Ik heb mijn baby’s nooit erg veel gewassen. Al zeker niet in bad.

Toen ze vers geboren waren, dan was ik verschrikt dat die verrukkelijke babygeur weg zou zijn.
‘Weggespoeld door Zwitsal’, ik zag het doemscenario al voor mij.

Bij de eerste twee pakte de verpleegster mijn borelingen vakkundig uit mijn arm, en zei ‘Kom, we gaan je dat eens leren, hoe je baby’s moet wassen’.

Hun lijfjes werden ingezeept, hun -ocharme- haartjes gewassen. Hup, het water in, oogjes open, en dan opnieuw de koude wereld in, handdoekdroog gewreven en opnieuw in mijn armen gelegd. Ergens vond ik dat wel charmant, maar het leek mij een beetje overbodig. Dat teer, olie-achtig velleke, helemaal onder water en onderhevig aan geparfumeerde babyzepen.

Bij mijn derde kind was ik ouder en zekerder.

‘Van mij moet ze nog niet gewassen worden, hoor’, zei ik op dag 2 en ik haastte mij naar huis, veilig in mijn eigen cocon van mensen die ik graag zag en dingen waar ik wel veel over wist. Dat slapend mensje, dat ik nog maar een dag kende, was van mij en ik wou het deze keer echt zonder al die goedbedoelde raad en al die dingen-die-moeten-maar-waarvan-niemand-eigenlijk-nog-weet-waarom-buiten-voor-de-schoon-ogen-van-een-ander.

Ik had tijdens mijn zwangerschap veel gelezen over baby’s. Over hoe ze groeien, over hoe het er in de rest van de wereld aan toegaat en dat er overal kindjes groot worden. Dat het heus niet de Zwitsal is die ze grootbrengt, laat staan de Galenco. Ze moeten echt geen eigen vers geschilderde kamer hebben om welkom te zijn en doopsuikers en geboortekaartjes, allemaal wel, maar eigenlijk wou ik het liefst dat ik er op kon zetten wat ik wou, zonder weer die eeuwige visies van mensen die wel en niet tegen enveloppekes op kaartjes zijn. In mijn hoofd zou er staan ‘Onze dochter is geboren, we willen even rusten en zo weinig mogelijk mensen rondom ons. Daa-haag. We laten wel iets weten als we er zin in hebben, en als je dan toch komt, breng gerust wat eten mee.’

Bij mijn vierde kind was ik nog ouder en nog zekerder, maar dat cool geboortekaartje met mijn eigen goesting is er nooit gekomen. Wél dagenlang een heerlijke échte babygeur, met de kans voor haar velletje om de vernix langzaam te laten indringen in de huid, beschermd tegen het wilde leven dat haar wachtte. Uren op mijn schoot, aan mijn borst en tussen ons in bed. In mijn draagdoek, dicht bij mij en verslingerd wat huid, melk en donzen en kussens als we moe waren. Vermoeiende, intense tijden. Kleedjes recupereerde ik van de zussen, ik kocht amper nog wat, en kon zelfs dan elke dag iets nieuws aandoen als ik dat wou. Als ik dat niet wou, dan deed ze gezellig twee dagen hetzelfde aan, waste ik enkel haar poepje en haar nek en tjoolden we voor de rest van de dag samen zo door het leven.

Zij, zij had alles wat ze nodig had. Slaap, warmte, melk en een moeder die trillend verliefd in bed teveel slaap miste.
Haar lijf dicht bij mij, in het holst van de nacht, dat zijn de fundamenten van wie zij is en hoe verliefd ik op haar geworden ben. Héél dicht bij elkaar leer je elkaar het beste kennen. Dicht bij uw mama, beter kun je het toch niet hebben als je begod enkele dagen of weken op de wereld bent?

Mijn twee vriendinnen met hun babydochtertjes zitten nog in dat begin.

Ik kijk er soms met heimwee op terug, als ik hun goede moederzorgen zie. Hun bezorgdheden, dat moedergevoel dat groeit, hun leven dat veranderd is en de gewenning daaraan die zijn plaats zoekt. Hun vermoeidheid, oh die vreselijke moederlijke vermoeidheid die bij elke mama en bij elk kind anders is, omdat elke mens nu eenmaal anders in elkaar zit, en het is de situatie waar je zelf in zit die voor jou de enige nodige is. Die zou ik soms willen wegnemen, maar ja, ook dat maakt deel uit van dat magische proces.

‘Vuistje’, denk ik dan stil. Vol bewondering kijk ik hoe ze dat doen, met hun wondertjes, zoals alleen zij dat kunnen, omringd door goedbedoelde raad en tips over hoe het zou moeten. Ik vond dat bij mijn eerstelingen moordend, al die vergelijkingen en al die tips waar ik hoegenaamd niets aan had. ‘Oh maar je moet ze elke dag wassen hoor’, jaja.

Ik probeer dat niet meer te doen. Ik kijk naar hen, en ik vind écht, maar dan ook écht, dat zij dat perfect doen. Vanuit hun buik, met gans hun hart en vooral vol van liefde. Ik ben nu al vier keer bevallen, en mijn god, wat zou ik bij een nieuw kindje opnieuw veel van hen kunnen leren.

Zou dat nu eens geen fijn geschenk zijn, voor verse moedertjes? Een vuistje, een schaal lasagne en een blik die zegt dat ze verdorie goed bezig zijn. Ook zonder dat bad met Zwitsal. Kunnen we dat, het wijze geslacht, niet eens afspreken, zo onder elkaar? Dat we elkaar wat laten doen, en dat het allemaal wel goedkomt, ook als het wat anders is dan bij onszelf?

Mijn ‘vuistje’ hebben ze. Mijn bewondering ook.

Nu nog de lasagne.

Fort²

April 16th, 2015

Sarah schreef dit:

‘Ik vind uw blog ook een beetje een fort om in te schuilen. Maar wel geen met dikke muren maar juist een met veel raampjes naar de wereld. En zoals ge uw huis met uw kinderen deelt, zo deelt ge uw inzichten en gedachten en gevoelens met ons, en rusten we samen een beetje uit van het dagelijkse leven. Fijn jong, ik lees hier zo graag.’

Jullie allen zijn ook een beetje mijn fort, met al jullie lieve woorden en mailtjes en commentaren die mijn hart altijd een beetje warmer maken.

Thanks lezers, I owe you big time voor uw komst.

Fort

April 11th, 2015

Mijn huis is mijn burcht.

Al weken breng ik meer tijd door in huis dan anders.

Het is een oude liefde, die tussen dingen, mijn huis en mezelf. Oude foto’s, boeken, de lamp van mijn grootmoedertje, de foto van mijn metje en mezelf toen ik een half jaar was. Navelstrengstukjes van de kindjes op sterk water. Echo’s van mijn baby’s en de broek van mijn lief van toen we elkaar net kenden. Veel slapen en een klein beetje proberen te koken. Papier, kranten en ook een beetje veel pijn en last. Ach, een mens sterft niet van wat pijn en wat moeheid maar toch. Maar toch.

Ik deelde zonet mijn huis meer dan 2 dagen met alleen mijn jongste puppie. Ze dribbelde als een soort kattejong achter me aan, zelfs toen ik op het toilet zat.

In mijn hoofd zou ik mijn burcht even willen sluiten, ‘gesloten voor veel publiek’.

Dit oude huis met veel werk en veel mankementen is een plek waar alles meestal goed is.
Een fort van niet te uitgesproken meningen, met werkelijke, oprechte verdraagzaamheid voor elkaar en veel liefde die hier achter het papier en onder de kussens zit verborgen.
Een cadeautje tegen de buitenwereld, waar mensen vaak zoveel weten en vinden dat ik er soms erg moe van word.

‘Ik leef graag bij jou, mama, en ook graag in ons huis waar papa alles zelf mooi maakt voor ons’, zei ze in bed, deze morgen, toen ze haar arm uitstrekte en teken deed dat ik in het kommetje van haar arm mocht gaan liggen. Haar arm, vertelde ze later, deed ze net als papa, omdat hij er niet is, en ze hem wil nadoen.

‘Ik ben blij, en ik ook bij jou’, antwoordde ik veel later, waardoor ze al vergeten was wat ze zelf had gezegd en ik er haar even aan moest herinneren.

Wat is het een eer dat mijn huis niet alleen voor mij een fort is, ook.
Want thuiskomen en graag thuis zijn -zonder te moeten vluchten- is bij ons vijf één van de belangrijkste dingen van het leven.

Het Dotje

March 27th, 2015

Als je mij ziet passeren dan is de kans groot dat je, op een meter op twee, nog een mensje ziet.

In mijn kielzog, steeds wat achter, maar constant in mijn stappen.

Mijn jongste dochter. De furie van het huis, de grenzenoverlopende 5jarige.

‘Ik wil bij jou zijn’, fluistert ze te pas en te onpas en vorige week vroeg ze of ze als geschenk drie dagen dagennacht bij mij mocht zijn. ‘Zonder dat we weg moeten van elkaar, mama’,voegde ze er gauw aan toe.

Ik ben het niet gewend, zo’n plakkertje, mijn oudere dochters zijn plantrekkers.

Het voelde vaak vreemd en niet altijd zo fijn, toen ze kleiner was, dat plakkerig handje, die smekende ogen, haar zin ‘ik wil mee met jou’. Ik was het niet gewend, en het verstikte mij een beetje.

Nu zijn we verslingerd aan elkaar. Ik hou niet van vreemde plekken, maar als zij bij mij is, kan ik de wereld aan. We tjoolen, wij twee, het liefst lang en ver en zonder al te veel te praten. Want ze zegt heel weinig als we samen zijn, ze loopt gewoon achter mij, en als ik wacht loopt ze even naast me, maar algauw weer achter mij. Haar plakkerig kleuterhandje is stevig aan het worden en ze manifesteert zich zelden luid, maar als ze het doet hohoho. Ze is verlegen van aard, al weet je dat pas als je haar goed kent. Ze wordt brutaal als ze niet op haar gemak is, en kan zo plots weigeren en brullend wenen dat ik er nog steeds niet aan gewend ben. Als je een grens aangeeft loopt ze er pal over, en verdorie wat zijn wij dat niet gewend. Ze is de gulste, misschien is het dat ook een beetje.

‘Als jij sterft, dan sterf ik ook,’, claimde ze luid dit weekend.

‘Van verdriet, mama’, voegde ze er spelend wenend aan toe, armpjes in de lucht en trots om haar eigen spitsvondigheid.

Ze heeft er geen gedacht van wat ze allemaal doet met mijn hart.
Wat ben ik blij dat zij er is, wat ben ik daar verschrikkelijk blij om.

Carll Cneut

March 19th, 2015

Met de klas ging ze naar de Sint-Pietersabdij.
‘In my head’ – Carll Cneut.

Ze kwam blij thuis, en ook een beetje droevig.

‘We kregen een telefoon, moesten een cijfer indrukken en hoorden toen hoe een meneer vertelde alsof hij Carll Cneut was. Het waren lange teksten en ik was nooit klaar met luisteren toen de juf zei ‘kom vooruit allee hup doe voort’. Ik snap dat eigenlijk niet goed: waarom krijg je een telefoon als je geen tijd hebt om te luisteren, en wat ben je met een tentoonstelling met halve teksten? Je zou beter geen telefoon krijgen, en gewoon kijken, ofwel tijd genoeg om het allebei te doen. Trouwens, je kunt niet langer luisteren dan iemand vertelt, over zoiets kun je niet zelf beslissen hé.’

‘Soms snap ik school echt niet, mama’.

Ik ook niet, kindje, dacht ik, en ik beloofde haar dat ze met haar vader kon gaan, voor de tweede keer, en dat ze werkelijk elk nummer uit mocht luisteren.

Het is niet vingerwijzend bedoeld, ik weet hoe het is met juffen en tijd en administratie en richtlijnen en leerplannen, maar raas je niet voorbij aan de kern van wat onderwijs is, als het zelfs op een tentoonstelling niet lukt om kinderen de tijd te geven om de genieten, te luisteren en te kijken?

Ik ging met de kleinste langs, ze luisterde mee met mij en bemerkte glunderend dat de meneer in de telefoon in ‘mijn taal’ sprak. ‘Dat is leuk zeker, als iemand in een telefoon zomaar in jouw taal vertelt over een tekenaar?’ polste ze glunderend. Toen huppelde ze tussen de polaroids, legde me uit dat je veel moet zien om goed te kunnen tekenen en dook verder de tentoonstelling in.

De stress #boostyourpositivity

February 26th, 2015

In mijn hoofd zijn er meerdere sporen.

Het alledagelijks spoor, dat zich bezighoudt met plannen, uniform strijken en boodschappenlijstjes vullen. Het spoor dat in overdrive gaat op zaterdag, en op zondag soms al eens ontspoort. Of dat goed is, dat laat ik in het midden.

Het kindertjesspoor. Een alsmaar breder wordend spoor, dat constant dendert aan honderdperuur, af en toe eens topsnelheden haalt, met een trein waarin het meestal fijn is te vertoeven.

Het werkspoor. Het spoor met het duidelijke begin en einde, dat bij momenten dicht de andere sporen raakt.

Het vriendenspoor. Het spoor dat zeurt dat ik te weinig buitenkom in de winter en dat zegt dat ik dringend vanalles moet doen met mensen. Mensen die al lang eens aan onze tafel moeten komen zitten, of zondagen die we samen moeten plannen.

Mijn zorgenspoor. Oh wat zou ik het een spoorbreuk wensen. Verdorie zeg, ware het niet dat het gedachten zijn uit mijn eigen kop, ik zou denken dat het onmogelijk is dat eens mens zich zorgen kan maken om al die dingen die door mijn hoofd malen. Joengne.

Het liefspoor. In zwaar metaal, diep in de grond. Meestal met een constante snelheid, zo’n trein waar je in een fluwelen zetel zakt en voor je het weet ergens in Rusland belandt. Het nodigste spoor, ook. Zo’n spoor waar ik mij aan oplaadt, zoals het nachtlampje van mijn kleine dochter.

Mijn eigen spoor. Vrij simpel, feitelijk. Het bestaat uit een zetel, een boek, een bed, wat gedachten en een beetje eten. Het is meestal niet echt een spoor te noemen en ik moet het soms eens zoeken, als het weer wat overwoekerd raakt, of ik de weg ernaartoe weer al eens kwijt ben. Moeilijk te vinden, content eens ik er ben.

Ik wou dat ze soms eens wat meer samenliepen, mijn sporen. Wat meer dezelfde richting uit, aan een aangename snelheid, zonder wedstrijdgehalte en rush.
Ik wou dat het zorgenspoor wat minder van zich liet horen, en dat de fijnere de voorgrond wat vaker haalden. Elke geforceerde poging om ze op één lijn te krijgen mislukt. Elk plan om wat minder sporig te zijn als mens mislukt. Elk boek dat ik hierover las helpt geen zier en eigenlijk was er nog nooit iemand die mij de gouden tip kon geven.

Dus ik probeer ermee te leven. Met mijn meersporig hoofd en de gedachten die nooit stil staan.
Ik leef met iemand die bitter weinig verschillende sporen beleeft op hetzelfde moment, en we staan soms zo naar elkaar te kijken, over hoe verschillend we zijn. Soms wou ik dat ik zijn kop kon kruipen, op die ene duidelijke weg. Soms wou hij waarschijnlijk dat hij de chaos van mijn hoofd kon bevatten, de onrust door de wisselsporen, de vertragingen en de knetters van al dat gedoe.

Het vreemde is dat, hoe minder pogingen ik doe om dat stressgevoel weg te krijgen, hoe gemakkelijker die sporen elkaar vinden.
Hoe minder ik van mezelf moet, hoe beter de snelheden zich aanpassen aan elkaar. Hoe beter ik slaap, hoe minder de sporenstress.

Wie weet komt het ooit allemaal goed.

Er zijn dingen die in mijn hoofd blijven hangen, maar die nooit de werkelijkheid halen.

Een proper huis. Met gekuiste vloeren, lege wasmanden en een nette keuken. Opgemaakte bedden en een propere gang.
Af en toe gebeurt dat eens, vooral als ik een ziek kind heb dat in de zetel ligt. Maar ze zijn niet veel ziek, dus het gebeurt niet vaak.

Ik kan daarmee leven. Wie daar commentaar op heeft, moet maar zijn ogen dichtdoen en koffie ga ik toch maken, of mijn huis nu proper is of niet.
En meer dan een proper huis hou ik van mijn kinders die mogen spelen. De ene dag met veel te veel karton in onze kleine woonruimte, de andere dag met dekens en lakens en poppen. Liever dan met dweils te zeulen sta ik te koken of zit ik in de zetel voor te lezen. Echt veel liever.

Toch heb ik een strakke organisatie wat het weekroulement aangaat. Een moordend venijnig systeem, dat me compleet in mijn blootje zet als ik het niet volg, maar voor de rest werkelijk heel erg efficiënt is.

Een agenda.

Ik vul die aan op vrijdag of op zaterdagvoormiddag, en plan de week vooruit. Eerst de dingen die moeten gebeuren en dan het eten dat daarbij past.
Als er oudercontact is om 18uur, dan haal ik spaghetti uit de diepvries en iedereen is content. Als maandag en dinsdag zware dagen worden zorg ik op zondag dat er eten is voorzien. Als donderdag een avond zonder Jan is eten we restjes, of maak in woensdag in de gauwte macaroni. Weekendjes Ieper worden met vlaggetjes omcirkeld, want dan moeten we niet koken. Avondjes AB met mijn lief en met Ilse worden versierd met hartjes op de kalender, omdat mijn lieve vriendin de hele opvang van de kindertjes deed van ‘s avonds tot ‘s morgens zonder dat ik moest denken hoe het zou zijn. En ik moest ook niet koken, want we aten in Brussel.
Soms laat ik hen mee kiezen, de huisgenoten, en mogen ze zelf iets op de menu zetten. Het weekend kook ik uitgebreider, en ik noteer dat allemaal netjes in mijn agenda. Als ik zondag lasagne wil voor het bezoek, dan maak ik op zaterdag al de groentjes en de saus klaar. Zo tussendoor, gelijk een echte keukenprinses. Dan kan ik op zondag mee aan tafel met ons volk.

De boodschappen.

Altijd in het weekend, steeds vooruit voor een ganse week. Zo zonder schoolkoeken, fruit of yoghurt vallen in het midden van de week, ik kan daar niet meer zo goed tegen.

De brooddozen.
‘s Avonds maken we brooddozen, vullen we de koekjes aan en leggen we fruit klaar. Zwemzakken, verkleedkleren en spelletjes doen we ook al. Niks zo klote als ‘s morgens daar nog tijd moeten in steken.

Op tijd opstaan.

Jan is de eerste. Na een half uur kom ik naar beneden geslofd. In een allerbest scenario een half uur later de kleinste, gevolgd door Clarisse, die het meest tijd nodig heeft. Véél tijd hebben wij ‘s morgens, want ik werk dichtbij huis en school en ik kan glijden met mijn uren. Maar tijd hebben in de ochtend is een van de dingen die ik leerde van mijn lief, en waarschijnlijk een van de beste dingen die een mens kunnen overkomen. ‘Drink eerst een zatje kaffie, keppe’, zegt hij en mijn dag begint daarmee dan ook altijd goed.

Ergens op de dag een beetje tijd inplannen voor uw nageslacht.

Voor mij zijn dat de dagelijkse wandelingen naar en van school. We kunnen niks anders doen dan bij elkaar zijn, en we vinden dat alle drie zo gezellig (door de jaren heen hé, ik heb ook veel gesleurd met vermoeide kleuters die een kwartier zaagden, daar zijn we door, al duurde dat een tijdje, voor sommige zaken is tijd nodig) dat we er niet meer zonder kunnen. Tijd om te babbelen met elkaar, dingen uit te leggen, te dromen, ruzie te maken en te leren die weer bij te leggen, over Harry Potter te vertellen en moeilijke dingen te duiden.
Ik denk dat, van alles wat het moederschap omhelst, de kern daar ligt voor mij.
Het is fijn als je zo iets hebt, als ouder. Waar en hoe je dat invult maakt weinig uit, maar dat zijn van die dingen die aanvankelijk weinig voorstellen, die later tot de fundamenten van relaties behoren.
(Het is niet dat het altijd altijd gezellig is hé. Ik moet ook soms mijn regels hebben, en mijn middelste kind kan zagen dat het niet schoon is terwijl de jongste als een furie achter ons kan lopen. Dat gebeurt ook, maar dat is het leven, denk ik dan, en dat denken helpt)
(Ik heb dat eigenlijk ook niet ingepland in mijn leven, het kwam vanzelf en misschien is dat nog het allerbeste)

Valentijnen.

Niet op 14 februari voor mijn part, maar zo een beetje verliefd zitten wezen naast mekaar, of tijd hebben om eens langer dan vijf minuten met elkaar te babbelen, ik hou daar van. Wij doen dat vaak op woensdag. De kindjes vroeg in bed en wij zo een keer in de rust eten. Want voor je het weet is de een gaan sporten en de ander aan het werken en lig je uitgeteld voor tv te zappen. Wat overigens ook gezellig is.

Zaaien naar de zak.

Koop een bescheiden huis en zaai naar de zak. Levenswijsheid van mijn petertje. Ik hou me daar aan, ik moet nooit meer wakker liggen van geldtekort, ik denk na voor ik iets doe met mijn geld en dat bezorgt me een gigantische zielerust. Hoe ouder ik word, hoe minder moeite ik heb met onthechting, maar ik hou van die zekerheid dat ik morgen niet mijn laatste cent moet uitgeven. Ooit was het zo, en mijn buik deed daar zoveel pijn van, dat ik het nu rustiger vind.

Al die dingen zorgen dat er ruimte is in mijn hoofd. Ruimte om gegrilde-groenten-lasagne op tafel te toveren als er bezoek komt, een mooie zak in mijn kast te hangen die vol weessokken zit, die we af en toe eens samen sorteren op regen-woensdagnamiddagen. Ruimte om mekaar graag te zien en de rush door te komen.

Schoonheid

February 11th, 2015

Mijn grootvader kruiste vaak zijn armen op zijn rug. Ik zag het soms, als hij aan het wandelen was, hoe hij zijn armen rustig op zijn rug kruiste en verder wandelde.

Om een of andere reden vind ik dat een van de mooiste lichamelijke houdingen die een mens kan aannemen.

Er zit iets treurigs is, maar ook vastberadenheid, wijsheid en soms een beetje een berustend gevoel. Het doet me ook denken aan hoe je lijf toont dat je aan het genieten bent, want je kruist je armen niet op je rug als het je niet afgaat in het leven. Weemoed ook een beetje, maar ook aandacht. Aandacht voor de wereld rond je, voor de mensen bij wie je leeft en voor de natuur, soms ook.

Het was in een donkere periode uit mijn leven, dat hij me brieven schreef. Lange, zelf geschreven brieven, die hij met de auto naar de post bracht, zodat ze in Gent zouden geraken, tot bij mij.
Soms had ik geen zin in brieven, ik bleitte zo al meer dan genoeg, en ik legde ze gewoon aan de kant.
Na een poosje was ik zo gewend aan die regelmaat van de brieven, dat ik er naar uitkeek. Ik had geen telefoon, alleen maar een hoofd vol storm. En nu ook een grootvader die brieven schreef.

De brieven stonden vol alledaagsheid.

Over hoe hij aardappelen had geschild voor het middageten, en over hoe schoon de prei was uit zijn hof. Over de bergen die hij kon zien van bij hem thuis, over geraniums die weldra zouden bloeien. Over de mooie wandeling die hij had voorbereid, en over het lekkere brood dat zo smaakte, ‘s avonds, met een stukje fruit erbij. De kracht van mooie woorden, of een schoon artikel dat hij gelezen had. Over hoe de dauw tekeningen maakte in zijn tuin, en hoe hij een kleine vogel had gezien op de haag. Een amaryllis die groeide om te bloeien. De lukken van mijn metje, die lekker waren.

In mijn hoofd raasde het, stormde het hevig en was er geen alledaagsheid aanwezig. Geen schoonheid, geen mooie dingen om op te letten.

Tot ik zijn brieven las, en hier en daar, af en toe moest glimlachen. Kleine pauzes in de ellende. Allemaal om kleine schone dingen die ik niet had opgemerkt. Ik trainde mezelf in het leren kijken. Hoe de handen van de buurvrouw mooie rimpels hadden, en hoe de zon binnen scheen en alles wat dragelijker maakte. Allemaal kleine beetjes mooiheid die hielpen.

Ik heb me dat eigen gemaakt, dat kijken naar mooie dingen. Het geeft mijn leven een soort lichtheid die heel verwarmend is en goed doet aan mijn hoofd. Ik probeer dat ook aan mijn kinders mee te geven, omdat dat gelijk medicamentjes zijn voor uw ziel. Het leven is zo al complex en verdraaid lastig bij momenten, schoonheid helpt.

Toen zag ik deze ochtend net voor mij mijn jongste broedje lopen naar school.
De weg van huis naar school is zo grijs en vuil en vol auto’s en nog van dat, maar dat zien zij niet.
Ze kruiste haar armen op haar rug, net als hij dat deed, en zei: ‘Wat een mooie eend, daar, ik had er bijna naast gekeken.’

Versus

February 7th, 2015

Mijn enige nog levende grootouder is mijn metertje.

Ze is 86 begod, en ze ziet eruit zoals sommige mensen van 70. Ik denk dat ik ze met één hand kan oppakken en als ik haar vastpak dan voelt ze steeds brozer dan de vorige keer. Ze is nog altijd mooi gekleed en ze ruikt nog altijd naar de crèmes van vroeger.

Je zou eens met mij mee moeten kunnen gaan tot bij haar thuis. Ze woont op een bel-etage, wat wil zeggen dat zij nog al die trappen doet, meerdere keren per dag. Haar wasmachine staat op het gelijkvloers, haar living en keuken en badkamer op de eerste verdieping en de slaapkamers bevinden zich op het tweede. Trappen dat zij doet.

Mijn twee grootmoeders waren dan wel van dezelfde leeftijd, meer verschillend konden ze niet zijn.

Mijn metje – die gestorven is – was van de klassieke soort. Zorgen over de was en wat er op tafel komt ‘s middags. Blij met de maandagse wandelingen met de bejaarden en bezorgd om de achterkleindochter die vorig jaar steeds met de trein naar Brugge moest. Alleen. Er zou wel eens wat kunnen gebeuren. Toen ze hoorde dat ze op internaat mocht, was ze gerustgesteld. ‘Veel beter’, prevelde ze, ‘dat kind toch’. Ze bakte de beste pannenkoeken, de heerlijkste warme wafels en de verrukkelijkste lukken op het einde van het jaar. Mijn grootvader kopieerde haar recepten voor mij, met zijn scanner, uit het boek van de Boerinnebond. Zij schudde en zei dat ze nooit zoveel suiker zou gebruiken en hij schudde op zijn beurt omdat zij de magie van de kopie had verstoord. Ik belde veel met haar, doorheen mijn leven. Om te praten over onbenulligheden, de dochter van de buren die ziek was en het wel en wee van de familie. ‘Bedankt om te bellen, Marietje’, zei ze. Telkens weer opnieuw, elke elke elke keer.
Ze kwijnde weg toen mijn peter stierf, en mens, ik had er geen gedacht van dat zij zou treuren. ‘Het voelt alsof je je helft kwijt bent’, zei ze, en ze had dat van haar vriendin gehoord tijdens het wandelen en ze zei dat het echt zo voelde.
Ik hoop dat ik later lukken kan bakken zoals zij, en dat ik kan vertellen aan mijn dochters hoe bijzonder ze was voor mij.

Mijn meter is de moderne.
Ik vond dat toen ik klein was, en met mijn handen over haar fluwelen slaapkamerbehang ging, en vol bewondering keek naar haar tapijt keek.
Ik vind dat nog.
Ze leest de Knack, en andere tijdschriften, en ze streept dingen aan die ze interessant vindt. Ze spaart de weekendedities voor mij, en zucht als ze hoort hoe sommige vrouwen aan de haard willen blijven. Ze vertelt – vol oude honger – hoe ze moesten sparen en ze bijna geen nek meer had van het eten dat ze uit haar eigen mond spaarde. Over mijn Hollandse grootvader, haar man, die ze de laatste jaren van zijn leven zo menswaardig bezorgde dat ik er nog steeds niet goed van ben.
Ze denkt aan haar kleindochters die moslims zijn, en vindt het jammer als mijn nichtje haar hoofddoek aanhoudt bij bezoeken. In haar hoofd vecht ze tegen elke vorm van onderwerping, maar ik zeg haar dat ze dat niet hoeft te doen. Dat keuzes voor de een niet altijd keuzes voor de ander zijn.
Toen mijn peter stierf ging haar leven door, en het verdriet draagt ze stilletjes met haar mee, vol onmacht over hoe hij gevangen zat in zijn eigen lijf, de laatste jaren.

Laatst stond ze in haar keuken kip klaar te maken. Kip, gemarineerd in olijfolie en gevuld met kruiden uit haar tuin. Haar keuken is altijd een beetje een hoopje, zoals die van mij, maar de dingen die zij klaarmaakt staan in mijn lijstje van ‘beter dan dat kan eten niet zijn’. Het is niet conventioneel, de manier waarop zij kookt, en ze maakt bijzonderheden die durf etaleren. Haar keuken ontploft, net als de mijne, en later op de dag zal ze die dan rustig weer op orde zetten, als al het volk weg is.

Ik zou een week bij jou willen zijn, dacht ik stil, en al jouw recepten netjes opschrijven (wat een hel zou dat zijn, dacht ik tegelijkertijd, want ze houdt geen maat en is een rebel in de keuken) zodat ik later aan mijn kinderen kan vertellen wat een magisch mens ze was.

Way back (#boostyourpositivity)

February 4th, 2015

Ik denk soms aan jou, zestienjarige ik, als ik in de keuken sta, en net boodschappen heb gedaan.
Ik denk aan hoe jij toen smachtte naar een eigen huisje, en een keukentje en genoeg geld om eten te kopen en het dan klaar te maken. Ik proef die honger nu nog op mijn lippen, en bij een volle kar in de winkel, of bij een tas vol groensels die ik meezeul als ik van de markt kom, denk ik aan jou. Aan hoeveel zin je daarin had, en hoe het nu zo is in het echt en hoe een mens dat soms vergeet, van die vurige verlangens van zestienjarigen.

Ik denk ook aan jou als ik mijn eigenste vijftienjarige dochter in de badkamer tegenkom, met haar stijltang en haar rologen. Hoe ik zou hebben gelachen met meisjes die stijltangen gebruiken als ze buitenkomen, zeker als ze zulk prachtig haar hadden als dat van mijn dochter. Ik zie hoe anders mijn dochter is dan toen ik zestien was, en hoe het raasde in mijn kop en hoe het bij haar bijzonder standvastig en rustig verloopt, daar vanbinnen in haar koppeke. Wel af en toe een windvlaagje, dat wel, maar peanuts in vergelijking met de hurricanes in mijn eigen kop zowat achttien jaar geleden. Ik kan je verzekeren: die stormen kunnen gaan liggen hoor, zoals ze dat bij mij deden. Er ging wat tijd over, wat gevloek, gebleit, wat goede mensen, wat lastigaards en wat verdriet. Na dat alles is het wat rustiger geworden, wees gerust, het blijft niet even lastig.

Er zijn nog altijd wat zaken die we gemeen hebben. Je honger naar duiding is groter geworden, en ik wou eigenlijk net dat die wat zou minderen door de jaren. Ik lees en ik lees en ik denk en ik denk en ik heb in Jan een compagnon gevonden die ook denkt en denkt en dat is zowat het beste dat me kon overkomen, zestienjarige ik. Zo goed als het nu is, daar had jij toen geen vermoeden van, begod.

Je had ook geen vermoeden van die modder aan verdriet die je kort nadien zou overstromen. Ik weet niet eens of ik jou zou willen waarschuwen. Verdriet van tienermoeders wordt onderschat, en laat dat nu net een kwaadheid zijn die je toen niet voelde, maar ik nu wel. Een kwaadheid die me koppiger en radicaler maakt dan ik ooit had durven denken. Ik zou je dus een dekentje willen geven, ja, om je minder alleen te laten zijn in al die rouw. Maar aan de andere kant: de flexibiliteit van de kop van een tiener is misschien wel het beste wat je nodig hebt in tijden van moederkindverdriet.

Je onwetendheid over alles wat zou komen, ik ben er bij tijden strontejaloers op.

Maar aan de andere, meest overwegende kant: de puberale strijd, de ontgoocheling en de razernij van een jonge kop: je mag ze hebben.