Dierbaarste – 2.
May 16th, 2012
Ik heb hem het liefst als hij een beetje serieus is en zijn trainingsbroek aan heeft. Dat eerste gebeurt vaak, in combinatie met een trainingsbroek veel minder.
Dan zit hij aan tafel, leest de krant een zeldene keer, en zegt weinig. Het gebeurt vaak dat hij weinig zegt.
Als ik iets vraag, dan denkt hij eerst. Altijd. Dat is al jaren zo, en ik ben het nog altijd niet helemaal gewend. Als ik hem vraag hoe het ook al weer zit met dat lelijke viaduct dat Gent binnenstroomt, dan legt hij me dat uit. Serieus, zonder oordeel over de visie van om het even welke partij. Hij luistert naar politici op een manier waar ik jaloers op ben. Met evenveel openheid luistert hij naar Groen als naar NVA. Ook daar ben ik jaloers op. Ik denk dat hij geschikt zou zijn om het beste uit elke partij te halen, echt. Hij draagt nooit haat, vervloekt alleen als hij te veel gedronken heeft (en dan nog), is pakken realistischer dan ik ben, en heeft zo weinig vooroordelen dat het bangelijk is. Hij kan mensen loskoppelen van algemeenheden, en heeft nog nooit gemeend iemand pijn gedaan. Hij werkt traag, in alles, maar oh zo nauwkeurig. Dat kunnen de minder nauwkeurige vrienden die helpen met de verbouwingen bevestigen. De even perfectionistische ook.
Of neen, ik heb hem het liefst als hij met zijn ogen toe op het juiste plekje in onze kleine living zit, met zijn ogen toe, terwijl hij aan het luisteren is naar één of andere rare jazzmeneer.
Neen, neen, ik heb hem het liefst als ik hem voel in bed, hij is altijd warmer dan mij, en ik kan koortsachtig zoeken in de vroege ochtend, want hij staat altijd vroeger op en vertrekt altijd vroeger dan ons.
‘t Is mijn papa,’ fluistert de jongste giftig als ik hem vastpak. ‘Mama komen’, ook. Ze neemt daarmee de fakkel over van de middelste, die twee jaar enorm bezitterig deed over haar vader.
Maar hij is lekker het allermeest van mij. Nèh.
Dierbaarste bezit – 1.
May 5th, 2012
Als je mij zou vragen wat ik zou redden uit een brand, dan zou ik lang moeten nadenken.
Omdat ik brand vreselijk vind, en omdat ik naast mijn lief en mijn kinders niet echt iets zou missen.
Als ik écht moest kiezen, dan koos ik zeker voor dit beeld. Het zal fototechnisch wel niks waard zijn, maar het vat alles wat dat kleine mensje uit mijn huis is. Haar rimpelneusje, haar grappige grote hoofd, haar haar dat niet weet of het moet krullen al dan niet, haar gele kleedje waar ze zou erg van houdt, haar grote oren en haar tandjes waar ik altijd vrolijk van word. Bovendien schijnt de zon zo op haar smoeltje dat ik er altijd opnieuw blij van word. Dat is lachen mensen, geforceerd lachen dat ze doet, van zo gauw ze een camera ziet verschijnen.
Dit beeld dus, ja. Dat zou ik redden. Samen met een foto van jan die ik voor onze trouw kreeg. Een oude handtas waar ik verliefd op ben en een pen die ik al jaren koester.
Als ik echt moest kiezen dus.
Vreemde weken
May 4th, 2012
Het zijn rare tijden hier, precies.
Mijn lief wacht al weken op de zon, de oudste dochter is geopereerd (niets ergs, niets blijvends), de middelste is zo ontzettend voorbeeldig dat ik soms eens aan haar voorhoofd voel en de kleinste is een beetje ziek. De kleinste is dan ook de perfectie van zichzelf gaan uithangen bij de tante, waar ze het best geneest van allemaal. U kent dat wel, zieke kinders en weinig verlof.
‘Allemaal van mij!’, roept ze ‘s morgens luid, als ze net haar ogen open heeft. Dan spreidt ze haar armpjes en loopt als een paus door ons huis. Wadend, zodat het zeer erg serieus wordt. ‘Tante Evita is ook allemaal alleen van mij’, voegt ze er overduidelijk aan toe, mijn broer compleet aan de kant duwen. Evita, dat is haar echte tante, en ze claimt ze al heel de week. Luidkeels en dreigend, maar dat zijn we van haar gewoon. Ze heeft veel tantes, denkt ze, en ik ben te laks om uit te leggen dat mijn tantes haar tantes niet echt zijn. Ach, we hebben zelfs een opa die niet echt onze opa is, maar ik vind dat allemaal gezellig en ben zo weinig principeel in het correct benoemen van mensen. Ik ben al lang content dat we mekaar graag zien, en och, er zijn belangrijkere dingen dan correcte familiebanden benoemen in het leven.
Mijn broer en mijn schoonzus zorgen vaak voor onze dochters. Ze wonen vlakbij en als we hen zien is er altijd wel ééntje dat mee wil. Soms twee, dat ook, en voor ik het weet zijn we kinderloos. Want de derde dochter wordt dan meegevoerd door het nichtje, dat ook vlakbij woont, en zo is iedereen gelukkig. Ik ben blij daarom, en mijn kindekes nog veel blijer. Ze hebben zo’n geluk met al die slaappartijtjes en al die familie zo dicht bij ons.
Maar rare tijden dus. Met storm in mijn hoofd, zomaar, zonder echte reden. Storm is goed, dat zorgt voor alertheid en besef, maar soms is het ook een beetje tijd dat de storm gaat liggen, niet? De weken zijn als één lange dag, aaneengeregen door kinders, werken, feest (oh wat een leuk feest zeg), verbouwingen en een lief. Vooral dat lief zie ik te weinig, echt, ik zou een gouden munt geven voor een weekend Brussel met mijn lief.
Maar wat ik nu eigenlijk echt wou zeggen, is dat je dringend eens moet lezen bij Stien. Over haar autoloze bestaan. En hoe zij dat zien en hoe het verloopt.
Ik ben keijaloers, ik.
Ik zou het zo doen, onze auto wegdoen. Ik rij toch niet, en Jan staat er alleen maar mee in de file. We moeten toch allemaal een beetje bewuster gaan leven hoor. Elkeen een auto voor de deur, zelfs twee, dat zal niet blijven duren. Het is niet nodig, en het is bovendien een verkrampte waarheid dat het je leven gemakkelijker maakt. Mijn broer en schoonzus hebben er geen, het nichtje ook niet, en wij nog maar 4 jaar. Daarvoor deden wij alles met de trein, en we tjoolden, en we hadden het grootste plezier. Je kent mij al een beetje, ik hou het meest van tjooln, dus voor mij zou het er niet erg anders uitzien. Zelfs met de rolstoel en de hele goede vriendin lukt het allemaal te voet nu. Al roloogden ze wel in de kliniek: ‘U hebt geen auto en uw kind moet in een rolstoel?’
Er is nog veel veel werk aan de winkel.
Maar Stien is al altijd mijn held. Niet alleen voor de fiets, maar ook voor al de schone kleren zeg.
De Witn
April 28th, 2012
De Witn, dat is eigenlijk Peter. Peter, dat is al jaren de vriend van mijn lief.
Dat is ook al jaren mijn vriend, eigenlijk.
Er zijn mensen die ik diep diep diep in mijn hart koester, ewel, de Witn dat is zo iemand.
Niemand komt weg met patchouli, lang gekleurd haar en veel vrouwen. Niemand.
Maar de Witn wel. Net als met zijn skinny jeans, zijn jeansvest en zijn jeanshemd. Geen heruitvinding, neen, hij is nooit gestopt met jeans dragen.
Ik koester hem, die eigenaardige mens uit Menen, met zijn vreemde visie, zijn mijmeringen, zijn veel te veel bier en zijn schone uitspraken. Ik ben elke keer weer van mijn melk als ik hem zie, en u zou daar zwaar om rologen, ik weet dat. Maar mijn lief kent mij, en die moet daar maar een beetje om glimlachen, dat ik weeral eens van mijn melk ben.
‘De Witn en de vrouwen, dadisètwukaparts.’
En dat klopt helegans, want de drie dochters zien hem veel te weinig, maar als ze hem zien lijkt het alsof het van gisteren was. Hij zit daar dan een beetje, drinkt een Duvel en zegt dat ik schone kinders heb. Want dat hebben we gemeen, we hebben alletwee drie dochters, en samen zes schone parels dus.
Ik zeg hem dat vaak, maar niet vaak genoeg, dat ik hem graag zie, en dat mijn kop altijd deugd heeft van een portie de Witn. Hij zou daar bitter weinig op reageren, en iets zeggen als ‘komtopminskoot, bloeme’, want dat Menens, je wilt het niet gekend hebben. En als het over bloemen, planten of gras gaat, hij kan daarover babbelen gelijk dat het over vrouwen gaat.
Hij is ook de mens die door mijn lief naar voor wordt gebracht als ik te veel zaag, of misnoegd ben om kleine zaken. ‘Een weekje bij de Witn zou iedereen deugd doen’, voegt hij er dan heel erg serieus aan toe, want hij ziet de Witn als dé remedie tegen malcontentement. Ik ben dat nooit vergeten, en mijn lief herhaalt dat zo een keer of drie per jaar. Het is niet dat ik veel zaag, dus, maar toch, een kamp de Witn, mijn lief meent dat.
Ewel, dat er daar in Menen een mens woont die we veel te weinig zien, maar enorm graag, daar kan ik op een druilerige zaterdagnamiddag alleen maar heel content mee zijn.
Kwaad
April 27th, 2012
Ik ben weer eens kwaad.
Het is lang geleden, daar niet van, maar man, als ik kwaad ben, dan kruipt zo altijd door heel mijn lijf, en dat doet echt zeer op den duur. Om dat eruit te kloppen moet ik ofwel witte wijn drinken, ofwel hier schrijven.
Het is van allebei, vanavond.
Eigenlijk had ik dit stukje liever gereserveerd voor in augustus. Augustus, dat is de laatste maand dat de laatste dochter naar de onthaalmama gaat. In september gaat heel mijn kroost naar school, en eindigt er hier een heel hoofdstuk. Een hoofdstuk Gentbrugge, een waar parcours, dat ik al meer dan vier jaar elke dag doe, en in augustus is dat gedaan. Ik beloof dat ik nog zal langsgaan en dat zal wel, maar het zal anders zijn, eigenlijk. Heel erg anders.
Het liefst had ik dit alles, al die stoef die onze cica toekomt, hier neergepend in augustus. Ook met een glas wijn, dat spreekt, maar met een blijer hart.
Ik moet dringend een keer stoefen met haar, met die madam die al vier jaar zo goed voor mijn kinders zorgt dat ik er steken van in mijn hart krijg. Nog geen enkele keer op al die jaren heb ik me eens afgevraagd of het wel ok zou zijn met de dochters, want er is geen dag gepasseerd waarop ik getwijfeld heb. En je kent dat wel, je hebt elkaar nog nooit gezien, en je zet je kinders daar af, niet goed wetend wie wie is. Dat is zo tussen moeders en onthaalmoeders.
Maar ik ben van de geruste soort: zolang ze mijn kinders een keer goed vastpakken, eten geven (daar kun je bij die van ons toch niet onderuit) en zorgen dat ze af en toe een droge pamper en wat slaap hebben, dan ben ik al lang content.
Mijn onthaalmama is veel beter, al vier jaar geef ik ze met plezier af, en zij stappen elke dag met veel goeste binnen.
Dat wij anders zijn, zij en ik, dat kan ik alleen maar bejubelen. Ze is heel erg net, houdt van Formule1 en van de zon. Ik ben een vuile, hou van de koers, en ik kan tegen de regen. En toch komen wij zo goed overeen. Ik babbel altijd, en zij is stukken stiller dan mij, maar ach, we vinden elkaar al al die jaren. Zr is zo ont-zet-tend goed voor mijn kinders dat ik daar geen woorden voor heb. Anders dan mij, maar wat een chance voor mijn kinders.
Mijn hart breekt dan ook een beetje nu. Ze zit net in die fase dat er kindekes naar school gaan, en hup, hier en daar verandert er een regime, verhuist er een ouder, waardoor ze plots twee maanden met een gat zit. En ik snap dat wel allemaal, hé, ouders die thuis zijn in de vakanties, en ouders die verhuizen, en ouders die plots thuis zijn en zo, ik snap dat wel. Maar ik vind dat een klotesysteem, dat dat zomaar allemaal kan. Bij alles wat je huurt, koopt en leent, moet je contracten tekenen, opzegtermijnen respecteren en de kleine letters lezen. Maar een onthaalouder kan plots zomaar bijna zonder kinders zitten. En er is in haar geval geen wettelijk kader die dat deftig omschrijft. Ze is niet zelfstandig, neen, ze heeft zo’n erbarmelijk statuut bij de stad. Ze zit met een constante onzekerheid over kinders, en in haar plaats sloot ik mijn deur, zei ik eens fuck you en ambieerde een andere carrière. Echt.
Het heeft misschien ook een beetje te maken met toekomstige ouders, die op bezoek gaan en het huis verlaten met een hoop verzuchtingen. ‘Het is te klein’. ‘Het is te netjes’. ‘Er zijn teveel kindjes’. ‘Er zijn te weinig kindjes’. Ik zou daar zo graag eens bij willen zijn, bij die gesprekken, serieus. Ik snap het allemaal niet zo goed, al die wensen, al die criteria, al dat gezever. Als een kind liefde en eten krijgt, dan volstaat dat hoor. En mijn onthaalmama doet zoveel meer. Ze knutselt, mijn kinders blijven daar als jan in de file staat, ze zorgt ervoor als ze ziek zijn, ze organiseert feestjes, ze laat ze uitslapen (niet zo evident met ouders in de buurt), ze neemt ze mee naar de winkel.
Bakkes. Ik snap het allemaal niet zo goed.
En het doet een beetje pijn, want omgaan met kleintjes, dat is echt haar ding. En ik kan dat zeggen, want mijn kroost groeide daar op. En als u mijn kroost ziet, en u feliciteert mij, dan kan ik u zeggen: de helft van hun leven hebben ze daar gesleten, dus ik deel de dank met onze cica.
Man, ik ga haar missen, en het is nog geeneens mei.
Tijd voor een glas wijn, ik zei het al.
De rit naar Mariakerke
April 22nd, 2012
Gisterenavond, 17.30u.
Ik moest bij de vriendin in Mariakerke zijn. De twee kleine dametjes gingen mee met de bus.
‘We gaan op avontuur’, fluisterde ik geheimzinnig toen we aan de halte stonden te wachten.
‘Avontuur!’, riep de jongste, die zonder pamper mee was, en op zich is dat al spannend genoeg.
Onder de weg vertelde ik het verhaal van de prinses met het lange haar en het stoute dienstmeisje (don’t ask) en ze zaten met open mondjes te luisteren naar de prins die op de proppen kwam, het water van het kasteel, en de torenkamer met zeventien vensters. Alleen kleine verwende prinsessen hebben zoveel vensters, voegde ik eraan toe, en ze knikten allebei alsof hun leven ervan afhing. We stopten bij de vriendin, die me weeral zwaar uit de nood hielp, en de dochters propten zich vol met chips en geitenkaas. ‘Dat waren de beste chips van mijn leven’, mijmerde de Serieuze, en ze voegde eraan toe dat ze dat ook het mooiste huis van de wereld vond. Ik knikte, want ik vind dat ook, en toen we op de terugweg de kermis passeerden, en de bus toevallig 13 minuten moest wachten om te vertrekken, sprongen we nog vlug één keer op draaimolen voor we weer naar huis vertrokken.
Ze glunderden, allebei om het hardst, en zongen van papegaaitje-leef-je-nog tot elke andere passagier moest lachen. De kleinste danste ook een beetje, en krulde met haar neusje, waardoor ik altijd instant zin krijg om haar op te eten. De Serieuze wou niet stoppen voor we alle pictogrammen van de bus hadden besproken, en hield zich verder bezig met woorden schrijven in de lucht. ‘Hé, mama, kip en kop, dat lijkt op elkaar, net als vos en vaas.’
‘Wat een avontuur’, zuchtten we alledrie verrukt toen we Ledeberg binnenreden.
De Serieuze kneep weer in mijn hand, kriebelde in mijn nek en keek zo verliefd naar mij, dat ik ook mijn middelste dochter wou opeten.
De vader en de Oudste kregen het hele relaas: van prinsessen en chips en dienstmeisjes en pipi op een groot toilet. Van de bus en de kermis en de liedjes die we zongen. Het leek eventjes alsof we weken waren weggeweest, terwijl ik gewoon maar een keer naar de andere kant van de stad trok.
De beste dingen van het leven zijn vaak zo simpel dat je er soms gewoon aan voorbijraast, feitelijk.
De zee
April 15th, 2012
Mijn oude liefde voor de zee kwam helemaal terug.
Niet dat ze ooit helemaal weg is geweest, maar ze was de laatste maanden enkel latent aanwezig.
Tot vrijdag dan toch. Vrijdag kroop ik op de trein met de dametjes en het buurmeisje en we waren nog niet eens in het zand of ik voelde de zware logge liefde zich meester maken van mijn hart.
Als ik in Oostende ben, dan vergeet ik alles, alles. De grimmige oude stad, die het fascinerende heeft om naast de zee ook echt een stad te zijn, ik kan er nog altijd niet goed bij. De mensen met het kantje af, de marges, ik weet het, maar alles is er schoner. De zee trekt zich bitter weinig aan van wie er woont, en dat maakt dat ik zwicht als ik haar ruik. Mijn kinders en het buurmeisje erfden prompt mijn verliefdheid en waren van die voorbeeldige orde dat de madam op de dijk met de Delvaux-sjakosj jaloers was. Dat zou ik ook geweest zijn, als ik haar was, want haar zoontje mocht ocharme zijn beige broek niet vuil maken, ‘want jij moet wel nog in de auto hé, Jean-Louis’. Flaneren is iets anders dan spelen, Jean-Louis, dat zou jij moeten weten.
We gingen naar de mosselbanken, en Simonne was zo erg onder de indruk van de golven die maar bleven komen, dat ze brulde voor het hele strand. Dat was zo goed als leeg, het kon dus geen kwaad, en het is nog gemakkelijk ook, want dan verlies ik mijn kinders niet zo snel. Tjoolders, weet je wel. We vulden schoenen met zand, bouwden natte kastelen en aten chocoladewafels, in het gezelschap van een agressieve meeuw die gemeen de wafel van het buurmeisje van 4 pikte.
Ik hou het meest van haar op dagen zoals deze: met treinen die niet overvol zitten, een handvol mensen op het strand en de zon die schijnt alsof haar leven ervan afhangt, maar net warmte genoeg geeft om lente te voelen. Op die dagen dat de horeca meewarig in zijn handen wrijft, daar aan de kust, en hoopt op meer warmte en minder wind.
Ze trekt zich daar allemaal niks van aan, mijn grote liefde, en doet stug verder met wat ze altijd doet.
‘Het was de beste dag van de week, euh van het jaar, mama’, zei de Serieuze dochter, en ze kneep in mijn hand tot het pijn deed. Dat doet ze altijd als ze het meent.
‘Kom hier, klein schaap’, kuste ik haar zouten koppeke en besefte dat zij en ik en vakantie het allerbeste zijn wat ons ooit kan overkomen. Altijd opnieuw, eerst weer wennen, dan de verrukking van het zaligste kind op de wereld. Elke vakantie opnieuw.
De Serieuze is namelijk soms moeilijk te vatten, maar eens je ze kent is ze zo overweldigend dat ik soms peis dat ik wel tien dochters baren wil.
(En nu ben ik weg voor het lief en de oma achter mij aanzitten, voor het geval ze vrezen dat ik weer kinders wil. Over kinders gesproken, ik ging gisteren op stap met de jongste modeblogster van ons land, maar dat is voor een andere keer. Ik ben het nog altijd een plaatsje aan het geven)
Blaasbeheer
April 11th, 2012
‘Ja’, zuchtte ik van op bed, met mijn pyama nog aan, ‘we gaan nog een keer aan dat potje beginnen zekers?’
Het is dus niet dat ik daar emotioneel van word, ik vond kinders die aan mijn borst hingen cooler dan kinders die met kaka in een pot rondzeulen (en vaders die daar foto’s van trekken), maar het valt allemaal goed mee.
Ik ben zelden principieel, en heel lui op de koop toe, maar als het over potjes gaat, man dan word ik zo’n principieel wicht. Een beetje zoals Marianne Zwagerman, maar dan slimmer en doordachter en minder blond. En vooral, ik affronteer geen andere moeders, ik ben alleen maar blij dat die van mij op de pot gaan.
Maandag ben ik begonnen, en huppakee, ze kan het. Ook als we op de tram zitten, en ook als ze dutjes doet. Nu nog een week of twee respijt voor de nachten, maar ik kweek gelijk kinders met een goed blaasbeheer, want de pampers van de voorbije 2 nachten waren van de eerste keer droog. Niet zo een week geleden, toen waren dat nog van die loodzware zakken, die ik soms een keer op mijn keukenweegschaal leg omdat ik niet kan geloven dat een kind ‘s nachts zoveel plast.
Ik heb er wel al onze hele boekenkast doorgejaagd, en tot vervelens toe verhaaltjes van Dikkie Dik op dezelfde saaie manier voorgelezen, maar niks helpt.
‘Mama, ik moet weeral pipi doen zeg’, waarna ze zich plechtig met haar dikke blote billen op de pot in de living placeert, aan het wachten op een boek.
Enfin, het werkt, er zijn geen natte broekjes meer, en voor 48 uur kan dat tellen peis ik.
Maar wat ik mij nu afvraag, hoe gaat dat bij jullie? Ben ik de enige die zo gemakkelijk droge kinders kweekt? Of heeft het echt te maken met consequentie? Want zo ja, dan kan ik misschien een pedagogisch werk schrijven ‘Hoe uw kind in 48 uur droog te krijgen – de ervaringen van een niet-thuisblijvende werkende moeder.’
Ik vind dat dat past den tijd van vandaag, met al die hup hup hup , en wie weet verkoop ik meer pedagogische werken dan Marianne Zwagerman boeken.
Alleen daarom al zou ik het schrijven.
Conversatie
April 4th, 2012
Simonne en ik.
‘mama?’
‘ja, schatje.’
‘meneertje de maan slaapt weer. slaapkop toch, allee zeg.’
‘ja, nu komt de zon, wacht maar even en je zult ze zien.’
‘mama, ikke liedje zingen voor meneertje maan. één keer, mama, verzekers?’
‘doe maar keppe, ik vind het leuk als jij liedjes zingt.’
‘mama, jij is ook mijn kipje hoor. meneertje maan slaapt nog, slahahapkop, meneertje maan is moehoe.’
‘…’
‘mama? is een mooi liedje van simom toch?’
‘zeker kind, zeker.’
‘waarom zeg mama niks en zwijg ze gewoon dan, kipje?’
Twee jaar en drie maand. Ware het niet dat ze nog een pamper aanheeft (te wijten aan de extreme luiheid van haar moeder), je zou zeggen dat het tijd is dat ze naar school mag.
de grootmoeders
March 28th, 2012
We hebben een klein blond godje in de familie.
Geen vers klein broed, hij heeft al een maand of zeven de tijd gehad om aan te kloeken, en met zijn tien kilo is hij daar compleet in geslaagd.
Dit weekend mochten wij twee dagen lang bij hem zijn, en vooral de middelste dochter vindt dat een heuse taak. Met een veel te hoge piepstem laat ze hem gewillig aan haar haar trekken, als teken van echte vriendschap – hij wil altijd bij mij zijn, mama- en liefde. Later zal ze stappen met hem, kirt ze, en het liefst van al zou ze hem als een pop in een speelgoedbuggy persen en gaan wandelen. Het is niet dat wij een tekort hebben aan poppen, maar die kleinste van 2 jaar en een beetje is zo gemakkelijk te forceren niet meer. Met donkere ogen en een boksersneusje, dat zo rimpelt als ze kwaad is, durft ze al eens ‘neen’ zeggen, en ze kan als de beste onmogelijke wensen eisen. Wen maar aan het leven, brulaapje, denk ik dan, want je kunt niet altijd je zin krijgen. Al slaagt ze er meer in dan ik ooit had durven wensen. Met de zwangerschappen is ook de consequentie een beetje weggespoeld, en ik kan mezelf voor de kop slaan, want ik weet dat consequentie de heiligheid van opvoeding is. Alleen wist ik dat tien jaar geleden net iets beter.
Enfin.
Dat kleine blondje godje had bovendien zijn vier grootouders meegezeuld naar de Ardennen, iets waar een kind alleen maar van kan dromen. Een moeder en een vader ook, dat spreekt, want we waren nog niet goed ter plaatse of zijn bedje stond al bij de grootouders van de ene kant (‘oh’, maar we zijn toch vroeg wakker’) en zijn patatjes waren al klaar. Door de grootouders van de andere kant. Hij ging van arm naar buggy, kirde dat het een lieve lust was, en als hij een verse pamper aan moest was er altijd wel iemand in de buurt. Om beurten wisselden de grootmoeders van taak, en terwijl de ene fruit voederde, maakte de andere de buggy voor de wandeling al klaar.
Het was bij dat voederen dat het mij opviel: hoe die twee grootmoeders, die ongelooflijk anders zijn, het zo goed met elkaar kunnen vinden. Geen kritische blikken van de ene over hoe de andere het armpje wegmoffelt om het kind op de schoot eten te kunnen geven, geen gezucht, geen rologen over zonnecrème en hoedjes. Het was gewoon, hoe het altijd zou moeten zijn. Geen gezaag over de schoonmoeders, alleen maar hoe het altijd zou moeten zijn.
Het was dan ook in het donker ‘s avonds laat onder een gigantische sterrenhemel dat de ene grootmoeder stilletjes tegen mij zei:
‘Iedereen is wie hij is, en ik heb respect voor allemans karakter.’
De andere grootmoeder, die mijn schoonzus is, en die ik door de jaren ontzettend heb leren respecteren, was al in bed toen. Ik zei al dat de grootmoeders erg van elkaar verschillen.
Maar ik ben er zeker van dat, als ze wel nog wakker was geweest, ze krak hetzelfde had gezegd.
(En dan heb ik het nog niet eens over de grootvaders gehad.)
