the war on drugs

July 6th, 2014

Ik wou een plaat kopen voor mijn lief.

Hij heeft weinig nodig, dat machtig lief van mij. Voor lessen in nederig- en soberheid moet je eens bij mijn wederhelft wonen. Wat eten, een beetje veel muziek, een pintje, zijn bed en wat warmtedat maakt van hem een gelukkig mens.

Als hij plaatjes draait, of muziek kiest voor mij, dan ben ik ook een gelukkig mens. Hij weet ondertussen wat ik fijn vind, en als hij mij vraagt wat ik wil horen dan zeg ik altijd dat het gelijk is. Hij weet dat dat niet klopt, maar hij weet wel wat hij moet opleggen dan. En dat klopt bijna altijd.

Daarom wou ik voor hem een plaat kopen.

Ik stapte op een vrijdag na het werk een platenwinkel binnen. Een beetje met klamme handen, want platenwinkels dat is niet mijn plaats. Ik ken weinig muziek, en ik kan al zeker moeilijk muziek kiezen voor een ander.

Zit daar, op een barkruk, wel geen goede vriend van mijn lief zekers.
U moet weten dat zijn vriend ook al lang diep in mijn hart zit, dat we elkaar weinig zien maar dat ook hij perfect weet welke muziek mijn lief prefereert. Meer nog, hij weet ook wat ik graag hoor, en wat onze gemeenschappelijke liefde wegdraagt. Zonder dat ik het moest vragen stelde hij voor dat hij wel wat wou helpen.

Ik ging naar huis met Lost in the dream van The war on drugs.

Ik wist op dat moment niet hoe hard hij kon inschatten hoe content we beiden zouden zijn.

Angie

June 29th, 2014

Sinds enkele weken hebben wij een dagelijks bezoekertje bij ons thuis.

Angie.

Met een poppenmand en een fiets stond ze in mei plots aan de deur, toen ze zag dat mijn kinders buiten aan het krijten waren.

‘Wat een mooie pop heb jij,’ zei ik, en hup, de toon was gezet. Binnen het kwartier wist ik waar ze woonde, dat ze zes jaar was en dat ze nog een zus en een broer had. Ze woont hier om de hoek en speelt graag buiten, het liefst met andere kinderen.

Nu komt ze vaak langs. Ze maken samen loombandjes, spelen in de straat en als de bel gaat, dan zegt iedereen in koor: ‘Angie’.

Ze heeft het minder gemakkelijk dan onze dametjes, dat is zeker. Dat hoor ik aan de verhalen die ze vertelt, en de verontwaardiging waarmee ze situaties uitlegt. Ik zie dat aan het late uur, waarop onze dochters al uren ronken, en ik haar tegen kom op straat, met haar fiets, gul als altijd.

Eergisteren kwam ze weer, en die van ons sliepen bijna, dus ze kon niet blijven spelen. ‘Kom, zet je even bij mij op de drempel’, vroeg ik haar en voor ik het wist zat ze dicht bij mij.
‘Wat heb jij veel vrienden’, zuchtte ik, want iedereen die haar kent is haar vriend en als ik naar haar blinkende ogen en haar joviale gezicht kijk, dan weet ik hoe het komt. ‘Ja’, zei ze, ‘bijna iedereen is mijn vriend. ik ben gelukkig, echt elke dag.’

Ze fietste weg, om de hoek, en ik keek haar na. ‘Voorzichtig’, wou ik roepen, maar eigenlijk heeft dat weinig zin. Angie, dat is een meisje van de andere kant van mijn dorp. Een kind met andere kansen, minder kansen en vluchtigere perspectieven dan dat gebroed van mij dat ligt te dromen. Angie is een vechterskind, een kind van de straat, een mensje met een dapper hart en honger naar de wereld. ‘Als iemand mij bijt, dan bijt ik terug’, riep ze daarnet nog luid, en toen ik verwees naar Suarez moest ze lachen dat het geen naam had.

Zo zit de wereld in elkaar.

Ik dank Angie voor de nederigheid die ze me leert, voor het besef dat oordelen zo gemakkelijk is, en dat de weg naar grootworden soms zo verdomd pijn kan doen. Ze toont me dat de wereld om op te vloeken is, en dat kinderen zo sterk kunnen zijn dat het zeer doet aan mijn hart. Ze geeft me ook hoop, dat sterk vechterskind, hoop door de kracht die ze uitstraalt en gulheid door de 3 droge worstjes die ze meebrengt ‘voor het apritief’. Mijn dametjes en mijn lief sloten haar ook al in het hart, en al voelen ze dat het leven anders is bij haar (‘Mag zij echt altijd op straat?’), ze stellen zich weinig vragen voor de rest. Ze zijn blij als ze komt, en ik hoor de kleinste bulderen van het lachen door de fratsen die Angie uithaalt.

Ik hoop dat mijn kindertjes dat kunnen later, de bril van evidenties en oordelen afnemen, en opletten met wat ze zeggen over kansarmoede, armoede in het algemeen en opvoeding in het bijzonder.

Hoogdag

May 23rd, 2014

Ze had zwemmen op school, en ik had beloofd dat ik mee zou helpen. Ik nam een halve dag verlof, pikte haar op op school en nodigde haar uit om samen frietjes te gaan eten. De kleinste lieten we wijselijk op school, soms hebben moeders en dochters tijd alleen van doen.
‘Wilt u, lieftallige prinses, zich naast mij neervleien op het bankje van een frietkot, om samen verrukkelijke frietjes te smullen?’
‘Jaaa!’, brulde ze enthousiast, waarop ik haar uitlegde dat echte prinsessen niet zo gul zijn, maar gereserveerd knikken dat ze dat wel op prijs stellen.
Ze kreeg carte blanche: ze mocht kiezen wat ze at, waar ze wou zitten, wat ze dronk en met welke snelheid ze at.
Ze koos bitterballen, frietjes en ketchup, en een flesje fruitsap. Ze ging vervolgens zitten op het donkerste plekje, gaf een uitleg waarom ze daar wou zitten, en legde de zorgvuldig uitgekozen vorkjes (in dezelfde kleur als ons drankje, geel bij haar fruitsap, blauw bij mijn water) klaar. Ze at zeer traag, praatte veel en dacht ondertussen ook wat na.
Toen we buiten kwamen, en we nog altijd meer dan een half uur tijd hadden voor school opnieuw begon, vroeg ze: ‘Wat doen we nog?’
Impulsief sprongen we binnen in het bootcafé, waar ze kirde van contentement, een ijsje kreeg met een grote toef slagroom en zuchtte dat het leek alsof we aan het varen waren.

De rest van de namiddag, op weg naar en van het zwembad liep ze verstrengeld aan mijn hand, knipogend en giechelend alsof we een verbond hadden gesmeed.

Hoogdagen van mijn moederschap.

Feest op de bovenste plank.

Geluk

May 14th, 2014

Zes jaar geleden zat Clarisse nog maar net bij onze onthaalmama. Simonne ging later ook, en ze gaan nog steeds graag. Een dagje in de vakantie bij Cica, ze kijken er zo naar uit.

Er was daar nog een kindje, Felix. Zijn mama en ik kruisten elkaar in de gang ‘s morgens en zeiden ‘goedemorgen’ tegen elkaar.
Ik kon toen niet weten dat ik zo blij zou zijn dat ik haar leerde kennen. Ze las hier en ik herinner mij de dag dat Oontje (http://oontje.blogspot.be) er was.

We zien elkaar niet veel, al wonen ze vlakbij, maar ik kijk reikhalzend uit naar de keren dat we samen zijn. We leerden ook haar man kennen, en serieus: ik viel als een blok voor hen beiden. Hij is de mens die ik naast mijn sterfbed zou willen als ik terminaal zou zijn. Wat hopelijk niet nodig is, maar een mens weet nooit.
Liesje en ik zagen ondertussen niet alleen zelfgemaakte kleren, boeken en kinders die aan het opgroeien zijn, maar vooral, we zagen de donkerte in het leven, en hoewel haar donkerte de mijne niet was, ze raakten aan elkaar en de fluisterende gesprekken met thee in de zetel waren mijlpalen in mijn leven.
Vic kan als geen ander snappen hoe geworstel met familie, dood en afscheid aanvoelt, en serieus, ik denk dat veel mensen deugd zouden hebben van zijn zachtaardige empathische blik. Zijn mogelijkheid om onbevooroordeeld te kijken, en zijn sterke band met het leven en de dood.

Van goud zijn ze, mijn vrienden van aan de overkant van de Steenweg, van puur puur goud.

Mijn dorp

May 1st, 2014

(toen ik bemerkte dat dit stukje in mijn Drafts was blijven staan)

Vorige week sprong mijn vriendin eens binnen. Ze bleef even, tekende wat met de kindjes, en bezorgde blije dochters. Het was fijn, zo’n gestolen moment met de vriendin die meestal werkt als ik thuis ben. Ze woont aan de overkant van de Steenweg, zeg maar, heel dichtbij.

Tijdens het weekend kwam mijn nichtje langs, die hier vlak om de hoek woont.
We kruisen elkaar soms, ‘s morgens, of de dametjes smeken of ze even mogen roepen door haar deurvenster, om te kijken of ze al vertrokken is.
Het gebeurt dat we dan mijn andere nichtje tegenkomen, samen met de jongens, op de fiets, op weg naar school.

Gisteren kwam mijn andere vriendin aanbellen, met wat boeken die ze niet meer nodig had. Terwijl ze hier was kwam mijn buurvrouw-vriendin binnen, en en passant hielp ze me met het verhuizen van een kast in de gang. We ruilden bloemen, confituur en gebabbel en dronken koffie op mijn KleinKoertje.

Terwijl wij koffie dronken, turnden de ladies in de turnclub om de hoek, turnclub Willen is Kunnen. Ze turnen samen met de dochter van onze overburen, met wie onze kindertjes goed overeenkomen, en met wie ze vaak samen spelen op verloren momenten.
Ik zag ook de andere buurvrouw, die plantjes verkocht op school waar het turnclub is, stopte even bij de oudere buurman die eigenhandig een huis verbouwt om de hoek. Afspraak om samen een glaasje te drinken als de verbouwingen voorbij zijn. Jeuj.

Ik bracht de boeken naar de bib in de straat hiernaast, ging binnen in het kruidenierswinkeltje om te zeggen dat ik het jammer vind dat ze er deze week mee stoppen, en stak de kinderen over omdat die gingen spelen bij Lore. Efkes, tot het eten klaar was.

Stijn, onze vriend, sprong ook even binnen gisteren, en terwijl ik aspergesoep maakte, dronk hij een pintje en kletsten we wat bij over onze vakantieplannen.
Jan ging gisterenavond naar het clubhuis, drie straten verder, bij lieve Jurgen en Mona. Hij kwam blij thuis, want Jurgen en Mona horen bij de besten uit de buurt.

Morgen haal ik via Thuisafgehaald soep bij mijn buren, en komen mijn nicht, buurvrouw en ik samen om te breien terwijl de oudste dochter gaat babysitten aan de overkant.
Mijn broer en zijn lief wonen op wandelafstand, en hij springt vaak binnen, zomaar even, of om vliegertje te doen met zijn petekind.
Zondag is er markt op het plein, en als er voetbal is op tv op café, dan stuurt de madam van het café een sms naar mijn lief. Dat hij het niet vergeet.
Binnenkort kunnen we versassen naar het Keizerspark, onze groten tuin zonder onderhoud.

Het is een fractie van hoe deze buurt in tien jaar tijd mijn thuis is geworden, meer dan ik ooit had durven dromen. Hoe mijn leven zich hier afspeelt, en hoe de wortels van mijn menage hier diep in de grond zitten. In dat stukje volgebouwd, propvol deel van Gent. Met zijn eigen kerk, zijn rare straten, eeuwige verbouwingen en veel te weinig plaats.

Er zijn momenten dat ik groen mis, en dat ik ruimte mankeer, maar oh boy, er zijn zoveel meer momenten dat ik met contentement aan mijn voordeur sta en denk:
‘ Als ik kon kiezen, ik stond hier’.

<3 Ledeberg, <3 <3 <3.

Belofte

April 21st, 2014

Mijn schoonmama is als halfwees uit de oorlog gekomen.
Ze was vijf jaar.
Ze groeide verder op bij de broer van haar moeder, die later Peetje werd. Zijn vrouw, Metje, was haar nieuwe moeder.

‘Het is door haar dat ik nooit naar een gesticht ben gestuurd’, zei ze gisteren, toen we samen aan haar strijkplank stonden om strijkparels van de kinderen te strijken.

‘En toen zij oud werd, heb ik voor haar gezorgd. Ik zei tegen mezelf: ‘door haar ben ik nooit naar een gesticht gemoeten, ik zal er nu voor zorgen dat zij dat ook nooit zal moeten doen’.
Ze heeft voor haar gezorgd, tot Metje gestorven is thuis, met haar hand in de hand van mijn lief.

Ik nam haar woorden mee naar huis, kaderde ze in in goud en dacht: ‘hoe schoon kan het leven zijn, en hoe onvoorwaardelijk ook’.

Omgekeerd

April 3rd, 2014

Toen ik een kleuter was, rustte ik samen met mijn metje in de zetel.
Ze haalde elke keer hetzelfde deken uit de diepe ingemaakte kast in de gang, en zei: ‘Slaap maar’.

Ze lag naast me in de zetel, en ik voel de loomheid in mijn hele lichaam als ik eraan terugdenk.
Na een halfuur stond zij ontzettend stil op, ze rolde half uit de zetel, en ging koffie maken. En een cake bakken, of wachten op Dré de coiffeur die krulspelden in haar haar stak.

Ik sliep drie uur. Toen stond ik op, kreeg een stuk tulbandcake en mocht op haar schoot de gekleurde pinnen voor de coiffeur uit het potje halen.

Ze zei het altijd, aan iedereen die binnenkwam, dat ik wel drie uur had geslapen. Iedereen dronk koffie, een beetje flets, uit de thermos die al oud was, en waarvan het pompje stug werkte.

Toen ik deze week in de kliniek bij haar zat, was het omgekeerd.
Zij sliep, en ik deed mijn best om zo stil mogelijk te zitten en koffie te drinken. Ik keek naar haar en besefte dat er in mijn leven weinig mensen zoveel zorg gedragen hebben voor mij als zij dat heeft gedaan. En hoe ze meer dan tachtig jaar nederig heeft geleefd, heel veel in het teken van andere mensen, in tijden die ik nooit heb gekend, met weinig luxe en zonder evidenties. Hoe kunnen kiezen tussen patatten en puree weelderig klonk bij haar, en hoe dankbaar ze was voor de goede confituur, de vriendelijke verplegers en het goede bed.

Love

March 29th, 2014

Ik heb nooit zo’n overweldigend gevoel van verliefdheid gehad als bij mijn eigen lief.

Smachtend, verrukkelijk, zoet en zuur en zilt tegelijk.

Mijn knieën knikten, mijn handen trilden en mijn hele lijf schreeuwde om het zijne.

Het is jaren geleden, en in enkele momenten roep ik het gevoel zo weer op.

Zijn bordeaux broek, zijn schoenen, en de eerste keer dat onze handen elkaar half toevallig aanraakten. De tinteling die door mijn lijf raasde. De nachten in bed, tot ‘s morgens, toen we nog rookten op onze kamer, begod, en amper sliepen. De onrust van dat nieuwe lijf, al die ontdekking, dat nieuwe.

Zoveel jaren. Zoveel nachten bij elkaar, waarin zijn warme lijf nog steeds dat van mij zoekt en we met een enkele matras voldoende zouden hebben.

Ik zag hem zitten deze ochtend, met zijn onderlijf aan, nog moe van de te korte nacht, maar toch vol contentement voor het weekend, de zon en de familie.

Ik dacht: we hebben iets te vieren maat, volgende week, dat we zoveel jaren samen zijn. Dat ik de smaak van de eerste spaghetti die hij voor mij maakte op mijn verjaardag nog steeds proef.

En dat er op de ganse wereld geen vent is die ik liever naast me heb dan de vader van mijn kinders.

Dat ik het leven zoveel draaglijker vind als ik hem zie ‘s avonds, en dat zijn kussen in de ochtend de allerbeste van mijn leven zijn.

<3

Altaar I – one year ago

March 22nd, 2014

En toen hadden wij plots een altaar.

Al een jaar hing er een plank tegen de muur, boven onze tafel. Er stonden foto’s op, knutselwerkjes en prullen die we te mooi vonden voor de vuilnisbak, en wat uitstel kregen op onze plank.

Toen ging Joeri dood. Een jaar geleden ongeveer.

En na een overweldigende, droevige, intense week, keerden we na de begrafenis terug naar Gent.
Jan ging onmiddellijk terug aan het werk, en ik zat met de kindertjes in de Paasvakantie, mijn verlof was al lang gepland, en ik zat thuis.

Voor de kleintjes leek het bijna alsof er niets was gebeurd. Ze keken tv, speelden en tekenden zoals ze altijd al deden, en als ik weende zeiden ze: ‘mama toch, je moet niet wenen’. Kous af. We zetten zijn doodsprentje op ons altaar, staken een kaarsje aan en fluisterden dat we hem misten, dat we hem verdomd zouden missen voor de rest van het leven.

Het leek toen soms alsof hij er nog was. Het leek alsof hij elk moment kon bellen, ‘Marietje’ zeggen en vragen of het paste als hij eens binnensprong. Zijn laatste oproep zat nog bij mijn ontvangen oproepen en hij had de nacht van zijn dood nog iets gezegd op Facebook. Het leek zo, maar het was niet zo.

Ik wist dat. En ik stak ‘s avonds nog maar een keer het kaarsje aan.

Ik wist dat het erger ging worden, eerst een roes, dan een hel, ook nog een verscheurende massa verdriet, die mondjesmaat naar boven komt, een mens buiten proporties trekt om plots, zomaar uit het niets, naar boven te komen als een draak uit een kerker. Zachtjes ook, dat verdriet, met een krop in mijn keel, elke dag op dat plein waar we af en toe samen sigaretten hadden gerookt. Die ene keer dat ik nietsvermoedend langs zijn kot liep en mijn hand in de pas moest duwen om niet op de bel te drukken, in de hoop dat hij daar zou staan. Of die keer dat ik bij mijn ganse schoonfamilie zat, en we allemaal niks zeiden, maar allemaal hetzelfde dachten.

Het altaar is zijn plaats geworden. Even was het leeg, toen onze dochter met Allerzielen over sterven leerde, en het prentje meenam naar de klas. Het leek toen alsof hij nog verder was dan in mijn hoofd.

Het is een warme plek geworden, het altaar. Mijn overleden grootvaders staan er vaak met hun foto, net als de kleine vaasjes die ik op ons trouwfeest kreeg. Er zijn altijd bloemen, echt altijd, en nu staat er ook een kartonnen hyacinth, gemaakt door de jongste dochter, speciaal voor ‘Joetje’. Er staat een blinkerpoes, en ook een sneeuwbol uit Londen, van Simonne. Soms liggen er stenen, of een parel en er staat een geweldig sappige dikke houten Boeddha, die lacht voor zijn leven en alles relativeert.

‘Wat een wussie ben jij toch’, denk ik vaak over mezelf, maar fuck, het altaar doet zijn werk. Het heelt en het sust, het biedt comfort en een klein beetje zekerheid. En troost. Oh wat een troost.

Ik zie ze vaak opduiken, altaren allerhande. Niet altijd voor troost, wel vaak. Soms voor een hond, of een overleden opa. Voor een kind dat gemist moet worden of een lief dat er niet meer is. Soms uit adoratie, of omwille van geloof. Vaak ontstaat het toevallig, of voor wat geluk, en altijd denk ik:
‘Ah maar zeg, wat is dat toch schoon hé’. Dat een mens wat zaken bij elkaar zet, en dat fijn vindt.
Ik zou al de verhalen willen opschrijven, al die schoonheid die vervat zit in een kleine -of grote – plek in je huis, gewoon omdat jij dat goed vindt. Daarom ben ik dus op zoek naar mensen die dat willen vertellen. Dat is niet simpel, want dat is intiem en soms houden mensen dat liever voor zich. Maar misschien ook soms niet, en willen ze dat wel eens vertellen. Of ze willen geen foto, maar wel een verhaal. Of zoiets. Moest je zo iemand zijn/kennen, dan zou ik daar blij mee zijn. Aan de mensen die al mailden: merci zeg. U hoort van mij! (mailen mag nog steeds: marie.sohier@telenet.be)

De foto van mijn altaar is van de hand van mijn coole maat Michael (http://www.michaelblanckaert.be), die altijd mails krijgt van mij met een nieuw idee erin, en hup, dan springt hij binnen en hij maakt schone foto’s. Coole maten, ik.

Op zoek

March 8th, 2014

Lezers,
Ik heb jullie hulp nodig.

Ik ben op zoek naar mensen die thuis een altaar hebben. Geen altaar voor God, maar gewoon een plek waar dingen staan die bij elkaar horen, en die daar staan om een bepaalde reden. Het kan een plankje zijn met foto’s, een plek met kaarsen en doodsantjes, een speciaal plekje in je huis.

Moesten jullie ook maar iemand kennen die het zou zien zitten dat aan mij te tonen, zouden jullie dat willen vragen? Het hoeft helemaal niet stylish te zijn, zo lang het maar betekenis heeft voor de persoon bij wie het hoort.

Jullie kunnen me bereiken op marie.sohier@telenet.be.

Danku, dankuwel.

(Ik zal later uitleggen wat ik ermee zal doen)