeeld, maar vanuit een ideologie die er geen is.

Niet reageren is ook een mening hebben, denk ik alsmaar vaker.
Zeggen ‘ik doe niet mee aan die discussie’ is laf, denk ik alsmaar meer.
Denkbeelden laten woekeren en er niks aan doen is laf, voel ik meer en meer in mijn hart.
Keuzes maken om niemand te schofferen en jezelf wegsteken achter de vuilste zin van 2019 ‘Ik ben geen racist, maar…’, getuigt van een keuze die je wel maakt, maar dan één waarvoor je te laf of te onwetend of te lui bent om ervoor uit te komen. Om je mening te vormen, om ethisch om te gaan met je opgebouwde denkbeelden.

Gelijkwaardigheid is geen leuk paar schoenen dat je bij Zalando bestelt, het is menens. Het is werken en nadenken over de manier waarop je perceptie is opgebouwd.
Je inlezen in racisme is een opdracht, een plicht voor mij als Westerling om mijn denken te veranderen, ook al denk ik van mezelf vaak dat ik het best goed doe: het kan altijd beter. Het is lezen hoe veel AfroAmerikanen het ervaren, hoe Afrika voelt en leeft en niet hoe wij denken dat het moet in hun eigen land.
Praten met mijn kinderen hierover is mijn taak als ouder: hen een humaan en breed wereldbeeld proberen te bieden, met ruimte voor wie ze zijn en sturing waar hun wereldbeeld wordt gestuurd door de Blanke Man. Ik moet het niet ver zoeken, mijn 20jarige dochter had het plots over onze traditie toen het over Zwarte Piet ging. Werk aan de winkel, hier in huis. Want zo gaat dat: kinderen en jonge volwassenen lezen een goed onderbouwd stuk met een foute inhoud, en hup: ze hebben plots een traditie die niet verder reikt dan hun eigen navel.
Dat tradities veranderen. Dat tradities niet altijd schoon ontstaan. Dat zij dan wel niet bang is van Zwarte Piet, maar dat we kritisch mogen kijken naar een traditie gebed in ons koloniaal gedachtegoed. Dat ze gerust mag lezen over dit onderwerp, als ze dat wilt.
Zo gaat dat he, als je een ouder bent.

Ik wens je dat.
Een blik vol mededogen op mensen die op de vlucht zijn.
Zorg waarmee je iemand anders even kan verlichten, of dat je die zorg mag krijgen als je hem zelf nodig hebt.
Tijd en ruimte om je in te lezen in een onderwerp waarvan je denkt dat je weet hoe het zit, maar dat je toch de moed hebt om er verder en grondiger en meer over te lezen. Bij mij is dat racisme, maar dat kan over zoveel zaken gaan, amai nog niet.

Voor de rest: dat je gespaard mag blijven van ziekte of sterfte of ongevallen.
Dat je teveel kroketjes kan eten en dat je nadien kunt neerploffen in de zetel die je thuis doet voelen.
Dat je wat mensen hebt om vast te pakken, zo nu en dan, en een oor dat eens luistert als het nodig is.

***

maatschappelijk zeer

November 21st, 2019

‘Ik haat mannen’.

Het was een uitspraak van mijn twaalfjarige dochter, zo op een doordeweekse avond aan de eettafel.

‘Euhm’, polste ik voorzichtig, ‘wat bedoel je?’

‘Niet de mannen die ik ken he, maar de mannen in het algemeen, mama.’

Er ontstond een levendig gesprek waarin zij mondjesmaat probeerde te zeggen wat ze voelde. Na een halfuur werd haar uitspraak genuanceerd, maar zij legde kinderlijk een vinger op de wonde door tal van voorbeelden aan te halen die haar verontwaardiging hadden gevoed.
‘De meester van turnen he, ik dacht dat dat een toffen was, maar die zegt dat mannen fysiek sterker zijn dan vrouwen’
Ze haalde nog een aantal situaties is, u welbekend, die wel al eens de revue zijn gepasseerd (‘als een meisje een goal maakt krijgt ze dubbele punten, what the fuck, mama’)

We kwamen er samen uit: het ging niet over haat, maar over zware verontwaardiging waar zij geen gelijkwaardigheid voelt.
Soms terecht, soms zwart-wit, soms moeilijk te volgen voor mij (maar wie ben ik). Ik heb haar blik dan wel een beetje gedraaid, die avond, naar de vele mannen die ik ken, die worstelen met het evenwicht (waarop zij aanhaalt dat vrouwen altijd moeten zoeken naar een evenwicht). Naar mijn grootvader, die mijn grootmoeder vroeger veel bij stond in het huishouden, ook ‘s nachts, en ook allemaal met een evidentie als mijn eigen lief dat doet. Tja, denk ik nu na het gesprek soms, het was toch niet eerlijk want veel kansen kreeg mijn grootmoedertje niet: 9 kinderen opkweken en voornamelijk in uw eigen huis leven tussen luiers, doeken, kinders en de keuken: een mens zou voor minder willen gaan werken. Dàt was de evidentie, dat moederen, de hulp van mijn grootvader was goodwill (ook al zag hij dat als een evidentie).

Ik voel hoe de lessen zedenleer onder haar huid kruipen. Hoe ze leert nuanceren, voorbeelden zoekt, verbanden legt en af en toe eens kirrend thuiskomt met de melding ‘dat ze echt leren denken in zedenleer’.

Een paar dagen later ging het aan tafel over racisme. Over het zwartwit-denkbeeld van een racist.
Ze haalde een tijdje geleden zelf het voorbeeld aan van die keer dat ze met haar grootmoeder (mijn schoonmama, ze is 83) over straat liep in Ieper, en dat ze naar de andere kant van de straat trokken toen er moslims passeerden. ‘Raar volk’, had mijn schoonmama gezegd.
Ik haalde het voorbeeld aan in de discussie om haar te tonen hoe dat er in het echt uitziet: angst.
Ze veegde het weg en zei ‘maar mama, dat is moedertje, ik weet dat zij dat zo niet bedoelt’.
Natuurlijk bedoelt mijn schoonmoedertje dat niet zo, ik ken haar nu al lang genoeg om te weten wie zij is, en om te weten hoe zij denkt, maar toch.
Dat is hoe zij als 83jarige de wereld blijkbaar ziet: vol angst.
Angst die haar compleet is aangepraat (door de krant het meest, vermoed ik, en door de passanten in haar leven in het rustige Ieper, waar ze blijkbaar ontzettend bang moeten zijn), die op niets stoelt, en die geen reden heeft. Op geen enkel moment is zij, noch iemand van onze familie, in welke zin dan ook, in aanraking gekomen met een feit of een gebeurtenis die dat zouden kunnen verklaren. Geen enkele keer.

Ik snap dat niet, dacht ik. Ik snap dat echt niet.

Maar ik snap het wel, bedacht ik mij later, toen ik verder met mijn dochtertje sprak over racisme.

Zo gaat dat dus.
Zo snel kun je van een mens een angstige haas maken.
Een zwart-gele folder voor de verkiezingen, een artikel in de krant waarbij een moslim is betrokken, een onverlaat die een uitspraak doet met gebalde vuisten, en hup: bang.
angst.
onuitgesproken gekweekte emoties die je doen vluchten naar politiek die je belooft dat ze voor jou zullen zorgen.
weer angst.
weer een faits divers.

De Polen pakken ons werk af. (ocharm, als het uitkomt dealen ze drugs aan het kruispunt, en ze drinken ook veel te veel, met hun chique villa’s in hun thuisland, tsss)
De moslims onze vrijheid.
De zieken en de werklozen ons geld.
De moslims ook nog onze huizen.
De Afrikanen onze cultuur (laat me niet lachen, laat me echt niet lachen).

Angst.
Ik wil niet dat mijn kinderen angsthazen zijn, noch dat ze zich zo gedragen. De angst die we moeten voelen zit elders, deesdaags.

Ik wil dat ze leren nadenken. Dat ze empathisch leren redeneren. Dat ze invalshoeken zoeken, en tegenvoorbeelden, om te kaderen wat ze willen zeggen, en vooral: om te leren uit wat ze voelen en denken. Dat ze durven kijken naar zichzelf, ook, en toegeven dat ze het mis hadden, zonder dat ze daarvoor op hun bek gaan. Ik wil dat ze kritisch durven zijn, dat ze kunst leren kennen (die niet wordt opgelegd of in een keurslijf wordt verstrakt), dat ze humaan zijn, en kunnen opkomen voor wie het minder goed heeft (en in dialoog kunnen gaan met wie het beter heeft, dat vooral ook). Dat ze voelen terwijl ze leven, en dat ze dit alles niet als evidentie ervaren, maar altijd zoekende blijven naar beter. Ik wil dat ze ingaan tegen ridicule angst, dat ze kunnen discussiëren met hun grootmoeders, en kunnen zeggen dat ze hun groepswerk doen met een moslim en dat die moslim toevallig een moslim is maar vooral een heel goede vriendin, die de eerste maanden in het middelbaar draaglijker heeft gemaakt. Ik wil dat ze kan vertellen over hoe welkom ze was in dat huis, toen ze samen groepswerk moesten maken en dat ze zich pas na mijn vraag (‘Denk je dat Arife moslim is?’) afvroeg of dat mogelijks zo zou zijn. Ik wil dat zij later niet die belachelijke vraag stelt die ik haar heb gesteld. Ik zou eigenlijk willen dat ze helemaal niks moet duiden, dat dat gewoon een evidentie is.

We gaan dat niet fiksen als we niet gaan babbelen met onze kinders he.
We zullen daar niet voor kunnen zorgen als we niet samen aan tafel eten en van mening verschillen. We moeten niet onze maatschappelijke plicht afwentelen op het onderwijs alleen he.
We zullen ze moeten begeleiden, die kinders van ons. Het zal kraken en schuren en zeer doen, maar welke omkanteling doet er nu ook geen zeer?
Groei is ook altijd een beetje afzien he.

Maar het is boeiend, dat ook. Zien hoe je kinderen dingen in vraag stellen, ook als het over henzelf gaat.
Counteren, en sturen en tegensturen en sussen en een keer roepen af en toe.

We zullen het zelf moeten doen, he.

Dat die angst verdwijnt en dat we echt leren samenleven met elkaar.

over buren en blablabla

June 21st, 2019

Ik schreef 3 jaar geleden dit.

Als ik het nu herlees denk ik:
‘ Man toen was het blijkbaar ook al zo luid ‘
‘ Man zo onbevangen dat ik was ‘
‘ Ik wil nog altijd dat mijn kinderen open in de wereld staan ‘
‘ Mijn hart bloedt nog altijd als ik zie hoe sommige kinderen door het leven moeten ‘

Het verhaal kende geen goede afloop.
Echt helemaal geen goede afloop.

De buren zijn nog steeds onze buren, het lawaai is verveelvoudigd (met een versterkte karaoke aan onze gemeenschappelijke muur) en de spanning is ten top gedreven.

Het is geen verhaal waarin jullie nood hebben aan details, ze zijn toch niet schoon, maar het gegeven heeft een enorme impact op ons gezin, op het welzijn van mijn lief, vooral.
Hij is eigenlijk de meest minzame mens die ik ken. De mens die in al die jaren nog nooit een vooroordeel heeft uitgesproken en die diversiteit zo hoog in het vaandel draagt dat mijn armen van het strekken soms pijn doen. Hij kan zo open naar mensen en de wereld kijken, een mens zou ervan kunnen leren in zijn leven. Hij kan kijken en luisteren en dan maar een paar woorden zeggen en dat is meestal genoeg. Echt, je hebt er geen gedacht van.

Toen kwamen de buren. Toen werd hij ziek. Toen kreeg hij chemo en was hij zo ziek en maakten de buren zoveel lawaai dat ik ten einde raad vroeg of het nu echt niet wat stiller kon. Ze scheldden me uit, riepen op mijn doodzieke man en deden agressief tegen mijn kinderen. Ze = de vader, de kinderen en de schoonzonen.

Nu krijgt hij geen chemo meer, maar de rust is nooit meer teruggekeerd. Op heel veel ongepaste momenten is het zo luid dat wij bijna moeten roepen tegen elkaar, en op zich kan dat ik aan (ik ben ook veel minder thuis dan Jan), maar als wij hen zeggen dat het niet OK is, doen zij gewoon nog wat luider terug. Ze kloppen harder op de muur, ze gooien gebruikte condooms in onze dakgoot, rochelen op het mooie houten staketsel, doen teken dat ze onze keel gaan oversnijden, proberen onze fietsen te stelen terwijl we erop staan te kijken, gebruiken onze dakgoot als asbak en MAKEN VERSCHIRKKELIJK VEEL KABAAL. Mijn hersenen zijn op hun hoede, als ik thuis ben, wat een vreemde gewaarwording.

Het leidt tot conflict tussen ons, want Jan kan zo erg uit zijn doen zijn erdoor, dat ik moedeloos word van zijn gevoelens. Hij kan daar natuurlijk niets aan doen, ik weet dat wel, maar ik wil het wegnemen en ik kan niet en ja, ‘t is ook niet altijd gemakkelijk he, dat leven. Op een keer zat hij helemaal ontredderd al meer dan een uur op Ledebergplein, allee zeg, wat een gedoe.

Ik heb contact met de wijkagent (die mij telefonisch bijstaat, en mij het gevoel heeft dat hij het begrijpt, maar op papier zijn zijn woorden gewikt en gewogen, er zal ook wel ergens iets wettelijks aan hangen).

Ik zou een gans betoog kunnen afsteken.
Ik zou kunnen duiden wie wij zijn, hoe wij in het leven staan, wat onze waarden zijn (en geloof me, ze zijn ruim, er zit veel rek op en ze schuwen grenzen en vooroordelen niet), hoe wij onze kinderen laten kijken naar de maatschappij.
Ik zou kunnen duiden dat dit niks te maken heeft met een mislukte multiculturele maatschappij (want dat is: dit is geen mislukt verhaal, het scenario waar het Vlaams Belang zo graag van smult en mensen bang mee maakt. Wij wonen met veel nationaliteiten in onze straat, en dat is wél gelukt en er zijn geen verdere conflicten met andere mensen, jammergenoeg verdwijnt al dat optimisme bij sommigen door één etterende wonde. Niet bij mij, ik zie mijn andere buren nog altijd minstens even graag, zelfs liever, maar de toeschouwers maken daar één pot nat van, één mislukt verhaal).
Ik zou kunnen zuchten bij het verschijnen van het artikel waarbij een actrice aan het Zuid door kleine kinderen wordt belaagd, maar als ik de commentaren lees, dan word ik zo moedeloos: mensen hebben blijkbaar de nood om Groen hiervoor verantwoordelijk te stellen (WTF) of het Vlaams Belang naar voren te schuiven als oplossing. Of ze verwijten mekaar gewoon nog een beetje verder zoals bij het voorgaande artikel. Ik zucht dan ook nog eens als ik grondige journalistiek mis, bij het lezen van het artikel. Spek in de bek om mensen met (al dan niet terechte) frustraties gewoon wat meer gefrustreerd te maken.
Va mij mag je een Romakind een Roma noemen, ik ben er nog niet uit hoeveel stigma er aan kleeft (veel, vrees ik veel), maar als journalist ga je toch wat dieper graven? Wat verder zoeken? Je artikel onderbouwen, nuance brengen, politiek en juridisch kader schetsen? Toch geen open einde waar iedereen slecht uit komt?

Tussen al dat lezen en al dat zuchten heen kom ik maar tot één bedroevende, erg wanhopige vaststelling: er zal niks veranderen.
Er is veel gepalaver, veel ‘ah je moet het melden he aan de politie’, veel, hou u vast, advies van het onthaal van de politie ‘ga in Brugge wonen, daar komt dat niet voor, ik woon daar’ (serieus, echt serieus), veel hoofden die zich omdraaien en doen alsof alles ok is, veel blablabla. Het is niet ok. Deze situatie is niet vol te houden, niet menselijk en niet eerlijk.

Ondertussen worden er naast mijn deur kindjes mishandeld. Mishandeling als in ettelijke nachten zonder slaap, met oorverdovende muziek, geroep, getier, gebrul, gegooi en verwijten. Geen deftige voeding en geen regelmaat.
Ondertussen gaan de kindjes naast de deur niet naar school (NIET) en zit dat klein meisje op de middag zonder boterhammen te wachten op niemand die thuiskomt, met de tranen in haar ogen.
Ondertussen stelen de kinders naast de deur ongegeneerd in de Delhaize en er kan niks worden gedaan want ja. We gaan eens praten met een hulpverlener van wie ik zelf moedeloos word, die geen enkele impact heeft op de kleine brulboeien die ze ondertussen zijn geworden.
Ondertussen hebben zij geen recht om Nederlands te leren, wat hun kansen zou vergroten om zich verstaanbaar te maken, om vrienden te maken buiten hun eigen enge wereld (want ze kunnen als de beste vrienden maken, ik ben er zo zeker van).
Ondertussen hebben zij geen recht om geborgenheid te hebben, maar moeten zij leven in een wereld die hen aan hun lot overlaat, en geloof me, zo rooskleurig ziet hun lot er niet uit.
Ondertussen liegen hun ouders nonstop tegen de politie, in de hulpverlening, terwijl zij (en wij) er gewoon op staan te kijken, zonder enige vorm van schaamte.
Ondertussen werden ze allemaal weggerukt van hun ouders in 2016, met gebivakkeerde politie waarvan mijn hart nog beeft.
Ondertussen werden ze over gans Gent geplaatst, liepen weg, en wonen nu weer allemaal thuis (met af en toe een plaatsing)

Groei daar maar eens op.
Word daar maar eens een grote mens.
Leer daar maar eens wat samenleven is.
Leer daar maar hoe je je leven zin kan geven, wat goed eten is, waarom slaap belangrijk is.
Ik zou ze achter het behang kunnen plakken, die kleine vlegels, maar dat zijn mensen. Dat zijn kinderen die voor geen gram gevraagd hebben om daar geboren te worden en het toch maar moeten doen.
Zonder ouders die er voor hen zijn, in de echte betekenis van het woord. Die zelf nog veel grotere boevenstreken hebben en overal mee wegkomen.

Ondertussen discussieert gans Vlaanderen voort. Grote meningen op fora, meelopen in Klimaatmarsen (ik deed het zelf, dus je moet niet boos zijn dat ik het zeg), affiches aan de deur hangen en statements maken.
Ons allemaal vergapen aan de benoemingen in het Parlement en kijken hoe politici selfies posten.
Blablabla.

Maakt dat die kinders van hier naast maar eens duidelijk.

Dat het niet over hen gaat.
Dat wij wel elders gaan discussiëren.
Ons groot gelijk halen.
Af en toe eens een hol artikel in de krant, 80 verontwaardigde commentaren en dan weer over naar de orde van de dag.

Blablabla.

over angst

June 19th, 2019

Laatst logeerden wij in een prachtig huis in een schone streek in Frankrijk.
Wij: Jan, de ladies en een deel van mijn schoonfamilie.
Het huis was oud maar mooi: grote traphal, grote kamers, lange zware gordijnen, overal deuren en badkamers, een huis uit een sprookje met een adembenemende tuin.

Clarisse was de oudste van 4 kinderen.

De eerste avond, toen ze hun tanden poetsten voor het slapengaan piepte ze ‘ik ben bang’.
Ze kon niet echt duiden waar die angst vandaag kwam, toen ik het haar vroeg.
Toen was er ook nog een insect in de lavabo en begon ze te wenen: het kind dat met haar hoofd in de bek van een kwijlende Rottweiler zou kruipen, ja dat kind.
Mijn dochter die naast beren zou lopen, angstige klauwende poezen zou temmen, dat kind was zo bang dat ze trillend bij mij in het toilet kroop om te bekomen.
Het lukte niet echt, ze bleef angstig rond zich heen kijken.
Ik nam ze nog even op schoot beneden, en toen gingen ze met 3 slapen.

Ze was nog steeds bang. Ook in bed. Ook al waren er 2 kinderen, waaronder haar eigen zus en haar neefje, bij haar in de kamer, ook al kon ze ons horen praten door de vloer.
Ook al was er niks dat haar echt bang had gemaakt, het was een vage angst (het onbekende huis? de deur langs weerszijden in de kamer?).

Ik bleef even bij haar liggen. Het hielp niet, dacht ik. Ze bleef met ogen open liggen en toen ik na een kwartier vroeg of het beter was, zei ze ‘neen’.

Ik ging nog even naar beneden, maar kwam na 5 minuten terug en ze lag muisstil wakker bang te wezen.

We gingen zelf slapen, ik vroeg of het zou lukken, ze zei dat ze zou proberen maar stond 5 minuten later wenend aan onze deur.

Jan en ik keken naar elkaar, we dachten allebei ‘dedju daar gaan onze plannen (:-))’ maar ze kroop bij mij in bed en Jan bij onze jongste.

Twee minuten later sliep ze als een steen.

‘s Morgens kwam ze rustig wakker en zei ‘ik ben niet meer bang’.

De nacht nadien ging ze zonder morren en zonder angst slapen en was er niks aan de hand.

Ik blijf maar denken: wat een geluk dat zij bang mag zijn. Wat een geluk dat ze angst als een normale reactie kan beschouwen, die komt en gaat en die soms irreëel is en soms ook heel echt logisch te verklaren.
Wat een goede basis in haar hoofd: niemand die haar zegt dat ze niet bang mag zijn, dat dat niet normaal is, dat ze dapper moet zijn, blablabla.
Gewoon: ik ben bang en het zal wel overgaan. Ik help wel denken met haar, en Jan wrijft over haar rug, want we zoeken wel hoe het komt dat ze bang is, maar ja, een mens weet soms zelf niet waarom hij iets voelt, zij wellicht ook al eens niet.

Want eigenlijk: dapper zijn en angst hebben, dat is toch iets raars he, dat wij vinden dat mensen ‘dapper’ moeten zijn als ze bang zijn, waarmee we eigenlijk willen zeggen dat angst geen terechte emotie is en bedoelen dat iemand zijn angst aan de kant moet schuiven. Angst is voor kleine kinders en voor mensen die het niet allemaal hebben.
Alsof je in angst niet dapper bent, amai.
Zelfs al ben je bang en blijft die angst hangen, ik vind eigenlijk niks dapperder dan dat.

Ik zei het haar, dat ik dat het dapperst van al vond, dat ze uit haar bed durfde om te komen naar onze kamer om te zeggen dat ze bang was. Want ja, als je bang bent, dan is er niks dapperder dan in het donker uit je bed sluipen om te zeggen dat je bang bent.
‘Mama toch’, zei ze lachend, maar ik denk wel dat ze het begrepen heeft.

kies wel

May 24th, 2019

Er liep een ouder koppel op een fietspad in de Antwerpse binnenstad.
Een fietser belde om hen te verwittigen.
Ze foeterden en toen ik hen kruiste zeiden ze, zuchtend ‘Geef ze een bakfiets en ze denken dat ze burgemeester zijn’.
Dat is fout.
Die fietser was niet met de bakfiets en reed waar hij reglementair moest rijden.

Wij hebben veel miserie met onze buren. Onze buren komen uit een grote Romafamilie en veroorzaken ontzettend veel overlast en bovendien zijn ze agressief, zowel verbaal als fysiek als wij hen benaderen.
‘Ik weet waarom ik op het Vlaams Belang stem’, zei een buur van verderop mij na het laatste conflict.
Dat is fout.
Onze buren zijn één gezin van een gemeenschap, zoals wij behoren tot een gemeenschap. De gemeenschap waar zij uit voortkomen heeft een diepe nomadische culturele achtergrond en basis.
In mijn staart wonen Turkse mensen, Marokkanen, Polen, Belgen, Tunesiërs. Zij zijn onze dierbare buren, met wie wij de straat in wederzijds respect delen.
Ik zou niet zonder hen kunnen, hun anderszijn, hun manier van koken, hoe ze leven en hoe zij naar het leven kijken.

Mijn dochter van 11 werd vorig jaar in mei betast door een man op de route die we al heel veel jaren nemen. Op klaarlichte dag.
‘Typisch’, reageerde iemand toen ik het vertelde, ‘ het loopt daar altijd vol met Polen en drugsdealers’.
Dat is fout.
De man was vermoedelijk een Belg, ik heb daar nog nooit een junkie gezien. De Polen die ik daar wel zie worden opgehaald in een camionette en werken zich waarschijnlijk te pletter in onze bouwindustrie.
Ze knikken altijd goedendag en hebben me nog nooit ook maar één seconde een onveilig gevoel bezorgd. Ik kom er dagelijks al bijna 18 jaar. Mijn dochter is doorgaans veilig op straat, en er is geen enkele partij die méér veiligheid kan garanderen.

Mijn mama heeft een buurjongen gehad die het niet gemakkelijk heeft in zijn leven en dingen heeft gedaan die helemaal niet ok zijn.
Hij bezorgde geen enkele overlast in de straat, en toch wensten mensen hem weg, ‘dat krapuul’.

Ik zie mensen die het financieel heel erg goed hebben en die toch vinden dat ze kwaad moeten zijn op anderen, die het minder hebben, maar toch. Wij hebben veel minder dan veel mensen rondom ons, maar ik zie niet in waarom ik kwaad zou moeten zijn om een vluchteling, begod.

Ik heb schrik voor de manier waarop mensen, gewapend met leugens en fouten, zondag naar het stemhokje trekken.
Ik ben bang dat mensen met leugens en van de pot gerukte redeneringen bolletjes kleuren omdat ze hopen dat de leugens die ze geloven zullen worden opgelost door politiekers die in slogans denken en in hun handen wrijven als ze zien dat mensen tegen elkaar opzetten nog veel gemakkelijker is dan ze dachten. Quickwins. Wijs misschien naar diegene die een uitkering krijgt, dan maken ze elkaar wel af, ik zie ze het zo zeggen tegen elkaar.

Ik ben ook opgelucht. Omdat mijn dochters, mijn lief, mijn mama, ik, mijn vrienden, niet zo denken.
Ik ben blij dat mijn dochters genuanceerd leren denken, zonder al te scherpe oordelen, maar met menselijkheid en doordachtheid.
Ik weet het soms politiek ook allemaal niet meer, hoor, daar niet van.

Maar kies wel, mensen. Een beetje met uw hart, een beetje met uw verstand.

Kies wel zondag, mensen, voor onze kinderen, onze bomen, tegen armoede, voor goede huizen

wensen

December 31st, 2018

amai, ik schrok toen ik zag dat het al zo lang geleden is dat ik hier nog kwam. jullie maakten me er per mail attent op, ook :-).

het gebeurt nochtans zo vaak in mijn hoofd: dat ik ergens ben, dat ik iets hoor, iets waarneem en dan denk : ‘oh dat is voor mijn vertellementen’, maar dan passeren er nog veel dingen en zijn wij ondertussen bezig met een superleuk project (www.puppe) waarbij we zelf poppenkleren en – meubelen maken en ja, een mens zijn tijd vliegt voorbij.

nochtans, ik wens vaak. weinig voor mezelf (alles is voor mij altijd vrij goed in het leven, ik heb weinig wensen die niet vervuld zijn), maar vaak voor andere mensen.

voor mijn dochters, op wie ik soms ook eens vloek, maar die ik vooral veel rust toewens in het leven. weinig stoorzenders, geen volle agenda’s maar lanterfantertijd.
de eindeloze uren waarin ik mij als kind verveelde en namiddagen die eeuwig leken te duren: ze zijn goud waard geweest in de verdere ontwikkeling van mijn menszijn (ik denk dat creativiteit en leren redeneren daar is ontstaan: stil aan de tafel van mijn grootmoeder die rustte in de namiddag en ik vond het vreselijk dat ik dan stil moest wachten tot ze wakker werd, maar toch waren die stille uren zo waardevol)
voor mensen op de vlucht, om gelijk welke reden dan ook: voor de liefde, de economie, het klimaat of angst: dat ze een plek mogen vinden en dat ze worden opgenomen in het leven van de plek waar ze terechtkomen. dat we dat leren, wat mengen met elkaar en niet altijd bang zijn voor onbekende gewoontes. dat we wat nederiger worden in onze waarden en hoe die eigenlijk ook maar alleen zijn hoe wij kijken naar de wereld, die bol staat van andere waarden die minstens evenwaardig zijn.

voor iedereen: een goede gezondheid. maar echt. ik wenste het elk jaar uit het diepst van mijn hart voordat mijn lief ziek werd en ik meen het nog steeds even veel. je vergeet dat als je gezond bent en geen lichamelijke of geestelijke zorgen hebt: hoeveel goud dat waard is. ik niet, ik koester het. elke dag. ik koester elk uur elke dag elke week elke maand elk jaar met mijn lief want het leven toonde ons schoon de voorbije 22 maanden dat het geen evidentie is en dat er veel waarheid schuilt in het feit dat je vandaag moet leven. ik had in maart 2017 nooit durven dromen en hopen dat hij er nu nog zou zijn, en hoe. hij zorgt voor ons, op een ander ritme dan vroeger, maakt soep en bakt brood en soms denk ik dat dat het enige is dat telt. ik denk dat niet altijd maar vaak. hoe heerlijk dat is als je huis een thuis is en als de kindjes altijd kunnen stranden zonder gegoochel en geplan en urenlange opvang. ik ben daar zo dankbaar voor (terwijl het financieel helegans op zijn kop komt te staan als één van de 2 ouders ziek wordt en het gepieker in de nacht dat wat als ik ook ziek zou worden, maar ook dat besef is een besef en ik kan zulke zaken vrij makkelijk lossen, meestal). ik heb gehapt naar adem en gedacht dat ik het nooit zou kunnen, hem zien afzien en de onzekerheid en het gepieker, maar als ik kijk naar ons gezin dat vind ik dat het goed ging. soms wat minder en soms te heftig voor woorden, maar meestal echt goed. we zijn al daar.
koestert uw gezondheid, als je ze hebt, ze is haar gewicht in goud waard.

dat het rustig mag zijn, 2019, voor iedereen. ik vind ‘#workhardplayharder’ de moeizaamste hashtag die ik ooit heb gelezen. Dat aan jezelf-voorbij-hollen, het overconsumeren en het vernietigende effect op je lijf, je hoofd en de hele planeer, door alsmaar sneller en meer te willen zijn en hebben: ik pas ervoor. ik wens je een zetel, een boek, wat muziek, een beetje eten en geen koude.
ik denk dat we dan al een heel fijn eind op weg zijn.

merci lezers, om me ook persoonlijk te blijven mailen en te vragen wanneer ik opnieuw zal schrijven. ik neem het nooit als een evidentie en zal hier nog een tijdje blijven.

***
marie

over trunten en bleiten

July 17th, 2018

Vorig jaar in september haalden wij een oude hond uit het asiel.

Er waren heel wat mensen die voorzichtig zeiden dat het moeilijk zou zijn, een oude hond, omdat ze niet zo lang bij ons zou zijn, en het verdriet groot als ze zou sterven.

Ik had daar nog geen seconde bij stilgestaan. Niet bij dat sterven, niet over dat verdriet. ‘Ik ken dat, hier geen dieren, dat is alleen maar verdriet voor de kinders, is het niet vroeg dan is het laat, en dan moeten kinderen wenen, ik ken dat.’
‘Uhu,’ zei ik vaak. ‘Ja, klopt’, ook.

Wij kwamen net uit één van de emotioneel turbulentste tijden van ons leven hier, waarin we heel dicht bij de dood waren geweest, dat ik het eigenlijk niet goed snapte, wat de mensen wilden zeggen.

Ik was het niet met ze eens, maar ik had wat tijd nodig om het te kaderen.

Wanneer zijn wij zo bang geworden van verdriet?
Hoe komt het dat wij rouw uit ons woordenboek hebben geschrapt, tot op het moment dat het ons overvalt?
Waarom leren wij onze kinderen alles, maken wij heelder programmareeksen, zelfs over seks, en laten wij afscheid, verlies en rouw gewoon netjes in de bezemkast?

Mijn Afrikaanse vriend Moussa keek met open mond naar de manier waarop wij een begrafenis organiseren (toen mijn zoon stierf): het plechtige, de afstand, de kilte in de kerk. In de week van het sterven van mijn kind fluisterde hij het me toe: hoe inherent de dood aan het leven is; hoe je niet kunt leven zonder te sterven. Hoe je leven kunt vieren, net op het moment dat het er niet meer is. Oh wat heb ik zijn woorden in gedachten, als het in mijn hoofd kortsluit.

Misschien moeten we de deur op een kier zetten voor verdriet. Misschien moeten we trunten en bleiten en vloeken en leren om te leven met verdriet, met zeer en met gemis.
Als we de deur een klein beetje openen, dan komt het binnen, zo af en toe, als een soort compagnon de route.
Het zal niet steeds fijn zijn, en het doet vaak meer zeer dan gehoopt, maar ervan weglopen maakt het alleen erger, zwaarder en log.
Jezelf dapperder voordoen dan nodig is eigenlijk ook alleen maar een beetje doen alsof.

Onze hond tjaffelt ondertussen dapper door, met artrose in haar poten en een kwijlende bek als ze teveel water heeft gedronken.
Ze zal sterven, zoveel is zeker, en de kans dat het binnen 3 jaar voorvalt is veel groter dan binnen 10 jaar.
Maar ondertussen is het fantastisch, is ze de beste maat van mijn lief en mijn kinders en mezelf, en omhelzen we het samenzijn als geen ander.

Altijd met de deur op een kier.
Als ze sterft gaan we samen bleiten en vloeken en zeggen dat het teveel pijn doet voor woorden. Dat geen enkele hond zo fantastisch is als zij, en dat haar missen veel pijn doet. We weten dat, en we weten ook allemaal dat dat het leven is, hier. Geen taboes over afscheid, inherent aan het leven zoals het is. I onze rugzak nadien wat meer houvast om grilligheid op te vangen, om te beseffen dat er geen vlekkeloos pad bestaat, voor niemand en nooit.

Duizend hartjes voor de troost die ik vond in het interview dat Eva had met Helen:
Het licht dat samenhuist met het duister.