Martha

October 28th, 2017

Wij zijn geen bucketlistmensen hier.

Op wat financiël gegoochel na, denk ik dat we alles wat we wilden al deden en dat we nog altijd bijna alle dingen doen waar we van houden.
Buiten wat structurele verbouwingen (waarvoor we zouden moeten lenen, en dat gaat niet als je zo ziek bent als mijn lief, ha) dus, is onze list behoorlijk goed gevuld met de dingen die we graag doen.

Een hond was not done, dat wel. We hebben een hondenkind in huis, en mijn lief droomt weleens van een grote wilde tuin met een herdershond, maar hier en nu? Geen tijd en geen plek.

Toen werd Jan ziek.

Het was niet dat hij plots met lijsten vol exuberants afkwam, oh neen, zo zit hij niet in mekaar, maar toen we zo eens dicht bij elkaar wandelden, en wat mijmerden besloten we dat een hond misschien wel kon. Ik zag hem glimlachen, die keer, en er speelde wat opluchting en contentement in zijn stem. Een oud beestje, ééntje dat een plekje zoekt. Geen jonge hond, ik gruwel van broodfok en al die voze dingen bij het kweken van honden, neen, bij ons past een gedeukt karakter misschien wat beter, besloten we. We hebben ook geen tuin dus ook geen plek voor wildebrassen. Bovendien: we zijn wat door ons opvoedingsarsenaal heen, ook.

Het zou een lange zoektocht worden, verklaarden we plechtig aan de kinderen, toen we hen het nieuws vertelden, en ze mochten niet denken dat ze nu in één twee drie een schattig hondje op hun schoot zouden hebben. Oh neen, dat kon wel een jaar duren, echt wel een jaar.

Een week of drie later ging ik met de ladies naar het asiel. Zo een keer gaan kijken. Zo een keer gaan wandelen en proeven, je kent dat.
Er was geen hond die bij kinderen kon wandelen dat moment, zeiden ze, en toen plots ‘of misschien Martha wel’.

Een half uur later stond mijn lief met zijn fiets daar, en we knikten naar elkaar en een kwartier later zaten we aan het bureautje en maakten we afspraken en keek ik boos naar de mensen die met Martha wilden gaan wandelen, want al mijn moederinstinct speelde op en ik wilde haar het liefst sebiet meenemen.

Ze is ondertussen drie weken bij ons, vandaag.

Ze plakt gigantisch aan mijn lief en kijkt een beetje geërgerd naar mij als ik mijn lief kus. Als ik perentaart van Dorien maak, echter, dan ben ik haar beste vriendin. Ze palmt onze zetel in, we moeten meer stofzuigen dan ooit, en ze snurkt zo luid dat ik het tot boven hoor. Ik vind het niet eens erg. Ze houdt erg van alle recepten van Dorien, want ze geniet van gegrilde groenten gelijk geen een, en ze likt rijstkorrels op alsof het kaviaar is. Ze legt haar poot op de blote billen van de kindjes alsof ze wil zeggen: blijf hier nog een beetje, en toen de dierenarts vorige week zalf in haar ogen wou doen, en ze dat niet echt zag zitten, wou ik hem een blauw oog slaan, ook al wist ik dat het voor haar eigen goed was. Ik wist niet dat het gewoon een gemuteerde versie van moederinstinct is, die dierenliefde. Eén die mijn hormonen aantast, onvoorwaardelijkheid geeft en elke keer als ik richting huis ga, denk ik ‘oh Martha, wat verlang ik om je te zien’.

‘Wat heeft ze geluk’, zeggen ze ons.

‘Wat hebben wij geluk’, bedenk ik vaak, dat ze hier wil zijn, dicht bij ons, met haar te grote kop, haar gesnurk en haar ontwapenende blik.

Wie had dat een jaar geleden gedacht?

Berbers

October 9th, 2017

We waren van de Elzas zeer impulsief naar de Provence gereden, want het weer in de Elzas was zo slecht dat de mevrouw van de camping zei dat ze zelf niet zou willen kamperen in dit weer.

Wij zaten daar jong, in de eerste nacht van onze reis met twee, klaarwakker om halfvier ‘s nachts, terwijl de regen gutste op onze tent.

‘We gaan weg’, zei mijn lief, en als hij impulsieve beslissingen neemt dan kriebelt het altijd een beetje bij mij, want hij is niet de meest impulsieve mens die ik ken, oh neen.

Een dag later zaten we aan een bank in Cavaillon, en vond ik na wat surfen een aire naturelle in de buurt.
Het bleek een gigantische voltreffer te zijn: klein, een beetje rommelig (past bij mij) maar vooral: wat een hartelijkheid.
En vers appelsap, dat ook, dat we gekoeld meekregen toen we onze tent opzetten.

We toerden ‘s avonds wat rond en we belandden in een buurdorp, en ik zei tegen mijn lief ‘oh hier wil ik zijn’. Het dorp had gefeest het voorbije weekend, er hingen nog wat lichtjes en er was nog wat volk, maar dagen na een feest zijn vaak de schoonste. Iedereen is blij, het zindert na, en het dorp dommelt een beetje in van al dat jong geweld. Ik voelde het aan de stenen, werkelijk.

Toen we opnieuw in de auto stapten en richting de camping vertrokken, huilde onze auto.
‘Hoor je dat ook?’, vroeg ik aan Jan. Uiteraard hoorde hij dat ook. Het leek of wij en passant een liftende wolf hadden opgepikt, en het werd alsmaar erger. Toen ik hem vroeg wat het zou kunnen zijn, zei hij alleen maar ‘shit’, of zoiets.

Het was 11 km ver naar de camping, het was ondertussen donker en we wisten met moeite of we het gingen halen, maar het lukte.
‘Allee zeg’, zeiden we daarna, toen we samen in onze tent lagen (en ik mij afvragend waarom ze geen dubbele slaapzakken maken), en we hoopten dat het allemaal niet zo erg zou zijn.

‘Kapotte turbo’, zei de Berber die op de camping meehielp, en zijn jonge vrienden had opgetrommeld ‘il faut avoir un nouveau turbo’.
Wij knikten, en na wat opzoekwerk en een telefoontje naar een van onze vrienden die zelf mechanicien is, leek dat inderdaad het geval.
‘Dat is duur hoor’, zei iedereen, ‘en garagisten, je kent die wel’.

We zaten daar, op onze idyllische camping, met gelukkig voldoende vis in blik, en eitjes en kikkererwten en we hadden heerlijk gekookt de avond voordien. We zouden alvast niet sterven van de honger.
Een paar uur later zaten wij op de achterbank van een oude Volkswagen Golf, met twee jonge Berbers die noch Frans noch Engels spraken, dus ik moest een beetje gesticuleren en zeggen ‘merci on est si content’ en af en toe een beetje over hun rug wrijven om te tonen dat wij hen dankbaar waren. Ze zeiden ‘ok’, en toen niks meer. Ze spraken onze taal niet, en ik dacht aan de berbermuziek die ik kende. Ze begrepen niet wat ik zei, dacht ik zo. We kochten een turbo, maar die moest worden geleverd, dus we besloten te voet naar het stadje dicht bij de camping te gaan. Toen pikte de campingBerber ons op, onderweg, en zette ons af waar we moesten zijn.

Tjooln, mijn grootste liefde. Gelukkig ook die van mijn lief.

We ontdekten een heerlijk terras, dronken een pintje, er kwam een zeer vriendelijke oude Fransman met een legerbroek en Crocs aan zeggen dat we beslist nog wat moesten stappen, en dat deden we, en toen zagen we dit:

We waren daar helemaal alleen, en ik dacht: ojoo. We babbelden nadien met onze Fransman, en zoals dat gaat als de zon schijnt en de platanen blinken: dat is gezellig he, zo wat keuvelen in een andere taal.

Toen stapten we terug naar de camping, we kregen een binnenwegje geserveerd (ik denk dat we daar bijna konden blijven wonen) en plots was er dit magische zicht.

Ik ben een seute als het gaat over plotse magie van bergen.

Met de auto hadden we dit nooit zo echt gezien, ook, bedachten we, en toen moest ik bijna een beetje wenen van al die schoonheid (en het feit dat een mens zoveel daarvan verliest in de auto).

Enfin, het was uiteindelijk een zeer schone dag en het duurde aan halfuur voor we beiden beslisten dat we onszelf niet verdrietig zouden maken voor de kosten van de auto, want dat er toch niks aan te doen was.
We bedachten ook fijntjes dat we dat jaren geleden ook niet zouden hebben gedaan, onszelf verdrietig maken voor een auto, ook al zouden dat toen niet hebben kunnen betalen. Het is niet dat we nu rijk zijn, en de ziekte van Jan deed ons budget nog meer slinken, maar we konden het wel betalen.

Een dag later was de auto in orde, en ik wou zo graag zeggen aan mijn nieuwe vrienden dat we ze zo ontzettend dankbaar waren, die twee schone jonge mannen met hun oliehanden, hun verweerde huid en hun treurige ogen. Ik wreef wat over hun rug, en ze lachten een beetje, en ik besefte dat waarschijnlijk weinig mensen over hun rug wreven, allee wat een zonde.
Toen liep de ene man naar de auto en kwam terug met een cd. Hij maakte hem schoon met zijn mouw en zei: musique Berbère pour vous.

Van alle muziek die we in ons leven kregen (behoorlijk wat), van alle cassetjes, platen en cd die vrienden samenstelden voor ons is dit het summum.
Een gehavende cd waarvan de helft van de nummers niet meer leesbaar is.

We staken hem toch in, en toen we naar de camping reden luisterden we naar hun muziek, en het voelde alsof hun leven voor altijd een klein beetje in dat van ons zou blijven bestaan.

verbinding

September 21st, 2017

‘Of we niet mee wilden aan tafel schuiven op de camping?’, vroeg de eigenaar.

Om acht uur ‘s avonds (oh wat eten ze laat in het zuidelijke deel van Frankrijk) schoven we aan tafel.
We kregen een wit plastieken bordje met wat sla, een tomaat uit de tuin, een toastje met everzwijnpaté en een toastje met abrikozenconfituur die ze zelf hadden gemaakt.

Er kwam wijn op tafel van de bevriende wijnboer, en we maakten kennis met twee mensen die op de Mont Blanc wonen. Naast ons zat een fijn Duits koppel en het was heerlijk om onze eigen taal te verlaten en een beetje van de wereld te zijn. Mijn lief praat ontzettend goed Engels en ik hou meer van Frans, maar zo fijn zeg, zo eens onder de mensen zijn.

Na het slaatje kregen we een echt bord. Op dat bord lag stoverij van everzwijn, met grove stukken wortel en wat simpel gekookte pasta. De kok, een vriend van de meneer van de camping, had twee oorringen aan en een bloemenschort. Hij was ontroerend schoon, die mens, hoe hij zich uitsloofde voor de gasten. Na de eerste ronde werden de kommen doorgegeven: wie wou nog wat stoverij, wie nog wat pasta?

We kregen nadien een bord vol dessert. Maar echt: een bord vol zoetigheid. Met tassen gevuld met koffie als je dat wou.

Het was verrukkelijk.
Mijn lief zei, net voor hij in slaap viel: ‘oh wat heb ik een fijne avond gehad’, en ik kon alleen maar hevig knikken.

Het is die simpelheid waar ik zoveel van hou.
Het is het kleine potje vijgenconfituur van de madam van de camping, die ontzettend heerlijk smaakte bij wat goede kaas.
Het is de crappy hotelkamer (toen we te moe waren om een camping te zoeken) met dunne muren maar verrukkelijke Saint-Marcellin bij het ontbijt (van 3 verschillende kaasmakers dan nog wel).
Het is de forel die mijn liefje op de camping klaarmaakte, gewoon met citroen en een beetje olie. Toen het al bijna helemaal donker was en hij mij voederde omdat ik daar zo van hou, dat hij mijn voedert.

Echte rijkdom ligt daar, mijmer ik vaak, daar waar je geen honger hebt en mensen met een ziel hebben gekookt.

(Oh ik moet zoveel vertellen, want hij en ik tjoolden tien dagen met ons twee en het was, nou het was, verrukkelijk.)

de H is van havik

September 9th, 2017

‘Ik wil een keer een havik zien’, piepte ik maanden geleden tegen mijn lief.

‘Ja, moksje’, zegt hij dan het vaakst als ik zulke dingen piep. Ik heb al veel gewild, soms wil ik een meer zien, of wil ik naar een berg, of wil ik in een heide gaan wandelen.
Hij gaat dan altijd mee met mij.

De tijd verstreek, die zat voor hem vol met zaken die weinig met haviken te maken hebben, maar met klinieken en foto’s en chemo en bestralingen en rust. Er was niet veel tijd om te tjoolen, laat staan om naar vogels te gaan turen.

Toen werd alles wat rustiger, ook de storm in mijn hoofd (oh wat een vreselijke radicale storm).
We vertrokken voor twee weken weg van huis. Eerst een week naar Friesland, dan een week naar de Westhoek.

Onderweg kruisten we het IJsselmeer, en ik was weer zo erg onder de indruk, dat we afreden en besloten daar ergens in de buurt te eten. Wij hebben een traditie van keigoed eten mee te nemen voor de eerste onderwegmiddag, dan ben ik altijd opgelucht dat we geen voze half opgewarmde worstenbroodjes moeten eten langs de weg.

Hier picknickten we.
Geen mens te zien.
Alleen maar bomen en water te horen.

In tegenstelling tot de betonnen plekken waar we soms strandden in het verleden, was dit een paradijsje.

Na een half uur vertrokken we en toen we allemaal in de auto zaten, en Jan de moto startte, keek ik links naar de struiken.

Er zat een havik.

Er zat een echte havik op de grond. Een gigantisch herkenbare prachtvogel, daar, op een meter of twee van onze auto.
‘Ik heb een havik gezien,’ piepte ik.

Ik denk dat het geen enkele vakantie in mijn leven zo schoon is gestart.

.
.
.
.
.
.
.
Leestip
De H is van havik
Auteur: Helen Macdonald
Uitgever: De Bezige Bij
Nederlandstalig 336 pagina’s 9789023492412 september 2015

wat lang

September 7th, 2017

Hèhè.

Dat is lang geleden.

Eerst kwam dat omdat wij vakantievierden, en ik wel honderd keer dacht ‘oh daar schrijf ik over’, en toen liet Dorien me weten dat er iets raars was met mijn blog, en toen, ja toen, toen kwam mijn internetsuperheldin eraan, die zelf schoon verwoordde hoeveel miserie het was. Kort gezegd: ik heb hier weer een plekje.

Ondanks de zorgen die zo’n gigantische sluimer boven ons hoofd hielden, was het fijn.
Het was heel erg anders dan anders, omdat het snerpend was, maar het was ook heel vaak heel erg hetzelfde: hoe wij het liefst leven hier: dicht bij elkaar en in de zomer het liefst met veel groen.

Eind augustus moest Jan voor het eerst naar de arts terug, en die zeiden dat het resultaat momenteel zo goed mogelijk is.
Dat is heel wat, en het leek alsof een sluis opende, van opgehouden gevoelens en angst en wachten en opluchting en zoveel intens besef dat het leven soms kronkelt dat het zeer doet.

Het is de zomer geweest van veel met mijn ogen rollen, omwille van alle overbodig gezever dat een mens zijn pad kruist.
Ach, dacht ik soms, ach ach ach.

Het was ook de zomer van heel veel intensiteit, van met mijn mond open kijken naar het magische spel van onze dametjes, en hoe ze in de natuur tjoolden alsof ze het altijd al hebben gedaan. Van kijken naar water, van het leren kennen van kwelders, van de havik die ik zag, zomaar, als geschenk op mijn eerste echte dag verlof.

Oh ik moet nog veel vertellen, denk ik zo.
Welkom terug, ik ben ook blij dat ik er weer ben.

over echt

July 1st, 2017

Vorige week, toen het nog warmer en zonniger was, gingen we na het avondeten petanquen hier in de buurt.
We kochten een eind geleden een setje op de rommelmarkt, en het stond nog ongebruikt in de kelder.

Ik stopte wat ijsjes in mijn fietstas (het is dichtbij dus ik hoopte dat ze niet gingen smelten), en we koersten tot aan de heerlijkste petanqueplek van Gent.

We speelden al bij al een half uur.
Ik stond op voorsprong, het kleintje bleef achter en toen mijn lief op het laatst opzettelijk zijn bal misgooide, zodat ze ook één punt scoorde, krakte mijn hart.
Omdat het zo fijn was en omdat vaders zulke dingen doen voor hun dochters.

Ze vonden het verrukkelijk, en wij ook.
Clarisse las een strip (ons lees- en schermkind is zo moeilijk te verleiden tot buitenshuis), en wij scoorden om het meest.

Dat is echte tijd, he.
Dat is niet rushen doorheen het leven, dat is echt leven, vind ik.

Dat staat op dezelfde lijn als écht luisteren naar kinderen, als ze iets willen vertellen.
Ik doe het vaak niet, maar ik probeer het soms echt te doen. Stil zitten en luisteren naar hen. Stilstaan en kijken naar wat ze willen tonen.
Echt nadenken over wat ze zeggen. Met hen praten en niet tegen hen.

Onze dagelijkse wandelingen naar school zijn ideale momenten, maar ze zijn wat verwaterd doordat mijn lief ze vaker naar school brengt, en we met het mooie weer soms fietsen in de plaats van stappen.

‘Ik wil naar school stappen, samen met jou’, piepte het middelste kind, en ik zag haar herleven toen ze een half uur aan een stuk gedetailleerd kon vertellen over dieren, vriendinnen en de boeken die ze leest.
Ik zie de blinkers in de ogen van onze tiener, als ze met ons praat over gedragswetenschappen en over hoe boeiend ze dat vindt.
Mijn kleintje herleeft als ze naast ons kan tjooln, heelder dagen zou ze niets anders willen doen.

Ik denk dat het nodig is, als ouder, dat we dat doen. Veel meer nodig dan de kleren waarmee wij hen kleden om onze eigen stijl uit te drukken (ik ga daar iets over schrijven binnenkort!), en veel meer nodig dan materialisme van gelijk welke soort.
Ik denk dat we oprechte en weerbare mensen maken, die later ook echt zullen luisteren, en stil zullen staan bij wat andere mensen denken en doen.

Ik ga veel luisteren naar hen, deze zomer.
Naar hen en naar mijn lief.
Mooiste voornemen van de zomer, alvast.

Fijne vakantie, mensen, één met zon en veel tijd en goei eten en een lijf dat mee wilt.
x

(over)leven

April 13th, 2017

de titel klinkt ernstiger dan bedoeld.

toen we gisteren de verzekeraar een mail moesten sturen, vroeg ik grappend aan mijn lief of ik als begroeting mocht schrijven ‘groeten van uw kankerpatiëntje’. in zijn naam dan.

we hebben allebei geproest. mijn lief heeft immers een relativeringsvermogen van jewelste, één van de gronden van al mijn liefde voor hem.

soms kruip ik door mijn eigen ziel, schreeuwend en roepend en ontzettend kwaad, om alle dingen die ik voel en niet wil voelen.
soms sus ik mezelf, sssssstttt, terwijl ik gauw hap naar adem en mijn dag voortzet. Uitgelopen schmink is in tijden van pollen gemakkelijk te verklaren. Goeie collega’s ook. Gouden collega’s.

ik kijk naar hem, terwijl hij slaapt, en ik wil hem bijna elke keer wakker kussen. ‘keppe, ik wil je voelen,’ zou ik dan prevelen. maar hij is moe en hij moet slapen, want hij moet genezen, en naast het fantastisch team in de kliniek is er rust en lekker eten nodig. dat en zoenen, veel zoenen, die zijn er ook nodig, in tijden van serieuze ziekte.

In het leven bijten Marietje. Recht in de nekke.
Het waren woorden die ik nodig had. Net als de stoel die mijn lief dicht tegen de zijne trok, toen hij een teken gaf dat ik daar moest gaan zitten.

Het leven geeft je in tijden van ernst ook vaak de gouden liefde die je nodig hebt. Alsof het leven wist dat het zou komen. En het een beetje helpt bufferen, dan. Zoals een maat die niet veel zegt, maar wel een duwtje geeft als het niet meer lukt. Of zoals de heerlijkste Whatsappgroep met mijn 2 beste vriendinnen, toeverlaat voor alle tijden.

Het doet heel veel zeer, het leven nu, veel meer zeer dan ik ooit had gevreesd. ik zou moeten kunnen, ik schopte het een blauw scheenbeen.
Maar dat zou alleen maar zeer doen, en het doet nu al zoveel zeer.

recht in de nekke. in het leven bijten.

merci aan mijn vrienden, echt. ik wil in een holletje kruipen, bij momenten, maar nooit zonder hen.
vooral nooit zonder hem. de machtigste mens uit mijn leven.

in het leven bijten, zeggen ze. ze hebben gelijk. ze hebben zoveel gelijk.

koffie

March 27th, 2017

‘Ik weet niet of je eerst moet drukken op de koffie die je wilt, of eerst je tas onder het kraantje moet zetten.’
Haar hand beefde een beetje, en toen ik naar haar gezicht keek, zag ik zoveel mooie rimpels dat het deugd deed.
Ze was waarschijnlijk ver in de zeventig, en haar man, wat aangeslagen ook, stond naast haar.

‘Mijn excuses dat ik wat verward ben, madamtje’, prevelde ze, ‘maar we kregen net geen goed nieuws.’

‘Geen, echt geen goed nieuws’, prevelde ze nog keer.

Ik hielp met de koffie, zei dat wij ook geen goed nieuws kregen eerder deze maand, en ze kneep in mijn hand.

‘Het is iets, hé, het leven’, vervolgde ze, ‘voor je het weet kan het keren.’
‘Je zou het op voorhand moeten weten’, voegde ze er ook aan toe, ‘een mens zou wat weten.’

‘Ik weet niet of je het hoegenaamd wel op voorhand wilt weten’, kwam haar man tussenbeide, ‘want je zou geen moment meer op je gemak zijn.’
Ik knikte hevig naar hem, nam afscheid van hen beiden en wenste ze ‘toch veel geluk bij het slechte nieuws’.

We stonden alledrie in de cafetaria van K12, in het UZ. Het is nooit goed als je daar moet zijn, niet voor hen, niet voor ons.

Mijn lief is erg ziek, en als een mens in K12 koffie pakt, dan is dat geen goed teken. Wat wel goed is bij ons, is dat er een behandeling is, en dat we het woord curatief hoorden, en dat we de laatste maand in duizend stukjes vielen, opgeraapt en bijeengeveegd werden door de Besten*, en nu afwachten en een nieuw leven zijn begonnen. Met een ziek lief, en kindertjes die net als tevoren Pokémonkaarten verzamelen, ruzie maken en kattebelletjes schrijven voor hun vader.

Toen ik met mijn koffie naar de zevende verdieping terugging, moest ik glimlachen. Om dat oude koppel, en om het besef dat een mens altijd de schoonste gesprekken heeft in het diepst van zijn leven. Want dat is zo hé, als het leven je onverwachts tackelt, dan ligt alles bloot en zijn er ineens weer zoveel meer schone dingen ook. De 1300 liedjes die onze vriend Erik vorige week op mijn telefoon zette, de socca met spruitjes van Jonge Sla, de woorden die mijn lief me toevertrouwt op het allerverdrietigste moment van de laatste jaren, mijn kindertjes die rake dingen zeggen, de mails van mijn vrienden en vriendinnen, de woorden van Vic, de boeken, het eten (oh het lekker eten van de laatste weken), de geuren, de lente, de bloesems, oh oh oh.
Het is in dat diepst dat het het lastigst is, ook, dat weten we hier al, en die schoonheid houdt een beetje evenwicht.
Wankel, dat wel, en broos, zeker, maar het zijn al die schone dingen die het leefbaar maken.

Het leven he, het kan er wat van.

therapie

March 7th, 2017

‘misschien moet je eens naar de osteo, Marie?’, zei ze toen ik weeral zoveel pijn in mijn nek en rug had dat ik dacht dat ik zou creperen.

‘Jaja’, antwoordde ik, en ik dacht bij mezelf: het zal toch niet helpen.

Maanden later zat ik bij de huisarts. Bij mijn goede, goede huisarts, echt waar, ik wou dat ieder van jullie een huisarts had zoals die van mij, die haar gewicht in goud meer dan waard is.
‘Kine’, zei ze, ‘of osteo als je wilt, echt, het zal goed doen.’

Na één beurt was het beter. Z.o.v.e.e.l. beter. Hij zei, op een rustige toon, maar vastberaden: ‘je moet echt niet zoveel pijn hebben hoor, dat is voor niks nodig. Tot volgende week.’

Ik heb sedertdien wel nog pijn, maar draaglijk, en elke beurt bij hem is een soort verlichting van jewelste. Het gevoel als ik op mijn fiets naar huis rijd, is ‘ojoo’.

Wat ik toen allemaal niet wist, is dat hij naast kine en manuele therapeut en osteo ook een mens is van wie ik ondertussen echt gaan houden ben. Een vader zoals ik er één zou willen. Het lijkt of hij mijn lijf kent vanbinnen en vanbuiten en ik zeg elke keer ‘maar echt, ik wist niet dat pijn zo gemakkelijk kon verholpen worden en ook niet dat ik er zo deugd van zou hebben’. Dat halfuur om de 2 weken, dat is me goud waard. Werkelijk heel veel goud.

Toen ik woensdag op zijn tafel lag, en we het hadden over dingen dicht bij me die ernstig zijn, me zorgen baren en me verdrietig maken, zei hij:
‘ ik ga niet zeggen dat alles altijd goed komt, maar wel dat je hoop moet hebben. en ook dat je, als je de allesomvattende liefde kent, zoals jij, dat je dan veel geluk hebt in je leven. Omring je met de goede dingen en het zal vanzelf de goede kant uitgaan. ‘ We keuvelden nog, over verliefdheid, liefde en langdurige vriendschappen, en het deed zo’n deugd. Maar werkelijk, zo een ongelooflijke deugd.

Wat is dat toch fijn, dat een mens in tijden van zorgen omringd is door de besten. Ik moet een aparte post wijden aan alle mensen die ik de laatste weken heb gesproken, gebeld, geschreven, gezien en gevraagd: maar werkelijk: we zijn zo ontzettend dankbaar, hier thuis, dat we zoveel liefde kennen en krijgen en voelen en meemaken.

Het is een fort, hier in ons huis, en het is meestal wel bestand tegen de zwaarste stormen, maar het is mede door alle mensen dicht bij ons, dat het draaglijk blijft.

grootmoederrituelen

January 21st, 2017

Mijn grootmoeder maakt de beste mayonaise. Ze maakt er veel in een keer, met de mixer en weinig eigeel. Hij is stevig, extreem lekker van smaak en wit.
(De rest vindt dat mijn lief de beste mayonaise maakt, met veel eigeel, lopender en ook romiger van smaak. Ik vind hem ontzettend lekker, zeker op het hoedje van een tomaat, als er ook garnalen in de tomaat zitten, maar die van mijn meter past het best bij rauwkost en bij geroosterd sesamzaad)

Vroeger, toen ik klein was, bleven we soms eens slapen bij haar. Ik herinner mij de hele donkere kamer en de kleine beetjes zenuwen die ik had omwille van de klinken. In hun mooie huis sluiten de deuren namelijk met een ronde ijzeren klink, en een soort magnetisch systeem. Dat maakt veel lawaai, en om de anderen niet wakker te maken stopte zij mousse tussen de deuren. Ik was als de dood dat die mousse uit mijn handen zou vallen, en dat ik iedereen wakker zou maken.
Los daarvan: het leven van mijn grootmoeder zat en zit vol rituelen. Ik zou ze allemaal moeten verzamelen, ik weet het, ze gaan verloren in mijn hoofd hoe ouder ik word. Eén ervan heeft indertijd zoveel indruk gemaakt dat ik er nu nog elke week een paar keer aan terug denk. Ze leeft nog he, ik ga er veel te weinig en ik zou zo graag willen dat we dichter bij elkaar woonden.

Haar rauwkost-ritueel.

In haar frigo was er altijd rauwkost. Met die rauwkost maakte zij slaatjes die ze serveerde bij het avondeten: versgesneden brood met kaas die we met een kaasschaaf moesten snijden. Er waren grofgeraspte wortels in een bokaal. Er waren rode bietjes, en de sla lag gewassen en gewikkeld in een handdoek. Ik denk dat er ook tomaten waren, maar dat zou ik haar eens moeten vragen. Er was een pastelgele boterpot, met glazen deksel (of was het blauw?), er lag een blok kaas op tafel en het brood sneed zij in dikke sneden met een broodsnijmachine die omgekeerd in de kast zat (en zit). De rauwkost kwam altijd met wat mayonaise, en er stond ook een pot Gomasio op tafel, waarvan ik altijd veel te veel lepels strooide over mijn sla, en die dan mengde met de mayonaise. Oh lord.

Al jaren denk ik: ik moet dat ook doen. Ik moet zorgen dat er in de frigo altijd rauwkost is, zodat ik slaatjes kan maken en die – in mijn geval en dat van Jan en Anouk – kan meenemen naar mijn werk. Ik vind goei middageten één van de heerlijkste vooruitzichten ooit.
Het is ook fijn als extra: een snel slaatje bij hartige lasagne, wat sla voor tussen de boterhammen of een extra bij een kom soep als je plots honger hebt.
Het lukt me zeker niet altijd, maar ik ben door de tijd wel een planner geworden als het over mijn eten gaat. Dat is fijn, voor mij, zo ineens veel koken en klaarmaken en dan bijna 2 dagen na elkaar niet in de keuken vertoeven. Mijn kleinste dochter vindt dat ook, want toen we woensdag in een ontplofte keuken zelf paneermeeel aan het maken waren, zuchtte ze: ‘ik hou van zo veel dingen samen doen met jou in de rommel en met lekker eten, mama.’ Ze is niet de grootste complimentenmaker, mijn tjoolmaat, en ook niet de grootste babbelaar in huis, maar als ze dat dan zegt, kleintje toch wat heerlijk dat we haar bij ons hebben <3. Deze week heb ik bietjes gepoft, ongeveer uit het kookboek van ThursdayDinners (gewoon je bietjes in folie wikkelen in de oven en zo gaar laten worden - ik ben niet nauwkeurig in het interpreteren van recepten). Ik heb ze laten afkoelen en dan in dunne schijfjes gesneden en er last minute wat geroosterd sesamzaad op gestrooid, een eerbetoon aan mijn metertje. De helft werd door de kinderen al gepikt in de keuken, toen het eten nog niet klaar was, en voor ik het wist waren de bietjes aan tafel op. Geen werk, perfect om te garen als je de oven toch al gebruikt en lekker. Sla koop ik bij mijn lievelingsgroentenboer op zondag op de markt, en wikkel ik in een vochtige doek om op maandag of dinsdag te gebruiken voor in de brooddozen of voor 's avonds op tafel. Wortels rasp ik à la minute, omdat die bij mij nooit zo vers blijven als die van haar. Komkommer heb ik vaak in huis, maar ik eet dat niet graag in de winter. Witloof is ook nog een blijver. In een paar minuten snij ik dat grof in schuine reepjes en met wat yoghurt en graantjesmosterd: heerlijk. Ik ben er nog niet, maar iets in mij zegt: bijna, Marie, bijna. 🙂